Ik wilde mijn oude vriend na zijn scheiding niet laten vallen, maar ineens mocht ik thuis nergens meer alleen zijn
De eerste keer dat Henk bij ons bleef slapen, vond ik daar eerlijk gezegd niets bijzonders aan. Hij had die avond bij ons gegeten, het was laat geworden en hij had een paar glazen wijn op. Mijn vrouw Els zei: “Joh, doe niet moeilijk, de logeerkamer staat toch leeg.”
Dat was in november, net na de scheiding. Henk en Marjan waren toen al ruim dertig jaar vrienden van ons. We gingen vroeger met z’n vieren kamperen in Frankrijk, zaten op elkaars verjaardagen, hebben elkaars kinderen zien afstuderen en uit huis zien gaan. Niet van die vrienden die je elke week spreekt, maar wel mensen van wie je denkt: die horen gewoon bij je leven.
De scheiding kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Marjan was al langer ongelukkig, begrepen we achteraf. Henk werkte jarenlang bij een technisch groothandelsbedrijf, maakte lange dagen en ging ervan uit dat alles thuis wel liep. Toen hij met vervroegd pensioen ging, zat hij ineens de hele dag in haar buurt. Volgens Marjan zag hij haar toen pas echt, en dat was kennelijk te laat.
Ik wil daar geen oordeel over vellen. Ik heb maar één kant echt gehoord, en dat was vooral die van Henk. Hij was kapot. Niet alleen verdrietig, maar ook onthand. Hij was 63, had een appartement gehuurd in een nieuwbouwblok in Leidsche Rijn, zo’n plek met een keurig keukenblok en overal dezelfde laminaatvloer. Hij had er bijna niks. Een bank, een televisie op een laag kastje en een eettafel waar nog drie stoelen omheen stonden, omdat hij die ooit zelf had uitgezocht.
In het begin belde hij soms ’s avonds. Dat vond ik logisch.
“Jan, heb jij even?” vroeg hij dan.
En dan vertelde hij dat hij pasta had gemaakt voor één persoon en de helft had weggegooid. Of dat hij Marjan bij de Albert Heijn was tegengekomen en niet wist of hij hallo had moeten zeggen. Soms zei hij een minuut niets. Dan hoorde ik hem ademhalen en dacht ik: laat hem maar, die man heeft niemand.
Alleen werd ‘soms’ al snel bijna iedere dag.
Hij stuurde ’s ochtends een appje met een foto van zijn koffie. ’s Middags belde hij om te vragen wat wij gingen eten. Als ik niet opnam, belde hij Els. En Els nam bijna altijd op, ook als ze net bezig was met koken of in bad lag of met haar zus aan de telefoon zat.
Ze zei dan: “Hij heeft het nu gewoon zwaar. Wij zouden toch ook hopen dat iemand er voor ons was?”
Dat kon ik moeilijk tegenspreken. Ik voelde me er meteen een kille zak bij als ik zei dat ik ook wel eens een avond geen verhaal over Marjan, alimentatie en lege kamers wilde horen.
Maar ik merkte dat ik rare omwegen ging maken. Als ik na mijn vrijwilligerswerk bij de bibliotheek thuiskwam, bleef ik soms nog tien minuten in de auto zitten. Niet omdat ik geen zin had in Els, integendeel. Maar omdat ik wist dat Henk er misschien zat. Of dat Els zou zeggen: “Hij komt straks even langs, hij trok het niet alleen.”
Dat ‘even’ was zelden even.
Hij kwam dan rond half zeven met een plastic tas van de Jumbo waar een zak chips en soms een fles speciaalbier in zat. Hij hielp afwassen, dat moet ik hem nageven. Hij was ook niet onbeleefd. Juist daarom vond ik het zo lastig. Hij zat niet pontificaal aandacht op te eisen. Hij keek alleen steeds alsof hij bang was dat wij hem na het toetje naar huis zouden sturen.
In januari ging hij een paar keer per week mee-eten. Els begon automatisch voor drie personen te koken. Op donderdag hadden wij altijd onze vaste avond: simpel eten, daarna een aflevering van een Britse serie waar Els dol op is. Henk vond die serie saai, maar zat er toch bij en begon er steeds doorheen te praten.
Een keer zei ik, misschien scherper dan nodig was: “Henk, je hoeft niet elke stilte op te vullen, hoor.”
Hij keek me aan alsof ik hem een klap had gegeven. Hij zei niets. Els keek míj aan. Die blik vergeet ik niet snel.
Later in bed zei ze dat ik geen idee had hoe het was om alleen in zo’n appartement te zitten.
“Dat heb ik ook niet,” zei ik. “Maar ik weet wel hoe het is om geen moment meer met z’n tweeën te hebben.”
Toen draaide zij zich om. We lagen allebei wakker, dat weet ik zeker, maar we zeiden niks meer.
Het echte gedoe kwam drie weken geleden. Henk had op zondagmiddag hier koffie gedronken. Hij was stiller dan anders. Toen Els vroeg hoe het ging, zei hij dat hij sinds een paar nachten nauwelijks sliep. Hij had zijn slaapkamer verplaatst naar de woonkamer, omdat het bed te groot voelde. Ik vond dat vooral treurig, maar hij ging door.
“Zou ik misschien één vaste avond per week bij jullie kunnen eten?” vroeg hij. “En dan blijven slapen. Bijvoorbeeld van woensdag op donderdag. Dan breek ik de week een beetje.”
Els zei meteen: “Natuurlijk kan dat.”
Ik weet niet eens of ze naar mij keek. Misschien wel, maar ik voelde iets in me dichtklappen. Niet alleen vanwege die woensdag. Ook omdat ik wist wat er zou gebeuren: als één nacht normaal werd, zouden twee nachten op een gegeven moment ook logisch voelen. Als hij zich op maandag beroerd voelde, moesten wij dan zeggen dat woensdag de afspraak was en dat hij tot die tijd maar alleen moest zijn?
Ik zei: “Henk, ik denk niet dat dat een goed idee is.”
Hij werd rood. Niet boos rood, eerder alsof hij zich schaamde dat hij het gevraagd had.
Ik zei dat we graag af en toe iets wilden afspreken, wandelen of eten, maar dat we geen vaste opvangplek konden worden. Dat waren mijn woorden. Opvangplek. Meteen toen ik het zei, klonk het vreselijk.
Henk knikte een paar keer. Hij pakte zijn jas en zei dat hij begreep dat wij ook ons eigen leven hadden. Hij vertrok zonder zijn koffie op te drinken.
Els heeft die avond bijna niet tegen me gesproken. De volgende ochtend zei ze dat ik hem op zijn dieptepunt had laten voelen dat hij lastig is. En misschien is dat ook zo. Ik heb hem later gebeld. Hij nam niet op. Ik stuurde dat het me speet dat ik het zo hard had gezegd, maar dat ik niet wilde beloven wat ik niet kon waarmaken.
Hij antwoordde pas de volgende dag: “Geeft niet Jan. Ik moet het zelf maar leren.”
Sindsdien is het stiller. Veel stiller dan eerst. Dat was wat ik wilde, dacht ik. Maar nu kijk ik soms toch op mijn telefoon. Niet omdat ik elk gesprek met hem mis. Die eerlijkheid heb ik wel. Ik mis vooral het gevoel dat het nog eenvoudig was tussen ons.
Els gaat af en toe alleen bij hem langs. Ze vertelt er niet veel over. Ik vraag ook niet altijd door, omdat ik bang ben dat we weer dezelfde ruzie krijgen. Vorige week hoorde ik haar in de keuken tegen hem zeggen dat hij misschien bij een kaartclub in de wijk kon kijken of bij de mannen van de tennisvereniging, waar hij vroeger lid van was. Hij zei iets wat ik niet kon verstaan.
Gisteren legde Els een bord extra op tafel. Zonder iets te zeggen.
Ik heb het bord niet weggehaald. Maar ik heb ook niet gevraagd of Henk kwam. We aten uiteindelijk met z’n tweeën. Het extra bord bleef tot na het eten op het aanrecht staan.