Onze dochter wil na haar burn-out een jaar bij ons wonen, precies nu wij naar Portugal zouden vertrekken
De verhuisdozen staan al sinds januari in de logeerkamer. Niet echt netjes ingepakt, eerder halfslachtig. Zomerjassen, een oud servies van mijn moeder waar Marieke per se aan vast wil houden, drie ordners met papieren waarvan we niet meer weten waarom we ze hebben. Elke keer als ik erlangs loop, denk ik: we hadden vorige week al in Portugal kunnen zitten.
Ik ben 68, sinds vorig jaar met pensioen van de gemeente Rotterdam. Marieke is 66 en stopte eerder met haar werk in de thuiszorg omdat haar knieën het niet meer trokken. We hebben twintig jaar gespaard voor dat huisje net buiten Tavira. Geen villa, gewoon een wit huis met een klein terras, twee slaapkamers en een citroenboom die het het ene jaar beter doet dan het andere. Het plan was eenvoudig. Van oktober tot april daar, in de zomer terug naar Nederland voor familie, de huisarts en omdat Marieke anders haar kleinkinderen van haar zus te lang niet ziet.
We hadden het huis al gekocht vlak voor corona. Daarna kwam er van alles tussen. Mijn hartproblemen, de verkoop van ons rijtjeshuis, gedoe met de aannemer daar. Maar nu was het eindelijk zover.
En toen viel Noor uit.
Onze dochter is 34. Ze werkte als projectleider bij een communicatiebureau in Utrecht. Altijd druk, altijd bereikbaar, dat type. Zelfs op tweede kerstdag zat ze ooit nog met haar laptop op schoot omdat er “iets met een campagne” was. Ik zei daar weleens wat van, maar zij lachte het weg. “Pap, zo werkt het gewoon.”
In november belde ze Marieke huilend op vanaf haar toilet op kantoor. Ze kon niet meer naar buiten, zei ze. Mensen die langs de deur liepen klonken alsof ze recht door haar heen keken. Marieke is meteen naar Utrecht gereden. Daarna ging het snel en tegelijk tergend langzaam: huisarts, bedrijfsarts, ziekmelding, gesprekken met de praktijkondersteuner ggz, pillen waar Noor misselijk van werd. Ze stopte met sporten. Ze antwoordde haar vriendinnen nauwelijks nog. Haar vriend, Daan, hield het eerst nog een paar maanden vol, maar is in februari vertrokken. Volgens Noor heel rustig en volwassen. Volgens mij heeft hij vooral geprobeerd niet te verdrinken terwijl zij al onder water zat.
Ze woont nu alleen in een huurappartement op drie hoog. Er staan overal afwasjes omdat ze zegt dat de keuken haar “aanvalt”. Ik snap dat niet helemaal, maar ik zeg er niets meer van. Ik heb één keer voorgesteld om gewoon samen een uur op te ruimen. Toen werd ze zo boos dat ik me daarna schaamde. Niet om mijn voorstel, denk ik, maar omdat ik nog steeds doe alsof je sommige dingen kunt oplossen met een vuilniszak en een plan.
Vorige maand kwam ze bij ons eten. Marieke had stamppot gemaakt, veel te veel natuurlijk. Noor prikte wat in haar bord en zei ineens dat ze bij ons wilde komen wonen.
Niet voor altijd, voegde ze er snel aan toe. Eén jaar. Misschien korter. Ze wilde in haar eigen tempo herstellen, weer leren slapen, misschien therapie intensiveren. En ze wilde niet alleen wakker worden als het slecht ging.
Marieke legde meteen haar hand op die van haar. Ik zag het gebeuren en voelde mezelf al dichtklappen.
“Maar wij zouden in september weggaan,” zei ik.
Noor keek me aan alsof ik dat niet mocht zeggen. Niet boos, eerder leeg. “Ja, dat weet ik.”
Die avond hebben Marieke en ik voor het eerst echt ruzie gehad sinds ik met pensioen ben. Zij zei dat je je kind niet alleen laat als ze zegt dat ze zich niet veilig voelt. Ik zei dat Noor geen kind meer is en dat wij niet haar hele leven kunnen stilzetten. Dat klonk hard, dat weet ik. Maar ik bedoelde ook: als wij nu alles overnemen, hoe komt zij dan ooit terug in haar eigen leven?
Marieke vroeg of ik dan liever vanuit Portugal belletjes ga plegen terwijl Noor hier in paniek op de bank zit.
Daar had ik geen antwoord op.
Wat het ingewikkelder maakt, en dat vertel ik niet vaak aan mensen, is dat Noor vroeger voor óns gezorgd heeft. Toen Marieke twaalf jaar geleden borstkanker kreeg, woonde Noor nog thuis omdat ze net was afgestudeerd en geen woning kon vinden. Ze heeft haar baan bij een evenementenbureau toen niet aangenomen, omdat de uren niet te combineren waren met de ziekenhuisritten. Ze zei destijds dat het tijdelijk was. Ze kookte, regelde afspraken, zat soms zwijgend naast Marieke op de rand van het bed. Ik werkte toen nog vier dagen en deed alsof ik alles aankon. Achteraf heeft Noor veel meer gedragen dan ik wilde zien.
Ze verwijt ons dat niet. Juist dat maakt het erger.
Afgelopen zondag kwam ze weer. Ze had een tas mee met wat kleding, alsof ze wilde laten zien dat het geen groot drama hoefde te worden. Twee truien, haar medicatie, een toilettas. Ze zei dat ze desnoods in de logeerkamer kon, tussen de dozen. Marieke begon meteen te schuiven met spullen.
Ik zei: “Noor, als jij hier een jaar woont, gaan wij niet in september weg.”
“Dan ga je een jaar later,” zei ze.
Zo simpel zei ze het. Maar voor haar is een jaar misschien een periode waarin je herstelt. Voor ons is een jaar een knie die achteruitgaat, een vriend die ziek wordt, een huis in Portugal dat leegstaat en geld kost. Ik schaam me dat ik daaraan denk terwijl mijn dochter zegt dat ze bang is om alleen te zijn. Tegelijk is het wel de waarheid.
Ze werd stil en vroeg toen of ik vond dat ze zich aanstelde.
“Nee,” zei ik. Meteen. Want dat vind ik niet. Maar ik vind ook niet dat ik nog precies weet wat helpen is.
We hebben uiteindelijk afgesproken dat ze voorlopig zes weken bij ons komt. Geen jaar, geen belofte over Portugal. Haar huisarts weet dat ze hier zit en Noor heeft opnieuw een afspraak bij de praktijkondersteuner. Marieke wil dat ik elke dag met Noor een rondje loop, al is het maar naar de brievenbus. Ik heb gezegd dat ik dat doe.
De eerste nacht dat ze hier sliep, hoorde ik haar om half drie beneden rommelen. Ik ging kijken. Ze zat aan de keukentafel met alleen het kleine lampje boven het aanrecht aan, een mok thee tussen haar handen.
“Ik wilde mama niet wakker maken,” zei ze.
Ik zette water op voor mezelf, terwijl ik helemaal geen koffie wilde. We hebben bijna niets gezegd. Buiten reed de eerste bus richting het station langs, veel te vroeg naar mijn gevoel.
De volgende ochtend belde de makelaar uit Portugal over een lekkage bij het dakraam. Ik nam niet op. Het nummer staat nog steeds in mijn telefoon als gemiste oproep. Morgen moet ik terugbellen, want zo’n lekkage wacht niet tot wij als gezin weten wat we aan het doen zijn.