Mijn man wilde dat ik nee zei tegen het dorpsfeest, maar ik wist niet of ik daarmee ook nee zei tegen ons hele leven hier

De uitnodiging lag op een dinsdagmiddag tussen de reclame van de Plus en een envelop van de huisarts. Een wit kaartje, handgeschreven door Anja van de feestcommissie. Of ik haar die week even wilde bellen.

Ik wist eigenlijk meteen waarvoor het was. Henk van de commissie had in januari gezegd dat hij ermee stopte na de volgende zomerfeestweek. “En jij bent hier toch al de helft van de tijd aan het regelen, Marijke,” had hij lachend gezegd, terwijl hij een schaal met plakken kaas naar buiten droeg.

Ik heb het kaartje die middag in de fruitschaal gelegd. Niet eens verstopt. Gewoon tussen de mandarijnen. Pieter zag het pas na het eten, toen hij zijn leesbril zocht.

“Ze willen jou vragen, hè?” zei hij.

Ik zei: “Waarschijnlijk.”

Hij knikte alleen maar. Dat was erger dan wanneer hij boos was geworden.

Wij wonen nu bijna zes jaar in Oost-Zeeuws-Vlaanderen, in een dorp met nog geen duizend inwoners. Hiervoor woonden we in Amersfoort, in een rijtjeshuis waar de kinderen groot waren geworden. Pieter werkte bij de technische dienst van een scholengemeenschap, ik zat jarenlang op de administratie van een fysiopraktijk. Toen we allebei met pensioen konden, wilden we weg uit de drukte. Niet omdat we ongelukkig waren, maar omdat alles daar vol zat met vroeger. Onze dochter woont in Zwolle, onze zoon in Breda. Zij komen wanneer ze kunnen, maar zij hebben hun eigen levens.

Het huis hier was een bouwval, volgens onze dochter. Een voormalige arbeiderswoning met een lekkend dak en een keuken uit, ik denk, 1984. Pieter heeft er twee jaar bijna elke dag aan gewerkt. Nieuwe leidingen, isolatie, vloeren. Ik heb behangen, tweedehands kastjes geschuurd en meer ritjes naar de milieustraat gemaakt dan ik wil toegeven. We waren trots toen het af was. Nog steeds eigenlijk.

Via het dorpshuis raakten we onder de mensen. Eerst hielpen we bij de koffieochtenden. Daarna deed ik de roosters voor de biljarters, de kaartmiddag en de maandelijkse maaltijd. Pieter repareerde kapotte stoelen en hing lampen op. Het ging vanzelf. Iedereen kende iedereen en je werd snel aangesproken met je voornaam. Ik vond dat heerlijk. Na al die jaren waarin ik op kantoor vooral de vrouw was die de facturen nakeek, vroegen mensen hier mij om dingen. Ze vertrouwden me.

Pieter was in het begin ook gelukkig. Hij ging mee naar de nieuwjaarsborrel, dronk een biertje bij Kees in de schuur, hielp bij de rommelmarkt. Maar hij had sneller dan ik door dat er vaste lijntjes waren. Wie naast wie zat bij vergaderingen. Wie altijd als eerste wist wat de gemeente van plan was. Wie je beter niet kon tegenspreken als je ergens nog een vergunning, aanhanger of helpende hand voor nodig had.

Ik vond dat overdreven. In een klein dorp praat iedereen nu eenmaal over elkaar. Dat is niet altijd kwaadwillend.

Toen kwam dat plan voor het dorpsplein. De gemeente wilde het opnieuw inrichten: minder parkeerplekken, meer groen, een paar bankjes, ruimte voor de marktwagen op vrijdag. De groep rond Henk en Anja wilde vooral een groot verhard plein houden voor evenementen en extra parkeerruimte bij de kerk. Pieter vond het plan van de gemeente juist beter.

“Er staan daar nu twaalf auto’s op een plek waar nooit twaalf auto’s tegelijk hoeven te staan,” zei hij thuis. “En als er wél iets is, kan iedereen vijf minuten lopen. We zijn toch niet van suiker?”

Hij ging naar de informatieavond en sprak in. Rustig, vond ik. Misschien iets te uitgebreid, maar dat doet hij als hij zich ergens in vastbijt. Hij zei dat het plein van het hele dorp was, niet alleen van de feestcommissie en de ondernemers die bang waren dat mensen tien meter verderop moesten parkeren.

De volgende ochtend lag er een bericht in de dorpsapp. Niet met zijn naam, maar het ging duidelijk over hem. Iets over ‘mensen die hier pas wonen en denken dat ze wel even kunnen bepalen hoe wij het altijd gedaan hebben’.

Ik voelde meteen mijn wangen warm worden. Pieter zei: “Zie je wel.”

Maar ik zei dat een appbericht nog geen dorp was. Dat iemand altijd wel iets doms typt. Daar had ik achteraf misschien gewoon moeten zeggen dat het rot was. Ik wilde het kleiner maken omdat ik bang was dat het groter zou worden.

Daarna ging het niet in één keer mis. Dat maakt het ook zo lastig uit te leggen. Pieter hoorde via via dat er een barbecue was geweest bij Kees waar bijna iedereen van het klusgroepje was, behalve hij. Bij het dorpshuis stopten gesprekken soms als hij binnenkwam. Niet altijd. Vaak zei iemand dan snel iets over het weer of over de mosselen. Hij werd niet uitgescholden, er was geen grote ruzie. Maar hij werd ook niet meer gevraagd om iets te repareren.

Ik bleef wel gewoon welkom. Sterker nog, mensen werden vriendelijker tegen mij. Anja drukte een keer mijn hand en zei: “Jij begrijpt tenminste hoe het hier werkt.”

Ik wist niet wat ik daarop moest antwoorden. Ik lachte, geloof ik. Daar schaam ik me nu nog voor.

Thuis werd Pieter stiller. Hij ging steeds langer in de garage rommelen, hoewel daar niets meer te doen was. Ik probeerde hem mee te krijgen naar de koffieochtend, maar dan zei hij dat hij geen behoefte had aan mensen die eerst vriendelijk doen en daarna over hem praten.

“Ze praten niet allemaal over je,” zei ik eens.

Hij keek me aan alsof ik hem een klap gaf. “Nee, jij niet. Jij zit er middenin.”

Dat was gemeen, maar niet helemaal onwaar. Ik had vriendinnen gekregen. We wandelen op donderdagmorgen, we delen recepten, we passen soms op elkaars kleinkinderen als die er zijn. Toen ik vorig jaar mijn pols brak, stond Ria de volgende dag met soep voor de deur. Het waren geen oppervlakkige mensen voor mij. En juist daarom deed het zoveel pijn dat ik niet wist aan welke kant ze eigenlijk stonden.

Op donderdag belde Anja. Ze vroeg inderdaad of ik voorzitter wilde worden. Ik hoorde mezelf zeggen dat ik erover na wilde denken. Ze zei dat ze hoopte dat ik niet ‘alles persoonlijk zou maken’. Dat zei ze heel vriendelijk.

Pieter zat aan de keukentafel toen ik ophing. Hij had de krant voor zich, maar hij las niet.

“Je gaat het toch niet doen?” vroeg hij.

Ik zei dat ik nog niets had besloten.

“Marijke, als jij ja zegt, zeg je eigenlijk dat zij gelijk hebben. Dan kunnen ze mij eruit duwen en jou gebruiken om te laten zien dat er niks aan de hand is.”

Ik werd boos, ineens. Ik zei dat ik geen uithangbord was. Dat ik niet zes jaar werk en vriendschap moest weggooien omdat hij een principieel punt wilde maken over drie parkeerplaatsen en een paar bankjes.

Hij zei: “Het gaat al lang niet meer over dat plein.”

Daarna hebben we een tijd niets gezegd. Ik heb de vaatwasser ingeruimd terwijl hij er al halfvol in stond. Hij ging naar boven en kwam niet terug voor het journaal.

De volgende dag heb ik Anja gebeld. Ik heb niet ja gezegd, maar ook geen nee. Ik heb gezegd dat ik voorlopig geen voorzitter kan zijn als Pieter en ik zo in de groep liggen. Anja zuchtte en zei dat ze het jammer vond dat hij ‘de sfeer zo op scherp zette’. Ik heb haar toen onderbroken. Niet hard, maar wel voor het eerst.

“Volgens mij zetten we die sfeer met z’n allen op scherp,” zei ik.

Ze was even stil. Daarna vroeg ze of ik volgende week toch de sleutel van het dorpshuis wilde meenemen, omdat zij op vakantie ging.

Ik heb ja gezegd. Dat is misschien laf. Of praktisch. Ik weet het zelf niet.

Het kaartje ligt nog steeds in de fruitschaal. Pieter en ik eten sindsdien stiller, maar gisteren vroeg hij wel of ik genoeg benzine in de auto had voor mijn zus in Middelburg. Gewone dingen dus. Soms zijn die gewone dingen het enige waaraan ik merk dat we nog niet helemaal tegenover elkaar staan.

Maandag moet ik het dorpshuis openen voor de kaartmiddag. Ik weet nog niet of ik daarna koffie blijf drinken.