Na 32 zomers in Frankrijk zei ik dat ik niet meer mee wilde zonder afspraken

Ik heb dit jaar voor het eerst de Excel-lijst voor de vakantie niet geopend.

Normaal doe ik dat ergens in januari, als het buiten grijs is en de kerstspullen nog maar net op zolder staan. Dan stuurt Kees een linkje van een huis in de Ardèche of de Dordogne, Rob roept vanaf de bank dat er wel een fatsoenlijke barbecue moet zijn, en ik kijk naar hoeveel slaapkamers er zijn en of er een toilet beneden zit. Sinds 1992 gaan we met bijna dezelfde club. Eerst met kleine kinderen en opblaasbedjes, later met pubers die liever bij het zwembad bleven dan met ons mee naar een dorpje, en de laatste jaren zonder kinderen. Acht volwassenen, soms tien als een broer of zus aansloot.

Vroeger was ik degene die het programma leuk vond. Markt op dinsdag, kanoën als het niet te heet was, een lange lunch onder platanen, ’s avonds kaarten of Rummikub. Niet dat alles altijd harmonieus was. Kees drinkt te veel rosé zodra de fles op tafel staat, en Marga wil altijd om half zes eten omdat ze anders “flauw” wordt. Maar dat hoorde erbij. We kenden elkaars irritaties zo goed dat ze bijna vertrouwd waren.

Els is al die jaren mijn beste vriendin geweest binnen die groep. We leerden elkaar kennen op de peuterspeelzaal. Onze oudste dochters zaten bij elkaar in de klas en wij waren allebei net verhuisd naar een nieuwbouwwijk in Amersfoort. Zij was degene die op mijn moeder paste toen ik met Rob naar het ziekenhuis moest. Ik was erbij toen haar jongste zoon na drie maanden weer thuis kwam wonen na zijn scheiding. We hebben samen heel veel afgelachen, ook echt hard.

De afgelopen twee jaar is er iets verschoven. Niet in één keer. Els liep al langer slecht door haar heup en ze raakt sneller moe. Dat kan gebeuren, we zijn 63, geen 33. Alleen is ze ook sneller gekwetst. Of misschien was ze dat altijd al en ving ik het vroeger beter op.

Vorig jaar in Frankrijk wilde de rest naar een marktje in Uzès. Els zei bij het ontbijt dat het haar te druk leek. Een uur later stond ze in de deuropening met haar tas om, bleek om haar neus, en zei ze dat ze toch mee wilde. In de auto werd ze stil. Op de markt ging het mis omdat we elkaar kwijt waren geraakt bij een kraam met zeepjes. Ze stond ineens te huilen naast een terras.

Niet hard, niet hysterisch. Dat was bijna erger. Ze zei alleen: “Jullie lopen altijd door. Het maakt niemand wat uit of ik erbij ben.”

Iedereen stond daar met een papieren zak abrikozen en deed alsof we niet wisten wat we moesten zeggen. Rob sloeg een arm om haar heen. Kees zei dat we toch gewoon een koffie konden drinken. Marga keek op haar horloge, wat ik haar nog steeds een beetje kwalijk neem, al weet ik ook dat het een reflex was.

Ik ben die middag met Els teruggegaan naar het huis. Ik heb haar geholpen met haar steunkousen, omdat haar handen trilden en ze er zelf niet goed bij kon. Daarna zat ik naast haar op het bed terwijl ze vertelde dat de huisarts sprak over verder onderzoek, dat ze slecht sliep en dat haar man Jan sinds zijn pensioen alleen maar in zijn schuur zat. Ik wist dat allemaal niet eens. Of deels wel, maar niet hoe zwaar het voor haar was.

De anderen kwamen pas tegen zessen terug. Ze hadden een leuke middag gehad, zeiden ze voorzichtig. Rob vroeg of ik ook nog even wilde helpen met de salade.

Ik weet nog dat ik hem aankeek en dacht: natuurlijk. Natuurlijk ben ik degene die de salade gaat maken.

De rest van die vakantie ging het telkens zo. Als Els een wandeling niet aankon, bleef ik met haar op het terras. Als ze boos werd omdat Jan volgens haar te weinig rekening met haar hield, luisterde ik. Als ze ’s nachts niet kon slapen en beneden zat, hoorde ik haar schuifelen en ging ik kijken. Niemand had mij daartoe verplicht. Dat maakt het ook zo lastig. Ik deed het omdat ik van haar houd. En omdat ik niet kon verdragen dat ze daar alleen zat.

Maar thuis was ik drie dagen kapot. Niet vakantie-moe, gewoon leeg. Rob zei toen nog: “Volgend jaar doen we rustiger aan.” Ik knikte, want ik wilde geen gedoe.

Deze winter appte Kees alweer een huis door. Groot ding, zwembad, drie verdiepingen, afgelegen. Prachtig op de foto. Ik voelde meteen weerstand, nog voordat ik goed had gekeken.

Ik schreef in de groepsapp dat ik liever iets kleiners wilde, misschien een huisje op een vakantiepark of appartementen in dezelfde plaats. Alles gelijkvloers, een dorp in de buurt, zodat niet iedereen afhankelijk is van één auto en één programma. Ik probeerde het luchtig te houden.

Els reageerde pas de volgende ochtend. “Als het voor mij lastig wordt, moet ik dan misschien gewoon niet meer mee?”

Dat was niet wat ik had geschreven. Toch kreeg ik een knoop in mijn maag, omdat ik wist dat zij het wel zo gelezen had.

Rob vond mijn voorstel op zich prima, totdat ik thuis zei dat ik ook duidelijke afspraken wilde. Niet weer vanzelf dat ik bij Els bleef als iets niet lukte. Niet weer dat ik haar medicijnen in de gaten hield, of met haar naar een arts moest als er iets gebeurde, terwijl Jan er gewoon bij is. Niet omdat ik haar wil afschuiven, maar omdat ik geen verpleegkundige ben en ook niet de enige vriendin die iets kan opvangen.

Rob werd daar boos van. Echt boos, niet zijn gewone gemopper.

“Dus als Els het moeilijk heeft, ga jij een rooster maken?” zei hij.

Ik zei dat het niet om Els alleen ging. Dat ik ook graag een keer zonder schuldgevoel een uur wilde zwemmen of mee wilde naar een stadje. Dat ik bang ben dat ik anders op een ochtend mijn tas pak en naar huis wil.

“Je weet hoe kwetsbaar ze is.”

“Ja,” zei ik. “Juist daarom moet het niet alleen op mij leunen.”

Hij vond dat hard. Hij zei dat we ouder worden en dat je dan niet bij elke beperking de kring kleiner moet maken. Daar heeft hij gelijk in, denk ik. Ik zie ook voor me hoe Els thuiszit terwijl wij foto’s sturen van een Franse tafel vol wijn en stokbrood. Dat beeld maakt me misselijk.

Maar ik vond hem ook oneerlijk. Rob kan heel warm en loyaal zijn, vooral in woorden. Vorig jaar heeft hij Els getroost op die markt, dat klopt. Alleen zat hij daarna wel met de anderen op een terras, terwijl ik met haar terugreed. Hij heeft niet gehoord hoe ze om drie uur ’s nachts zei dat ze het gevoel had dat ze alleen nog maar lastig was. Hij heeft haar niet onder de douche horen huilen omdat haar lichaam niet deed wat zij wilde.

Een week geleden belde Els mij. Ze had kennelijk gevoeld dat er iets speelde. Ze vroeg niet rechtstreeks of ik haar kwijt wilde, maar ze praatte heel snel en zei dat ze Jan niet kon dwingen anders te zijn, dat ze heus wel wist dat ze niet meer de makkelijkste was.

Ik heb toen iets doms gezegd. Ik zei: “Je bent niet lastig, Els.”

Dat is niet helemaal waar. Soms is ze wel lastig. Ik ook, ongetwijfeld. Het probleem is niet dat ze lastig is. Het probleem is dat we allemaal doen alsof er niets verandert, terwijl er van alles verandert.

Ik heb haar later teruggebeld en gezegd dat ik graag wil dat ze meegaat, maar alleen als we anders op vakantie gaan. Minder dagen misschien. Geen afgelegen huis waar je voor een pak melk twintig minuten moet rijden. En als ze een slechte dag heeft, moet dat niet betekenen dat één persoon automatisch alles laat vallen. Jan moet daarin ook iets doen. Wij allemaal misschien.

Ze was lang stil. Toen zei ze: “Ik moet daar even over nadenken.”

Rob en ik praten er sindsdien voorzichtig omheen. De aanbetaling moet voor eind maart gedaan worden. Kees wil weten waar hij aan toe is. In de groepsapp staan inmiddels alleen nog berichten over een defecte cv-ketel bij Marga en een foto van de nieuwe pup van onze dochter.

Vanavond eet ik een boterham aan het aanrecht, omdat Rob laat is bij zijn biljartavond. Mijn telefoon ligt naast mijn bord. Ik kijk er veel te vaak naar.

Ik hoop dat Els belt. En ik ben bang dat ze belt.