Mijn vrouw wil haar broer bij ons laten wonen, maar ik ben bang dat we ons pensioen kwijtraken
Vorige week heb ik de fietsendrager van de auto gehaald en weer achter in de schuur gezet. Hij stond al sinds mei klaar, omdat Marijke en ik telkens zeiden dat we “binnenkort” een paar dagen naar Limburg zouden gaan. Eerst was er haar broer Theo die niet opnam. Daarna een afspraak bij de huisarts. Toen een kapotte cv-ketel in zijn huurwoning. En afgelopen dinsdag kwam er een brief van zijn verhuurder.
We zijn allebei zevenenzestig. Ik ben sinds vorig voorjaar met pensioen, na ruim veertig jaar bij een installatiebedrijf. Marijke stopte een paar maanden later bij de gemeente. We hebben niet ineens bakken met geld, maar het huis is bijna afbetaald en we hadden plannen waar we jarenlang over hadden gepraat. Met de camper van kennissen een keer naar Frankrijk. Meer fietsen. Ik zou eindelijk die oude motor weer opknappen. Marijke wilde schilderles nemen in het buurthuis.
Het klinkt misschien kinderachtig, maar ik had me verheugd op lege agenda’s.
Theo is drie jaar jonger dan Marijke. Hij is niet ziek op een manier die je meteen ziet. Hij kan nog prima lopen, hij rookt te veel maar fietst nog naar de supermarkt, en als je hem op een goede dag spreekt, maakt hij droge grappen waar je om moet lachen. Alleen zijn goede dagen zijn schaars geworden.
Zijn scheiding is inmiddels twaalf jaar geleden. Daarna verloor hij zijn baan bij een groothandel, eerst tijdelijk, toen definitief. Hij heeft een paar losse baantjes gehad, maar niets hield stand. Vrienden had hij eigenlijk al nauwelijks. Hun ouders zijn overleden. Ik heb hem nooit echt goed begrepen, als ik eerlijk ben. Hij was altijd degene die bij verjaardagen net te laat kwam, met een plastic tas van de Albert Heijn als cadeauverpakking, en na twee uur weer weg wilde.
De laatste twee jaar werd alles kleiner bij hem. Hij deed de gordijnen nauwelijks open. Post bleef ongeopend op een stoel liggen. Hij vergat rekeningen en kwam dan in paniek bij Marijke omdat er een aanmaning lag. Zij ging erheen, maakte stapeltjes, belde instanties, nam brood mee. Ik hielp soms ook. Een lamp ophangen, een lekkende kraan, zijn DigiD terugvinden omdat hij die code ergens op een kassabon had geschreven.
Ik zei tegen mezelf dat het tijdelijk was.
Tot hij vorige maand vertelde dat hij een huurachterstand had. Niet één maand, maar veel meer. Hij had een betalingsregeling gemist en brieven niet geopend. De verhuurder wilde het contract beëindigen. Er loopt van alles, zei Marijke: contact met het wijkteam, iemand van schuldhulpverlening, een aanmelding bij de ggz. Maar dat gaat allemaal traag. Theo heeft bovendien een paar keer een afspraak afgezegd omdat hij niet uit bed kwam.
Die avond zaten we aan tafel met koude sperziebonen. Marijke had haar telefoon nog in haar hand.
“Hij kan hier toch gewoon tijdelijk komen?” zei ze.
Ik dacht eerst dat ze bedoelde: een paar nachten. Tot er iets geregeld was.
“Hoe tijdelijk?” vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. “Tot hij weer een beetje op de rit is.”
Ik zei dat ik daar niet zomaar ja op kon zeggen. Niet omdat ik Theo op straat wilde zetten, dat heb ik ook niet gezegd. Maar omdat ik weet wat er gebeurt als iemand die depressief is, zijn leven niet meer aankan, bij je in huis komt. Dan begint het misschien met een logeerkamer en mee-eten. Daarna moet je hem wekken voor afspraken. Dan wordt zijn post jouw post. Zijn stilte vult de kamer. En als je een weekend weg wilt, denk je niet: hebben wij er zin in? Je denkt: kan Theo alleen blijven, en zo ja, wat tref je aan als je terugkomt?
Marijke keek me aan alsof ik iets wreeds had voorgesteld.
“Hij is mijn broer, Henk.”
“Ik weet dat hij je broer is.”
“Hij heeft niemand anders.”
Dat was het ergste, omdat het waar is. Theo heeft niemand anders. En Marijke draagt daar ook verdriet over mee. Zij zegt soms dat ze vroeger al voor hem zorgde. Hun vader kon kortaf en hard zijn. Theo was de dromerige jongen die alles verkeerd leek te doen. Marijke, twee jaar ouder, trok hem dan mee naar buiten of maakte zijn huiswerk af. Ik denk dat ze zich nu weer dat meisje voelt dat haar kleine broer niet alleen mag laten.
Maar ik ben ook niet meer vijfendertig. Mijn rug is niet best. Ik slaap slecht als er gedoe is. Toen mijn moeder de laatste jaren van haar leven hulp nodig had, deden mijn zus en ik ook veel. Boodschappen, ziekenhuisritten, indicaties regelen, eindeloze telefoontjes. Ik hield van mijn moeder, maar na haar overlijden was ik vooral moe. Dat durfde ik bijna tegen niemand te zeggen.
De volgende dag ging ik met Marijke mee naar Theo. Zijn flat rook naar oude frituur en vochtige jassen. Er stonden afwasborden op het aanrecht met een laagje grauw water erin. Hij zat op de bank in een trainingsbroek, magerder dan ik hem in lange tijd had gezien.
Hij keek niet naar mij toen hij zei: “Ik wil jullie niet tot last zijn.”
Dat soort zinnen maken het onmogelijk, vind ik. Want wat moet je dan antwoorden? Als ik zeg dat het wel meevalt, lieg ik. Als ik zeg dat hij een last wordt, maak ik hem misschien nog kleiner dan hij al is.
Marijke ging naast hem zitten en pakte zijn hand vast. Zij zei: “We komen er wel uit.”
Ik heb niets gezegd. Daar schaam ik me voor.
Thuis hebben we ruzie gehad, niet hard schreeuwen of deuren slaan, maar die nare rustige ruzie waarin je allebei steeds zachter gaat praten. Marijke zei dat ik alleen aan mezelf dacht. Ik zei dat zij al een besluit had genomen en mij alleen nog toestemming wilde laten geven. Dat maakte haar woedend. Misschien had ik dat niet zo moeten zeggen, maar zo voelde het wel.
Ze stelde voor om duidelijke afspraken te maken: Theo krijgt de kleine kamer beneden, hij betaalt een deel van zijn AOW en pensioen aan kostgeld, hij helpt mee in huis, we blijven contact houden met het wijkteam. Op papier klonk het redelijk. Alleen heeft Theo juist problemen met afspraken, geld en het huishouden. Dat is niet omdat hij lui is, denk ik. Hij lijkt soms gewoon vast te lopen op dingen die voor mij heel simpel zijn. Maar dan kun je wel een lijst op de koelkast hangen; iemand moet alsnog kijken of die lijst iets doet.
Ik heb zelf voorgesteld om eerst te zoeken naar begeleid wonen of een tijdelijke opvangplek met ondersteuning. Ik heb zelfs gebeld met het sociaal wijkteam in zijn gemeente, met Theo erbij zodat ze iets konden zeggen. De mevrouw aan de telefoon was vriendelijk, maar ook voorzichtig. Er is geen knop waar je op drukt en dan staat er morgen een kamer met begeleiding klaar. Voor veel dingen moet eerst een beoordeling komen. En Theo moet zelf meewerken, terwijl dat nu juist zo moeilijk is.
Vanmiddag zat Marijke in de tuin met een deken om haar schouders, hoewel het niet echt koud was. Ze zei dat Theo misschien over twee weken zijn huis uit moet, als er niets verandert. Daarna vroeg ze of ik hem echt buiten de deur zou houden als hij met twee tassen voor ons huis stond.
Nee, natuurlijk niet. Dat zei ik ook. Ik ben geen stenen hart. Maar een noodnacht wordt makkelijk een noodmaand, en een noodmaand misschien een nieuwe manier van leven waar niemand bewust voor gekozen heeft.
We hebben nu afgesproken dat Theo komend weekend bij ons eet. Zondag gaan we met hem zitten, ook al weet ik dat hij daar tegenop ziet, en bellen we opnieuw met het wijkteam en zijn huisartspraktijk. Marijke wil zijn kamer alvast leegmaken. Ik heb haar niet tegengehouden.
De fietsendrager staat dus weer in de schuur. Misschien halen we hem volgende maand opnieuw tevoorschijn. Misschien ook niet. Ik weet alleen dat ik mijn vrouw niet kwijt wil aan de zorg voor haar broer, en dat ik Theo ook niet kwijt wil omdat ik bang ben voor wat er van ons gevraagd wordt.