Ik weet nog steeds niet of we goed hebben gedaan door naar Nieuw-Zeeland te gaan terwijl Kees alleen achterbleef

De wandelschoenen stonden al drie weken in de slaapkamer, nog in de doos. Hans had ze online besteld omdat zijn oude te smal waren geworden bij zijn tenen. Iedere avond trok hij ze even aan, liep een rondje door de gang en zei dan dat hij er nog een stukje op moest lopen. Ik werd daar altijd een beetje lacherig van, maar stiekem vond ik het ontroerend. Hij was 68, ik 66, en we deden alsof we twintig jaar jonger waren.

Nieuw-Zeeland was jarenlang iets geweest wat we zeiden als mensen vroegen wat we nog wilden doen. Eerst moest Hans nog doorwerken. Daarna kwam corona. Toen kregen we die lekkage in de badkamer en was onze spaarpot ineens een stuk minder gezellig. Maar vorig najaar hadden we geboekt. Vijf weken. Een camper, een paar wandelingen die volgens de reisorganisatie “goed te doen voor fitte senioren” waren, en de overtocht naar het Zuidereiland.

Ik had nog nooit zo ver gereisd. Niet eens naar Amerika. Mijn moeder was vroeger al trots als we met de caravan tot in Oostenrijk kwamen. Dus ik vond het soms ook eng, maar vooral heerlijk eng.

Toen belde Kees.

Hij zei niet meteen wat er was. Hij vroeg eerst of ik tijd had, op zo’n stem waarbij je al rechtop gaat zitten. Kees is sinds zijn scheiding alleen. Geen kinderen. Zijn zus woont in Groningen, maar die heeft zelf longproblemen en komt niet makkelijk deze kant op. Wij wonen allemaal in de buurt van Amersfoort en zagen hem regelmatig. Een biertje bij hem op vrijdag, eten bij ons met kerst, dat soort dingen. Hij hoorde er gewoon bij.

In het ziekenhuis hadden ze iets gevonden bij zijn alvleesklier. Hij vertelde het heel zakelijk, alsof hij de uitslag van een apk doorgaf. Maar aan het eind zei hij: “Ik weet eigenlijk niet wat ik nu moet.”

De weken daarna gingen snel en toch ook verschrikkelijk traag. Onderzoeken, een opname wegens uitdroging, gesprekken waar Kees nauwelijks iets van onthield. Hij kreeg thuiszorg, de huisarts schakelde palliatieve zorg in en er kwam een wijkverpleegkundige die duidelijk en vriendelijk was. Alles was op papier geregeld. Een hoog-laagbed, medicatie, iemand die langskwam om te helpen wassen.

Maar Kees was bang zodra die mensen weer weg waren.

Hij belde me soms om half elf ’s avonds omdat hij dacht dat hij benauwd was. Soms was dat ook zo, maar vaak wilde hij gewoon horen dat er iemand opnam. Hans ging een paar keer bij hem slapen op de bank, vooral na een nare nacht waarin Kees op de grond was gevallen toen hij naar de wc wilde.

Onze kinderen waren aanvankelijk lief en bezorgd. Marije maakte een rooster in de familie-app om boodschappen te brengen. Onze zoon, Daan, regelde dat Kees een personenalarmering kreeg. Maar toen het over onze reis begon, veranderde de toon.

“Jullie kunnen toch niet alles laten schieten?” zei Daan tijdens een zondagse koffie. “Er is thuiszorg. Er is een heel team. En als het echt achteruitgaat, belt iemand jullie wel.”

Marije knikte. “Mam, jullie hebben hier zo lang voor gespaard. Kees zou echt niet willen dat jullie nu thuis blijven.”

Dat was natuurlijk precies wat Kees zelf ook zei. Tenminste, met zijn mond.

Toen ik twee weken voor vertrek bij hem zat, had hij de gordijnen dicht terwijl het buiten zonnig was. Zijn huis rook naar soep uit een pakje en naar die zalf die hij op zijn armen moest smeren. Op tafel lag een map van de thuiszorg met allerlei telefoonnummers. Hij keek ernaar alsof die map hem persoonlijk beledigde.

“Ik snap best dat jullie gaan,” zei hij.

Ik zei dat hij niet zo moest praten en schonk thee in die hij niet dronk.

Toen zei hij: “Maar ik vind het gewoon niet te bevatten dat jullie straks aan de andere kant van de wereld zitten.”

Dat kwam hard binnen. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik onmiddellijk dacht: ja, ik ook niet.

Ik heb die avond in bed tegen Hans gezegd dat we moesten annuleren. Hij lag op zijn rug en zei een tijdje niets. Uiteindelijk zei hij: “Als we nu niet gaan, gaan we waarschijnlijk nooit.”

Dat vond ik hard klinken. Ik zei ook dat het hard klonk. Hij werd boos, niet echt schreeuwen, maar die stille boosheid van hem waarbij hij zijn kaken aanspant.

“Alsof ik Kees in de steek wil laten,” zei hij. “Ik ben er drie nachten geweest. Ik ga elke ochtend langs. Maar Lies, ik ben ook moe. En ik wil nog één keer iets met jou doen dat niet om ziekte, afspraken of iemand anders draaien gaat.”

Daar kon ik niets tegenin brengen. Ik wilde dat ook. Alleen voelde het ineens egoïstisch om dat te willen.

We hebben de reisorganisatie gebeld. Omboeken kon, maar alleen tegen flinke kosten en naar het voorjaar erna. Er werd ook voorzichtig gezegd dat we vanwege onze leeftijd rekening moesten houden met een medische verklaring voor de verzekering. Het was niet onmogelijk, maar het werd een heel gedoe. Hans had zijn gezicht weggedraaid terwijl ik belde. Ik wist wat hij dacht: straks stellen we het weer uit, en dan komt er altijd weer iets.

Kees ging ondertussen sneller achteruit dan de artsen eerst hadden verwacht. Niet dramatisch van de ene op de andere dag, maar je zag hem kleiner worden. Hij wilde niet meer dat ik eten meenam omdat hij toch niets wegkreeg. Hij wilde vooral praten over vroeger. Over zijn eerste baan bij de gemeente. Over zijn ex-vrouw, met wie hij al dertig jaar geen contact meer had. Over een vakantie in Frankrijk waarbij Hans zijn zwembroek was vergeten en in zijn onderbroek het water in was gegaan.

De avond voor ons vertrek zaten we met z’n drieën bij hem. Hans had een stamppot gemaakt die bijna onaangeroerd bleef. Kees keek naar onze koffers in de gang, want we zouden daarna direct naar Schiphol gaan voor een hotelnachtje.

Hij zei: “Ga nou maar. Anders zit ik daar ook nog mee.”

Ik had gehoopt dat hij zou zeggen dat het goed was. Dat hij ons een fijne reis zou wensen zoals mensen dat doen. Maar hij keek zo bleek en zo kwaad op zijn eigen lichaam, niet op ons denk ik, dat ik alleen maar kon huilen. Ik schaamde me daar ook voor. Hij moest míj uiteindelijk geruststellen.

De eerste dagen in Nieuw-Zeeland waren prachtig op een manier die bijna pijn deed. Zo veel ruimte. Wegen zonder huizen, lucht die anders leek, bergen die je op foto’s plat ziet maar in het echt gewoon voor je staan. Hans was gelukkig. Ik zag het aan hem wanneer hij ’s ochtends de camperdeur opendeed en eerst naar buiten keek voordat hij iets zei.

Ik probeerde mee te doen. Echt. Ik maakte foto’s van schapen en rare vogels, ik liep stukken die ik van tevoren nooit had durven plannen. Maar ik hield mijn telefoon voortdurend in mijn hand. Vanwege het tijdsverschil las ik berichten midden in de nacht.

Kees appte niet veel. Een duimpje op een foto. Een keer: “Ziet er koud uit daar.” Daarna twee dagen niets.

Op de negende dag belde de wijkverpleegkundige. Kees was opgenomen in het hospice. Hij had zelf gezegd dat hij niet meer alleen thuis wilde zijn. Ze vertelde het rustig, professioneel. Hij had geen acute pijn, zei ze. Hij was vooral erg moe.

Ik zat toen op een camping bij Wanaka, met nat haar na een douche waar je muntjes voor nodig had. Hans stond buiten koffie te zetten. Ik zei dat ik naar huis wilde.

Hij zei niet meteen nee. Dat maakte het erger. Hij pakte mijn hand en zei: “We kunnen kijken wat mogelijk is.”

Maar mogelijk betekende twee dagen reizen, hoge kosten, geen zekerheid dat we op tijd zouden zijn. En Kees nam die avond zelf op. Zijn stem was zwak, maar hij herkende me meteen.

“Doe niet zo gek,” zei hij. “Je bent daar nu. Ga die wandeling doen waar je het steeds over had.”

Ik zei dat die wandeling me gestolen kon worden.

“Nou, mij niet,” zei hij. “Ik wil de foto zien.”

We zijn gebleven. Ik weet nog steeds niet of dat moedig was of laf. Misschien allebei een beetje.

Kees overleed elf dagen later, op een vroege ochtend daar. Bij ons was het avond. We zaten in een klein motel in Te Anau en hadden net fish and chips gehaald. Hans nam op toen het hospice belde. Daarna aten we zwijgend aan een te klein tafeltje, met de televisie aan zonder geluid.

Op zijn uitvaart hebben mensen gezegd dat hij vaak over onze reis sprak. Dat hij trots was dat we gegaan waren. Misschien was dat waar. Misschien wilden ze ons ook gewoon minder schuld laten voelen.

Onze foto’s staan nog steeds op de computer. Hans kijkt er soms naar en zegt dat we ooit een album moeten maken. Ik zeg dan ja, maar ik begin er niet aan.

Vorige week vond ik tussen mijn oude papieren een ansichtkaart die Kees ons jaren geleden vanuit Texel had gestuurd. Alleen zijn naam, geen lange tekst. Ik heb hem op de vensterbank gezet. Hans zag hem en zei niets. Hij zette alleen de waterkoker aan.