Mijn man boekte drie weken Italië met onze vriendengroep zonder mij iets te vragen

Elke donderdag eten we al bijna vijfendertig jaar met dezelfde mensen. Niet altijd bij iedereen thuis, tegenwoordig ook weleens in een eetcafé, omdat niemand meer zin heeft om voor tien man uren in de keuken te staan. Maar de donderdag is heilig gebleven.

We noemen onszelf voor de grap de donderdagclub, al klinkt dat alsof we een wandelvereniging zijn. Het zijn Kees en Marjan, Henk en Els, Jeroen die sinds zijn scheiding alleen komt, en wij: Pieter en ik. Vroeger zaten de kinderen ertussen met limonade en een bord op schoot. Later moesten we rekening houden met voetbaltraining, nachtdiensten, studie en schoonouders. Nu zijn er kleinkinderen, gehoorapparaten, twee kunstknieën en eindeloze gesprekken over wie waar goedkoper tankt.

Ik houd van ze. Echt. Marjan weet dingen van mij die ik niet eens meer aan mijn zus vertel. Toen mijn moeder in het verpleeghuis kwam, stond Els op een dinsdagmiddag ineens met soep voor de deur. Dit zijn geen oppervlakkige kennissen.

Maar sinds Pieter in januari met pensioen is, lijkt het alsof die donderdag voor hem niet meer genoeg is.

Hij werkte veertig jaar bij een installatiebedrijf. Altijd vroeg weg, boterhammen in aluminiumfolie mee, telefoon op tafel tijdens het eten. Hij had het er zelf op zijn laatste werkdag moeilijk mee. Dat snap ik ook. Eerst zei hij nog dat hij eindelijk alle klusjes in huis zou doen. De schuur verven, de dakgoot, de fiets van onze dochter nakijken. Na drie weken was de schuur half geschuurd en zat hij elke ochtend al om kwart voor negen te appen in de groepsapp.

‘Wie heeft er zin om morgen naar de markt in Gouda te gaan?’

‘Zullen we zondag brunchen?’

‘Ik zag een aanbieding voor een huisje in Limburg.’

Het begon me tegen te staan, en ik schaam me bijna om dat op te schrijven. Niet omdat ik die mensen niet wilde zien, maar omdat ik eindelijk een ritme had waar niemand iets van hoefde te vinden. Ik werk nog drie dagen per week in de bibliotheek. Op mijn vrije ochtenden drink ik rustig koffie, ga ik soms naar yoga in het buurthuis en rommel ik wat in de tuin. Soms spreek ik af met mijn oude collega Noura. Soms doe ik helemaal niets.

Dat laatste vond Pieter moeilijk te begrijpen.

‘Je bent toch vrij?’ zei hij dan.

Alsof vrij zijn betekende dat je beschikbaar was.

Ik heb het vaak genoeg gezegd. Niet met grote ruzies, meer tussendoor. In de auto na een etentje, terwijl hij de vaatwasser inruimde, als hij weer met zijn telefoon in zijn hand stond.

‘Ik wil niet ieder weekend plannen hebben, Piet.’

Dan zei hij: ‘Nee, maar je hoeft toch niet altijd mee?’

Dat klonk redelijk, maar als ik een keer afzegde, kreeg ik later wel te horen dat Marjan het jammer had gevonden, of dat Jeroen vroeg of er iets was. Pieter zei het niet beschuldigend, maar ik hoorde het toch zo. En eerlijk is eerlijk: ik ging ook vaak mee om gedoe te voorkomen.

De reis naar Italië kwam op een maandagavond. Ik was laat thuis omdat er een schoolklas in de bibliotheek was geweest en ik nog een kast met kinderboeken moest opruimen. Pieter had pasta gemaakt, veel te veel, met zo’n pot saus waar hij dan extra basilicum door doet zodat hij kan zeggen dat het zelfgemaakt is.

Hij was opvallend vrolijk.

‘Ik heb iets geregeld,’ zei hij toen we aten.

Ik dacht eerst dat hij eindelijk een afspraak voor de lekkende serre had gemaakt.

Hij vertelde dat Henk via een organisatie een groepsreis had gevonden: drie weken Italië, met een bus, kleine hotels, uitstapjes naar Bologna, Florence en het Gardameer. Vertrek in september. De stellen uit de groep zouden allemaal gaan, zelfs Jeroen had besloten mee te gaan.

‘Leuk,’ zei ik. ‘Maar drie weken is wel lang.’

Pieter keek me aan alsof ik een grap maakte.

‘Ik heb ons al opgegeven.’

Ik weet nog dat mijn vork op mijn bord tikte. Zo’n klein geluid, maar ik hoorde het veel harder dan zijn woorden.

‘Wat bedoel je, opgegeven?’

‘Gewoon, geboekt. We moesten snel zijn, anders waren de kamers weg. Ik heb de aanbetaling gedaan.’

Hij noemde het bedrag. Bijna drieduizend euro aanbetaling, voor ons samen. Ik voelde mijn wangen warm worden. Niet eens alleen door het geld, hoewel dat ook niet niks is. We kunnen het betalen, maar we zetten niet zomaar drie weken vakantie op de creditcard omdat Henk een linkje stuurt.

‘Pieter, ik wil helemaal niet drie weken met de hele groep in een bus door Italië.’

Hij lachte eerst nog een beetje. ‘Ach, joh. Italië. Dat wilde je toch altijd al een keer goed zien?’

‘Niet zo.’

Dat was blijkbaar het verkeerde antwoord. Hij werd stil, schoof zijn bord weg en zei toen: ‘Dus jij laat mij daar alleen zitten terwijl iedereen met z’n tweeën is?’

Ik zei dat hij best kon gaan. Dat me dat niet ideaal leek, maar dat ik niet ging doen alsof ik blij was met iets waar ik niet om gevraagd had.

Hij zei: ‘Het is ónze pensioenreis.’

Daar werd ik pas echt boos van. Ik ben nog niet eens met pensioen. En zelfs als ik dat wel was: sinds wanneer was zijn gevoel over pensioen automatisch ook mijn plan?

Die donderdag wist iedereen het al. Natuurlijk wist iedereen het al. Pieter had in de app geschreven dat ik ‘nog even moest wennen aan het idee’. Ik zag dat pas toen we bij Marjan binnenkwamen, omdat ik die app op stil had staan.

Marjan nam me apart bij het aanrecht, terwijl ze sla stond te wassen.

‘Je gaat toch wel mee uiteindelijk?’ vroeg ze zacht. ‘Het wordt echt zó gezellig.’

Ik zei dat ik het niet wist. Ze knikte, maar ik zag haar gezicht veranderen. Niet boos, meer alsof ik een stoel onder een tafel vandaan trok waar iedereen al aan zat.

Jeroen zei later aan tafel dat hij anders misschien ook niet ging, omdat hij geen zin had om als enige alleenstaande man tussen vier echtparen te zitten. Henk werd daar zichtbaar geïrriteerd van. Els zei dat het belachelijk was dat een reis waar ze al maanden over praatten nu ineens onzeker werd. Terwijl ik dacht: jullie hebben er maanden over gepraat, ik blijkbaar niet.

Pieter zei die avond bijna niets tegen me. Thuis zette hij de vuilnis buiten zonder zijn jas aan te doen. Het regende. Ik keek vanuit de keuken hoe hij langer dan nodig bij de container bleef staan.

De volgende ochtend bood ik nog aan om te kijken of ik een deel van de aanbetaling kon terugkrijgen of dat iemand anders mijn plek kon overnemen. Dat was misschien ook laf. Alsof het probleem alleen administratie was.

Hij zei: ‘Je snapt gewoon niet wat dit voor mij betekent.’

En misschien snap ik dat inderdaad niet genoeg. Hij is bang dat zijn dagen kleiner worden. Dat zie ik heus. Sinds hij niet meer werkt, kijkt hij soms rond half vier uit het raam alsof hij ergens verwacht wordt en niemand hem heeft verteld waar. De groep geeft hem houvast, lol, plannen. Misschien ook het gevoel dat hij nog niet aan de kant staat.

Maar ik ben ook bang voor iets. Dat mijn leven, nu ik eindelijk wat ruimte heb, weer volloopt met afspraken die ik vooral nakom omdat anderen het gezellig vinden.

De reis is nog niet geannuleerd. Pieter slaapt sinds een week in de logeerkamer, wat overdreven klinkt maar vooral praktisch begon omdat hij daar laat voetbal kon kijken. Nu doet hij de deur dicht.

Gisteren stuurde Marjan een foto van een Italiaans terras in de groepsapp met erbij: ‘Voorpret!’ Ik heb er niet op gereageerd. Pieter stuurde een duimpje.

Vanmorgen heb ik vrij. Ik heb koffie gezet, mijn yogamat uitgerold en daarna de organisatie gebeld om te vragen wat annuleren precies kost. Niet om hem voor een voldongen feit te zetten. Ook niet omdat ik ineens mee wil.

Ik wilde gewoon weten hoeveel deze ruzie inmiddels in euro’s te meten is.