Mijn vrouw maakte van ons pensioenhuis de ontmoetingsplek van het dorp, en ik weet niet meer waar ik nog terechtkan
Toen we hier kwamen wonen, kende ik vooral het geluid van de kerkklok en de vrachtwagen van de bakker die op vrijdag door het dorp rijdt. Dat was precies waarom ik dit huis wilde.
We waren allebei net met pensioen. Ik had ruim dertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, eerst op de bouw en later als werkvoorbereider. Mijn vrouw, Marjan, kwam uit het onderwijs. We hadden ons rijtjeshuis in Amersfoort verkocht, de kinderen waren al jaren de deur uit, en ineens konden we een vrijstaand huis betalen aan de rand van een klein dorp in de Achterhoek. Geen villa hoor. Een oude woning met een grote schuur, een tuin waar ik veel te optimistisch aan begonnen ben en een keuken die eigenlijk vernieuwd moest worden.
Marjan zei in het begin steeds: „We moeten wel een beetje onder de mensen blijven.” Daar had ze gelijk in. Ik ben niet iemand die makkelijk uit zichzelf ergens binnenloopt. De eerste uitnodiging voor koffie bij de buurtvereniging kwam via onze overbuurvrouw, Els. Daarna volgde een barbecue, een wandelclubje op woensdag en een keer een pubquiz in het dorpshuis waar ik eigenlijk naartoe ging omdat Marjan geen zin had om alleen te fietsen in het donker.
Voor ik het wist, hadden we een vaste groep. Els en haar man Henk, Paul en Sita, de weduwnaar Kees, Anja van de apotheek en later nog Jeroen en Monique. Aardige mensen. Echt waar. Het zijn geen nare mensen en ik heb ook vaak gelachen met ze. Met Henk heb ik zelfs een paar keer geklust bij Kees, die niet goed meer op een ladder durfde na een val.
Alleen werd ons huis langzaam het middelpunt.
Dat kwam deels door Marjan. Zij kan van een gewone pan soep iets maken waar mensen speciaal voor terugkomen. Ze onthoudt wie een nieuwe heup krijgt, wiens dochter is gescheiden, wie geen koriander lust. Als iemand jarig is, regelt zij een kaart en een cadeautje. Mensen voelen zich gezien door haar. Ik snap heel goed waarom ze haar graag om zich heen hebben.
Maar het begon met een etentje eens in de maand en het werd koffie na de wandeling, borrelen op zaterdag, een spelletjesavond als het regende. Op een gegeven moment zei Marjan dat het wel gezellig zou zijn als iedereen elke donderdagmiddag gewoon bij ons kon aanwaaien. „Laagdrempelig,” noemde ze dat.
Ze had het al in de groepsapp gezet voordat ze het aan mij vertelde.
Ik weet nog dat ik met een bak schroeven in de schuur stond. Ze kwam naar buiten met haar telefoon in haar hand en zei bijna vrolijk: „Donderdag beginnen we met de inloop. Niet moeilijk doen hoor, gewoon koffie. Iedereen neemt soms wat mee.”
Ik vroeg: „Iedereen van wie?”
„Nou, de groep. En wie er verder zin heeft. Els vindt het ook leuk om wat nieuwe mensen erbij te vragen.”
Ik zei niet meteen nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik zei dat ik het wel veel vond, elke week. Marjan keek alsof ik had voorgesteld de voordeur op slot te draaien voor de hele buurt.
„Je hoeft er toch niet de hele tijd bij te zitten?” zei ze. „Ga jij lekker je gang in de schuur.”
Maar zo werkt het niet. Als er zes, soms tien mensen in je woonkamer zitten, ben je niet lekker je gang aan het gaan. Dan hoor je alles. Gelach, stoelen over de vloer, de bel die gaat. Iemand die vraagt waar het toilet is, hoewel die hier al twintig keer is geweest. En altijd, echt altijd, loopt er iemand even naar de keuken omdat daar de koffie staat.
Ik begon op donderdagmiddag maar boodschappen te doen of een stuk te fietsen. Niet omdat ik die mensen wilde ontwijken, dat klinkt zo onaardig. Ik wilde gewoon niet steeds beschikbaar zijn.
Marjan zag dat anders. Zij vond dat ik haar voor schut zette.
„Mensen vragen waar je bent,” zei ze dan.
„Dan zeg je toch dat ik weg ben?”
„Ja, maar ze vinden het gek. We zijn samen gastheer en gastvrouw.”
Dat woord, gastheer, ging me steeds meer tegenstaan. Ik had nooit gesolliciteerd op die functie.
In november heb ik geprobeerd er rustig over te praten. We zaten aan de keukentafel, na de donderdagmiddag. Er stonden nog drie glazen met een bodempje witte wijn en overal lagen servetten. Ik zei dat ik niet wilde dat mensen zonder afspraak door het huis liepen. Dat één vaste middag al genoeg was, maar dan maximaal tot vijf uur en zonder dat er telkens nieuwe mensen werden meegenomen.
Marjan werd eerst stil. Daarna zei ze: „Dus ik moet aan volwassen mensen gaan uitleggen dat ze op de klok moeten kijken omdat jij rust nodig hebt?”
Ik zei dat het niet alleen om de klok ging. Dat ik me opgejaagd voelde. Dat ik soms ’s ochtends al dacht: daar komen ze straks weer.
Ze keek naar het aanrecht terwijl ze een wijnglas afdroogde. „Ik heb mijn hele leven gewerkt, Peter. Ik heb voor jou en de kinderen gezorgd, ik heb altijd rekening gehouden met roosters, sportclubs, jouw storingsdiensten. Nu heb ik eindelijk tijd. Mag ik dan alsjeblieft zelf bepalen wie ik uitnodig?”
Daar kon ik niet goed tegenin. Want het was waar dat zij vaak meer had opgevangen thuis. En ook waar dat ik na mijn werk vroeger graag met de krant op de bank wilde zitten, terwijl zij nog doorging.
Maar ik vroeg haar niet om niemand meer te zien. Ik vroeg om een huis waar ik ook nog kon ademhalen.
Het echte gedoe begon afgelopen voorjaar. Ik had al maanden gezegd dat ik het laatste weekend van mei alleen wilde zijn. Marjan zou eigenlijk met haar zus naar een wellnesshotel gaan, iets wat zij elk jaar doen. Dat ging niet door omdat haar zus bronchitis had. Jammer, maar ik dacht: dan blijven we gewoon thuis. Misschien een dagje weg, verder niks.
De donderdag ervoor hoorde ik van Els dat ze zin had in „ons weekendje”. Ik dacht dat ze zich versprak.
Marjan had de hele groep uitgenodigd om van vrijdagavond tot zondag bij ons te komen. Niet allemaal om te slapen, zei ze later, maar wel barbecueën, zaterdag fietsen, ’s avonds muziek en wie wilde kon een tent in de tuin zetten of in de schuur op een luchtbed. Kees zou de logeerkamer krijgen, omdat hij niet meer makkelijk op een matras komt.
Ik voelde mijn gezicht warm worden toen Els erover vertelde. Niet boos meteen. Vooral dom. Alsof iedereen iets wist over mijn eigen huis behalve ik.
Thuis vroeg ik Marjan waarom ze dit gedaan had. Ze zei dat ze het vergeten was te vertellen, wat ik eerlijk gezegd niet geloof. Toen ik zei dat ik dat weekend expliciet alleen wilde zijn, zei ze: „Je kunt toch gewoon niet meedoen? Niemand dwingt je om gezellig te zijn.”
Toen ben ik wel hard geworden. Ik zei dat het niet doorging. Dat ik zaterdag de poort dicht zou doen als er mensen met tenten kwamen.
Marjan begon te huilen, maar ook uit woede. Ze zei dat ik haar vrienden afpakte en dat iedereen al boodschappen had gedaan. Ik zei dat het niet alleen haar vrienden waren, maar dat ik blijkbaar alleen meetelde als ik vlees op de barbecue legde en daarna uit beeld verdween.
Uiteindelijk is het weekend wel doorgegaan, maar bij Paul en Sita. Hun huis is kleiner en Sita heeft er volgens Marjan enorm voor moeten schuiven. Ik ben die zaterdag naar mijn broer in Deventer gereden, iets wat ik ook kinderachtig vond van mezelf. Ik liet Marjan achter met alle rommel van de afzegging en dat wist ik.
Sindsdien is het niet echt beter. De donderdagmiddag gaat door, alleen niet meer iedere week. Om de week, officieel. In de praktijk wordt er nog vaak op andere dagen aangewaaid. Marjan vraagt het nu soms vooraf. Soms ook pas als iemand al onderweg is.
Vorige week zei ik dat ik er klaar mee ben als we geen duidelijke afspraken krijgen. Geen groepen meer in huis zonder dat we het allebei goed vinden. Maximaal één vaste middag. Geen logees van de vriendengroep. En als zij dat benauwend vindt, dan trek ik me terug. Niet uit het dorp, niet per se uit ons huwelijk, maar wel uit die hele kring. Dan hoeven ze mij niet meer mee te tellen met etentjes, fietstochten en gezamenlijke cadeaus.
Marjan zei alleen: „Dan laat je mij dus alleen opdraaien voor iets wat we samen hebben opgebouwd.”
Misschien heeft ze daar ook weer deels gelijk in. Ik heb lang gedaan alsof ik het prima vond, omdat ik haar zo zag opbloeien. Nu ik stop wil zeggen, voelt het voor haar alsof ik de stekker eruit trek.
Vanmiddag komt Els koffie drinken. Alleen Els, zegt Marjan. Ik ga in de schuur verder met een kast die ik al drie maanden aan het maken ben. De radio zacht aan. De achterdeur dicht.
Ik weet nog niet of dat een compromis is of gewoon een manier om elkaar voorlopig niet te hoeven aankijken.