Ik dacht dat vriendschap in Zeeland vanzelfsprekend was, tot mijn pensioen vooral uit zorgen voor anderen bestond

De agenda op mijn keukentafel ziet er tegenwoordig uit alsof ik nog gewoon werk. Maandag om half tien met Kees naar de huisarts in Zierikzee. Dinsdag boodschappen voor hem en Marjan, omdat zij niet meer goed loopt. Donderdag hun post doornemen, want Kees raakt sinds zijn beroerte de draad kwijt zodra er een blauwe envelop of iets van de zorgverzekeraar tussen zit.

Soms staat er op vrijdag niets. Dan kijk ik daar bijna wantrouwig naar.

Toen Els en ik zes jaar geleden vanuit Amersfoort naar Scharendijke verhuisden, was het plan heel anders. We hadden ons rijtjeshuis verkocht, niet met een enorme overwaarde zoals sommige mensen denken, maar genoeg om hier een bescheiden vrijstaand huisje te kopen. Geen trap meer, een tuintje, de zee op fietsafstand. Els wilde schilderen. Ik wilde eindelijk zonder wekker wakker worden en weer gaan vissen.

Kees en Marjan leerden we kennen bij de jeu-de-boulesbaan. Zo gaat dat hier een beetje. Eerst zeg je een paar keer gedag, dan drink je na afloop koffie in het dorpshuis, en voor je het weet zit je op zondag bij elkaar aan de erwtensoep. Zij kwamen oorspronkelijk uit Rotterdam, wij uit Utrecht, dus we hadden alle vier datzelfde gevoel dat we ergens opnieuw waren begonnen.

Kees was degene die overal een oplossing voor had. Als mijn fietslicht het niet deed, stond hij met een schroevendraaier voor de deur. Marjan bracht Els stekjes en wist precies wanneer er ergens verse schol te koop was. Tijdens corona deden we boodschappen voor elkaar, heel normaal. Toen Kees twee jaar geleden die beroerte kreeg, voelde het ook normaal om te helpen.

In het begin was het een ritje naar het ziekenhuis. Daarna een keer de medicijnen ophalen. Marjan zei steeds: “Nee hoor, dat komt wel goed,” maar je zag aan haar dat het niet goed kwam. Zij heeft reuma en haar handen zijn zo stijf dat ze soms een potje niet open krijgt. Kees kan wel lopen, maar hij wordt snel moe en vooral zijn hoofd is veranderd. Niet helemaal, maar net genoeg om hem onzeker en prikkelbaar te maken.

Els nam de administratie op zich omdat Marjan in paniek raakte van DigiD en al die berichten in de Berichtenbox. Ik ging rijden. Daarna werd het vanzelf meer.

Ik zeg ‘vanzelf’, maar Els zegt dat dat woord precies het probleem is. Volgens haar hebben we nooit iets afgesproken. We deden steeds één ding extra, omdat nee zeggen op dat moment onmogelijk voelde. En als je al in hun woonkamer zit, met Marjan die haar handen om een koude kop thee heeft gevouwen en Kees die zegt dat hij het allemaal niet meer begrijpt, dan ga je niet zeggen: sorry, dit valt buiten onze uren.

Toch merkte ik de laatste maanden dat Els anders thuiskwam. Stil. Ze zette haar tas neer en ging dan niet eens meer zitten, maar begon meteen aan het eten alsof ze iets moest inhalen.

Een keer zouden we naar Middelburg gaan. Gewoon een dagje. We hadden kaartjes voor een kleine voorstelling in de Schouwburg, Els had er zin in. Die ochtend belde Marjan omdat Kees duizelig was en zij bang was dat het weer een beroerte was. Ik ben erheen gereden. Uiteindelijk was het volgens de huisarts waarschijnlijk een combinatie van te weinig drinken en zijn medicijnen, maar we waren de hele dag kwijt.

Els zei in de auto terug bijna niets. Pas thuis, terwijl ik de jassen ophing, zei ze: “Ik mag van mezelf niet eens balen, hè?”

Ik zei dat dat natuurlijk wel mocht.

“Maar jij doet dan meteen alsof ik Marjan liever laat stikken.”

Dat vond ik niet eerlijk. Ik had dat helemaal niet gezegd. Maar waarschijnlijk straalde ik het wel uit. Ik had vooral gedacht: stel dat het echt mis was geweest en wij zaten gezellig in Middelburg.

Een week later barstte het alsnog. Niet eens door iets groots. Kees had zijn pinpas geblokkeerd omdat hij drie keer de verkeerde code had ingetoetst. Els zat al anderhalf uur met de bank aan de telefoon en ik was naar Burgh-Haamstede gereden voor boodschappen. Toen ik thuiskwam, lag er een boterham met kaas op een bord voor Els. Haar avondeten. Ze zat aan tafel en keek naar haar telefoon.

“Ik kan niet meer,” zei ze.

Ik dacht eerst dat ze bedoelde: vandaag niet meer. Maar ze bedoelde het anders.

Ze zei dat zij zich geen vriendin meer voelde, maar een combinatie van chauffeur, secretaresse en achterwacht. Dat ze ’s nachts wakker lag omdat Marjan misschien zou vallen. Dat ze niet meer spontaan naar haar zus in Deventer durfde, omdat er altijd iets kon zijn. En dat ik overal ‘we’ van maakte, terwijl zij nooit had gezegd dat ze drie dagen per week wilde zorgen.

Ik werd boos. Niet schreeuwen, maar dat koude soort boosheid. Ik zei dat Kees en Marjan niemand anders hebben hier. Hun dochter woont in Eindhoven, hun zoon zit voor zijn werk vaak in het buitenland. De buren zijn vriendelijk, maar niet van het type dat je vraagt om mee te gaan naar het ziekenhuis.

Els keek me aan en zei: “Dus omdat zij niemand hebben, moeten wij dan maar alles zijn?”

Daar had ik geen goed antwoord op.

Het moeilijkste kwam vorige maand. Kees was gevallen in de badkamer. Niets gebroken gelukkig, maar hij lag wel een tijd op de vloer voordat Marjan mij belde. Daarna kwam het gesprek over een alarmknop, thuiszorg, misschien huishoudelijke hulp. Kees wilde daar weinig van weten. Hij schaamt zich, denk ik. Hij zegt dan dat vreemden over de vloer hem gek maken.

Marjan vroeg of wij niet dichterbij konden komen wonen als zij ooit hun slaapkamer naar beneden laten maken. Niet letterlijk bij hen in, zei ze snel, maar bijvoorbeeld in het huisje van de buurman als dat vrijkomt. “Dan is het voor iedereen makkelijker.”

Els zei niets. Ik ook niet, wat achteraf misschien nog erger was.

Die avond heeft Els op Funda gekeken naar appartementen in Goes. Niet omdat ze meteen weg wil, zei ze, maar omdat ze wilde weten of we ergens anders zouden kúnnen wonen. Ik voelde me daar vreemd gekwetst door. Alsof zij niet alleen van een dorp weg wilde, maar ook van iets waar ik nog in geloofde.

Tegelijkertijd zag ik haar de volgende ochtend de vuilnisbak buiten zetten bij Kees en Marjan, omdat de ophaaldag was. Marjan stond in de deuropening met haar jas nog half aan en zei drie keer dank je wel. Els knikte alleen maar.

Afgelopen zondag zijn we er samen gaan zitten. Niet om een groot gesprek te voeren, zo had ik het tenminste niet aangekondigd. Ik had een appeltaart meegenomen, wat achteraf een beetje laf voelde.

Els zei dat we willen blijven helpen, maar niet meer op afroep kunnen komen. Dat we vaste momenten kunnen afspreken. Dat zij contact moesten opnemen met het Wmo-loket van de gemeente Schouwen-Duiveland om te kijken welke ondersteuning mogelijk is. Dat er thuiszorg en personenalarmering geregeld moet worden, hoe vervelend dat ook is.

Kees werd rood. Hij zei dat hij geen zielige oude man wil worden die overal hulp voor nodig heeft. Marjan huilde, heel zacht, en zei dat ze ons toch niet tot last wilde zijn.

Dat was het ergste om te horen, want natuurlijk zijn ze ons niet ‘tot last’ als mensen. Maar de situatie is wel zwaar. Die twee dingen bestaan blijkbaar naast elkaar, al klinkt het hard als je het uitspreekt.

Ik heb daarna nog een rondje gelopen langs de dijk. Het waaide zo hard dat ik mijn pet af moest doen. Ik voelde me schuldig tegenover Kees en Marjan, maar ook tegenover Els. Misschien vooral tegenover haar, omdat ik haar inzet al die tijd heb gezien als iets wat vanzelf bij ons hoorde.

We gaan volgende week met Marjan mee naar het gesprek bij de gemeente. Ik heb gezegd dat ik daarna wil helpen met de formulieren, maar niet meer iedere donderdag standaard hun hele administratie overneem. Els wil weer op woensdag schilderles volgen in Zierikzee. Ze heeft zich gisteren opnieuw aangemeld.

Kees heeft nog niet gereageerd op mijn laatste berichtje. Marjan stuurde alleen: “We moeten even wennen.”

Dat snap ik. Wij moeten blijkbaar ook nog wennen aan het idee dat een vriend helpen iets anders is dan iemands leven overnemen.