Na dertig jaar vriendschap bleek ons pensioenplan minder vast dan ik dacht
De eerste keer dat ik merkte dat het echt miszat, was niet tijdens een ruzie. Het was toen Marijke in onze groepsapp een foto stuurde van vier nieuwe fietsen bij een zaak in Zwolle. Twee donkerblauwe, twee groene. Met mandjes voorop, want we zouden eindelijk al die kleine tochtjes gaan maken waar we het al jaren over hadden.
Onder de foto schreef ze: “Kijk nou, dit wordt onze vaste woensdagclub.”
Ik zat aan de keukentafel met mijn laptop open. Een half uur eerder had ik mijn handtekening gezet onder een contract voor een opdracht in Kopenhagen. Twee jaar. Programmadirecteur bij een Deens-Nederlandse organisatie die zich bezighoudt met ouderenzorg. Precies het soort werk waarvoor ik de laatste vijftien jaar steeds te weinig tijd had gehad.
Ik keek naar die vier fietsen en voelde me ineens alsof ik iets had stukgemaakt waar niemand mij toestemming voor had gegeven.
Ik ben 62, mijn vrouw Els is 61. Henk en Marijke zijn allebei 62. We kennen elkaar vanaf de tijd dat onze kinderen nog op de basisschool zaten en wij op vrijdagavond met z’n vieren wijn dronken aan veel te kleine eettafels. Onze kinderen zijn inmiddels verspreid over Utrecht, Groningen en Amersfoort, en ze zien elkaar eigenlijk alleen nog op verjaardagen. Maar wij vier bleven over.
We hebben samen mijn ontslag na een reorganisatie meegemaakt, de borstkanker van Marijke, de scheiding van Henks broer, de sterfbedden van drie ouders. Toen mijn vader overleed, was Henk degene die zonder iets te vragen het oude dressoir naar de stort bracht omdat ik daar zelf niet toe in staat was. Els en Marijke belden elkaar soms drie keer per dag, ook over onzin: aanbiedingen bij de Plus, een rare opmerking van een buurvrouw, welke kleur gordijnen niet te oubollig was.
De laatste jaren ging het steeds vaker over later. Niet vaag later, maar met dagen erbij. Woensdag fietsen. Vrijdag eten, om en om bij elkaar. In januari een week naar de zon, niet te ver vliegen. In september met de auto naar Frankrijk. En als we allemaal echt minder gingen werken, zouden we misschien een huisje huren in Drenthe voor een maand.
Ik moet eerlijk zeggen: ik vond het ook fijn. Misschien wel té fijn. Het gaf houvast, nu de kinderen hun eigen leven hebben en mijn werk langzaam minder centraal werd.
Het aanbod uit Kopenhagen kwam via een oud-collega. Eerst heb ik erom gelachen. Ik spreek redelijk Engels, maar geen Deens, en ik zag mezelf niet ineens in een buitenlandse huurwoning met een abonnement op een Deense sportschool. Maar na het gesprek bleef het in mijn hoofd zitten. Niet alleen vanwege de titel of het geld, hoewel dat ook meespeelde. Onze hypotheek is af, maar we hebben geen riant pensioen. Twee jaar een goed salaris kon verschil maken.
Els was verrassend snel enthousiast.
“Wanneer krijgen we dit nog een keer?” zei ze. “We zijn gezond. We hebben geen kleinkinderen waar we op moeten passen. En ik kan daar gewoon mijn werk op afstand blijven doen.”
We vertelden het Henk en Marijke op een zondagmiddag. Marijke had appeltaart gebakken. Er stond slagroom op tafel die al een beetje begon in te zakken.
Henk zei eerst: “Wat bijzonder, zeg.” Maar hij keek niet blij. Hij keek naar zijn handen.
Marijke vroeg hoe lang precies.
“Waarschijnlijk twee jaar,” zei ik.
Het bleef een paar seconden stil. Toen zei ze: “Dus jullie gaan gewoon weg op het moment dat we eindelijk tijd hebben.”
Els schoot meteen in de verdediging. “We gaan niet ‘gewoon weg’. Dit is een kans.”
“Voor jullie wel,” zei Marijke.
Daarna werd het een rommelig gesprek. Henk zei dat hij het begreep, maar vroeg ook wat er dan nog overbleef van al die plannen. Ik zei iets stoms over videobellen en goedkope vluchten. Alsof een scherm hetzelfde is als op vrijdag zonder afspraak bij elkaar binnenlopen.
Marijke werd niet boos op een luidruchtige manier. Dat was erger. Ze ruimde de kopjes op terwijl Els nog aan tafel zat. Ze zei: “Natuurlijk mogen jullie gaan. Maar je kunt niet verwachten dat wij daar blij mee zijn.”
De weken erna deden we alsof het wel weer zou zakken. We gingen nog een keer eten. Henk had stoofvlees gemaakt. Iedereen was overdreven vriendelijk. Marijke vroeg Els naar haar werk, Els vroeg naar de nieuwe fietsen. Ik vertelde te lang over de huurprijzen in Kopenhagen. Niemand vroeg ernaar.
Toen kwam het geld ter sprake.
De organisatie betaalt mijn appartement voor de eerste maanden, maar daarna moesten we zelf iets regelen. Kopen was financieel slimmer dan twee jaar particulier huren, zeker omdat er mogelijk een collega van mij na afloop in wilde. We hadden spaargeld, maar niet genoeg om dat allemaal zonder overbrugging te doen. Onze woning hier zouden we niet verkopen. We wilden terug kunnen, ook omdat onze moeders allebei nog in Nederland wonen.
Ik schaamde me al toen ik het opbracht. Toch vroeg ik Henk en Marijke of zij ons tijdelijk 35.000 euro wilden lenen. Met een contract, rente, duidelijke aflossing. Henk heeft ooit een goedlopend installatiebedrijf gehad en ze hebben het breed. Ik wist dat dat geen recht gaf op hun geld. Maar na dertig jaar voelde het niet vreemd om het te vragen.
Marijke zei vrijwel meteen nee.
Niet hard. Ze legde haar vork neer en zei: “Ik vind het eerlijk gezegd nogal veel gevraagd dat wij mee moeten betalen aan jullie vertrek.”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. “Mee betalen is niet wat ik bedoel. We betalen het terug.”
“Dat weet ik,” zei ze. “Maar toch.”
Henk zei niets. Pas bij de voordeur zei hij tegen mij: “Je had dit misschien niet op deze manier moeten brengen.”
Ik werd kwaad, vooral omdat hij gelijk had. In de auto zei Els dat Marijke ons eigenlijk wilde straffen. Ik zei dat Els niet alles op Marijke moest gooien. Daarna reden we twintig minuten zwijgend naar huis.
We hebben uiteindelijk via de bank een andere oplossing gevonden. Het kost ons meer dan ik prettig vind en ik slaap er soms slecht van. Volgende maand gaan we. Onze eigen fietsen staan nog steeds in de schuur. De groene van Marijke en Henk zijn waarschijnlijk al gebruikt, misschien zelfs op woensdag.
Henk stuurt me af en toe iets door over voetbal of een artikel waarvan hij denkt dat ik het interessant vind. Marijke reageert beleefd in de groepsapp, maar ze belt Els niet meer uit zichzelf. Els doet alsof het haar weinig raakt, maar ik zie haar soms oude foto’s terugkijken op haar telefoon.
Vorige week schreef Marijke: “Laat even weten wanneer jullie precies vertrekken, dan kunnen we nog koffie doen.” Geen uitroepteken, geen voorstel voor eten, niets.
Els vond het kil. Ik vond het eigenlijk meer dan waar we recht op hebben.
Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik niet wil. Ik weet alleen niet of koffie genoeg is, en ook niet wat ik zou moeten zeggen dat niet klinkt als een verdediging van een keuze die ik nog steeds wil maken.