Na veertig jaar vriendschap dreigt ons droomhuis in Frankrijk ons uit elkaar te trekken
“Als jullie daar per se een vaatwasser, airco en een zwembad willen, dan doe ik niet mee.”
Kees stond in mijn keuken met zijn jas nog aan. Buiten tikte de regen tegen het raam en op tafel lag de map van de makelaar, met de voorlopige koopakte erin. We moesten die avond beslissen over de aanbetaling voor het huis in Frankrijk.
Ik keek naar Henk. Hij roerde zwijgend in zijn koffie, hoewel er allang geen suiker meer in zat.
“Een zwembad was jouw idee,” zei ik uiteindelijk.
Kees kneep zijn lippen op elkaar. “Dat was voordat ik begreep hoe we leven, Anja. Alsof er geen klimaatcrisis bestaat.”
Marijke zat naast hem op het puntje van haar stoel. Ze keek niet naar ons. Alleen naar haar handen, die ze zo strak in elkaar hield dat haar knokkels wit werden.
Veertig jaar. Veertig jaar waren Kees, Marijke, Henk en ik een viertal geweest. We leerden elkaar kennen op de camping in Zeeland, toen onze kinderen nog met schepjes in het zand zaten. Daarna kwamen de verjaardagen, de kerstbrunches, de weekenden op de Veluwe en jarenlang iedere zaterdagavond kaarten aan onze eettafel.
We hadden samen gelachen toen Henk zijn rijbewijs kwijtraakte door een te harde rit op de A2. We hadden samen gehuild toen Marijke haar moeder verloor. Toen ik na mijn ontslag maandenlang slecht sliep, stond Kees op een dinsdagavond voor de deur met een pan erwtensoep en zei hij: “Niet nadenken, eten.”
Daarom deed het zo’n pijn dat hij nu tegenover me stond alsof ik zijn vijand was.
Het huis was ook geen bevlieging. We hadden er bijna twee jaar over gepraat. Vier slaapkamers, een grote keuken, een vervallen schuur die Henk graag tot atelier wilde maken. Een terras met uitzicht op heuvels. Geen paleis, maar wel comfortabel. Eindelijk mochten we een beetje genieten. Henk had veertig jaar in de logistiek gewerkt. Ik had tot mijn zevenenzestigste op een basisschool gestaan. We hadden zuinig geleefd, vakanties uitgesteld en altijd eerst naar de kinderen gekeken.
Kees was zes maanden geleden veranderd. Eerst stopte hij met vliegen. Prima, vonden we allemaal. Daarna kwam er geen vlees meer op tafel. Ook prima. Maar het ging snel. Hij zegde zijn lidmaatschap van de golfclub op, verkocht zijn auto en begon over composttoiletten, zonnepanelen en regenwater opvangen.
Toen we een weekend naar het huis gingen kijken, liep hij door de woonkamer en zei: “Hier kan een slaapzaal van.”
Ik dacht dat hij een grap maakte.
Nu bleek dat hij het bloedserieus meende. Hij wilde geen zwembad, geen vaatwasser en geen vaste internetverbinding. Hij wilde een moestuin die bijna de hele grond zou innemen. Iedereen die er verbleef, moest meewerken. Ook onze kinderen en kleinkinderen, zei hij. Geen vlees, geen airco, geen ‘onnodige consumptie’.
“Dus als mijn kleindochter van acht bij ons komt logeren, moet ze haar eigen emmer naar de composthoop dragen?” vroeg ik.
“Kinderen moeten juist leren hoe het anders kan,” zei Kees.
Henk legde zijn lepel neer. Harder dan nodig was.
“Je praat over mijn kleindochter alsof ze een onderdeel is van jouw project.”
Marijke keek op. “Hij bedoelt het niet zo.”
“Nee,” zei ik. “Maar hij zegt het wel zo.”
Kees haalde diep adem. “Jullie willen gewoon doorgaan alsof comfort een recht is. Alsof jullie niet weten wat dat kost.”
Dat kwam binnen. Misschien omdat er iets van waarheid in zat. Ik weet heus wel dat een zwembad water kost. Ik weet ook dat we niet nog meer spullen nodig hebben. Maar ik wilde niet na een leven vol verplichtingen in een huis zitten waar ik me schuldig moest voelen omdat ik de vaatwasser aanzette.
“Wij willen geen tweede baan, Kees,” zei ik zacht. “Wij willen samen oud worden. Rustig. Met een glas wijn op het terras. Is dat nou zo verschrikkelijk?”
Hij keek me aan, lang. “Als iedereen dat blijft willen, ja.”
Die zin maakte iets kapot.
Marijke begon te huilen, heel stil. Ze veegde haar wangen af met haar mouw en zei: “Ik wil helemaal geen commune. Ik heb dat tegen jou gezegd, Kees.”
Hij draaide zich naar haar toe. “Maar jij begrijpt toch ook dat het anders moet?”
“Ja,” fluisterde ze. “Maar ik wil ook een fatsoenlijk bed. En ik wil niet iedere ochtend ruzie over warm water.”
Het was ineens zo stil dat ik de koelkast hoorde aanslaan.
De aanbetaling was twaalfduizend euro per stel. Niet iets wat je even wegwuift. Als we afhaakten, zouden we geld verliezen en waarschijnlijk het huis ook. Als we doorgingen, zouden we misschien iedere zomer op eieren lopen.
Henk schoof de map naar Kees toe.
“Je mag idealen hebben,” zei hij. “Maar je mag ons niet dwingen om jouw bekering mee te betalen.”
Kees pakte de map niet vast. Hij keek naar de handtekeningen die er nog niet stonden.
“Dus jullie kiezen luxe boven mij?” vroeg hij.
Ik voelde mijn ogen branden. “Nee, Kees. Jij zet ons voor die keuze.”
Hij ging weg zonder afscheid. Marijke bleef nog even staan bij de voordeur. Ze drukte mijn hand, alsof we op een begrafenis waren, en fluisterde: “Ik weet niet meer wie mijn man is geworden.”
De aanbetaling moet morgenochtend worden gedaan. Ik staar al uren naar die map en vraag me af wat zwaarder weegt: veertig jaar trouw blijven aan elkaar, of eindelijk eerlijk durven zijn over hoe je wilt leven.
Zou jij tekenen voor een compromis waar niemand blij van wordt? Of laat je een vriendschap los als die niet meer past bij wie je bent geworden?