Mijn man wil na zijn pensioen naar Frankrijk, maar ik wil eindelijk niet meer weg uit mijn eigen leven

De makelaar stuurde vorige maand een linkje naar een huis dat ik nooit gevraagd had te zien. Een oud dorpshuisje bij Limoux, met blauwe luiken, een tuin waar volgens de advertentie ‘enkele fruitbomen’ stonden en een slaapkamer onder een schuin dak.

Pieter had er een rood hartje bij gezet.

Ik zat aan de keukentafel met mijn laptop open en een kop thee die koud was geworden. Buiten reed de vuilniswagen door onze straat in Amersfoort. Dezelfde straat waar de kinderen met hun stepjes reden, waar ik vroeger altijd wist bij wie ik kon aanbellen als ik geen melk meer had. Ik keek naar die foto’s en voelde geen verlangen. Alleen een soort druk op mijn borst.

Pieter wordt in november 67. Hij heeft veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, eerst buiten in de kou en regen, later als uitvoerder. Hij is nooit iemand geweest die veel klaagde. Ook niet toen zijn knieën slechter werden of toen hij steeds meer papierwerk moest doen waar hij een hekel aan had. Hij zei altijd: nog even, nog een paar jaar. Daarna gaan we leven.

Alleen hadden we blijkbaar nooit precies besproken wat dat ‘leven’ dan was.

Voor hem betekende het Frankrijk. Geen vakantiehuisje, geen drie weken met de auto en een koelbox. Echt weg. Het huis verkopen, kleiner wonen in een dorpje waar je de bakker kent, ’s ochtends koffie op een plein, misschien een moestuin. Hij praat er al jaren over. Ik knikte daar vaak bij en zei dat het heerlijk klonk. Dat was niet gelogen. Op een winteravond, als je moe bent van werk en je agenda vol staat, klinkt Zuid-Frankrijk voor iedereen heerlijk.

Maar ik dacht dat het iets voor later-later was. Als we oud en traag zouden zijn. Of misschien helemaal nooit, zoals zoveel plannen die je samen maakt omdat het fijn is om iets te hebben om naar te kijken.

Sinds januari ben ik coördinator bij het maatjesproject van onze vrijwilligersorganisatie. Het klinkt groter dan het is, maar voor mij is het groot. Ik regel de koppelingen tussen vrijwilligers en mensen die alleen zijn, ik voer gesprekken als iets niet loopt, ik maak de roosters. Op donderdagmiddag zit ik in het wijkcentrum met Ineke en Farid aan een te kleine tafel, en soms komt er iemand binnen die eerst zegt dat het allemaal wel gaat, maar na tien minuten toch huilt.

Ik ben daar niet de redder van de wereld, echt niet. Ik stuur ook vooral mails en probeer mensen terug te bellen. Maar ik ben er goed in. Voor het eerst sinds ik minder ben gaan werken, heb ik het gevoel dat ik niet alleen ‘de vrouw van Pieter’ ben, of de moeder die altijd beschikbaar was.

Toen ik hem dat uitlegde, keek hij alsof ik hem vertelde dat ik een hobby had gevonden die mijn hele leven overnam.

‘Dat kun je daar toch ook doen?’ zei hij. ‘Vrijwilligerswerk hebben ze in Frankrijk ook.’

Ik werd daar meteen boos van. Niet eens om de woorden, maar om hoe makkelijk hij dacht dat een leven inwisselbaar is. Alsof ik mijn mensen, mijn vriendinnen, de kinderen en inmiddels ook onze kleinkinderen gewoon in een verhuisdoos kon stoppen.

‘Ik spreek niet eens goed genoeg Frans,’ zei ik.

‘Dat leer je wel.’

‘Pieter, ik wíl niet weg.’

Dat was de eerste keer dat ik het zo duidelijk zei. Hij werd heel stil. Niet boos op dat moment. Juist stil. Hij pakte zijn telefoon en ging op de bank zitten, alsof hij iets moest lezen.

Daarna werd het wekenlang een onderwerp dat overal tussendoor kwam. Tijdens het boodschappen doen. In bed, met het licht al uit. Bij mijn zus op haar verjaardag, waar hij plotseling aan mijn zwager vroeg of hij ooit aan emigreren had gedacht. Mijn zus keek naar mij, maar ik deed alsof ik de glazen aan het opruimen was.

Ik begon dingen te verbergen, wat ik vreselijk vind om toe te geven. Niet een affaire of geld, niets van dat soort dingen. Maar ik vertelde niet dat ik op donderdag langer bleef na de vergadering. Ik zei niet hoe blij ik was toen ze vroegen of ik ook volgend jaar door wilde. Ik wist dat hij dan weer zou zeggen: ‘Dus dat is belangrijker dan wij?’

En ja, daar zat mijn eigen verraad misschien al een beetje. Niet omdat ik hem bedroog, maar omdat ik hem buitenhield terwijl we altijd alles bespraken. Ik maakte van mijn leven iets waar hij alleen last van leek te hebben.

Tegelijkertijd voelde ik me door hem ook verraden. Dat woord is zwaar, dat weet ik. Hij is geen slechte man. Hij heeft me nooit geslagen, nooit bedrogen, nooit mijn geld afgepakt. Hij heeft hard gewerkt en hij heeft echt veel voor ons gezin gedragen. Maar ik dacht dat we een toekomst samen aan het uitzoeken waren. Hij leek al een toekomst geregeld te hebben waarin ik hooguit mee mocht als ik me aanpaste.

De echte klap kwam op een zondagmiddag. Het regende, we hadden net soep gegeten. Pieter had weer huizen zitten bekijken en ik zei, waarschijnlijk te scherp, dat hij ermee op moest houden mij links te sturen.

Hij zette zijn bril af en wreef over zijn ogen.

‘Wat moet ik dan, Marije?’ vroeg hij. ‘Ik heb hier nog nooit zo hard voor gewerkt als voor dat moment. En nu zeg jij eigenlijk dat ik nog tien, twintig jaar moet blijven leven zoals we altijd hebben gedaan.’

Ik zei dat ik dat niet zei. Dat we konden reizen. Lang weg in de winter. Misschien een huisje huren voor een paar maanden.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Altijd een compromis waar jij het minste hoeft los te laten.’

Dat deed pijn, omdat ik meteen dacht aan zijn moeder die twee jaar bij ons in huis woonde toen ze niet meer alleen kon. Aan de banen die ik niet heb aangenomen omdat zijn werkuren vaststonden. Maar het was ook niet eerlijk om dat als een lijstje op tafel te gooien. Hij had in die jaren ook dingen voor mij gedaan. Hij haalde de kinderen op toen ik avonddienst had, hij heeft mijn vader naar het ziekenhuis gereden toen ik het niet trok.

Toen zei hij: ‘Als jij echt niet wil, ga ik misschien gewoon alleen. Eerst een jaar. Dan zie je wel of je me mist.’

Hij zei het kalm. Bijna praktisch.

Ik hoorde alleen: ik ben bereid ons huwelijk op afstand te zetten voor een huis met blauwe luiken.

We hebben die avond niet geschreeuwd. Dat zou misschien nog makkelijker zijn geweest. Hij sliep in de logeerkamer. Ik lag in ons bed en hoorde hem een keer naar de wc gaan. Verder niets.

De dagen erna praatten we alleen over gewone dingen. Dat de cv-ketel nagekeken moest worden. Dat onze dochter zondag met de kinderen kwam. Of ik koffie wilde. Hij was zelfs extra vriendelijk, en daar kon ik nog slechter tegen.

Vorige week zijn we bij een relatietherapeut geweest. Ik had daar nooit aan gedacht na veertig jaar. De wachtkamer rook naar koffie en van die geurkaarsen. Pieter zat naast me met zijn handen tussen zijn knieën, alsof hij bij de bedrijfsarts moest zijn.

De therapeut vroeg niet wie er gelijk had. Gelukkig maar. Ze vroeg wanneer we voor het laatst ergens samen naar hadden uitgekeken zonder dat één van ons het plan al in zijn hoofd had afgemaakt.

Daar konden we allebei geen goed antwoord op geven.

Pieter heeft inmiddels beloofd dat hij dit voorjaar niet stiekem een bod gaat doen op een huis. Ik heb beloofd dat ik niet meer doe alsof Frankrijk alleen zijn rare bevlieging is. We kijken nu naar de mogelijkheid om komende herfst twee maanden iets te huren, niet in een toeristisch vakantiepark maar gewoon in een dorp. Hij vindt dat veel te weinig. Ik vind het nog steeds veel.

En soms denk ik: misschien stelt hij uiteindelijk toch voor om alleen te gaan, en misschien moet ik hem dat dan laten doen. Niet als straf, niet omdat ik hem niet meer liefheb. Juist omdat ik niet wil dat hij de rest van zijn leven naast me zit met het idee dat ik zijn enige kans heb afgepakt.

Maar ik wil ook niet dat hij later zegt dat ik hem in de steek liet, terwijl ik gewoon probeerde te blijven staan in het leven dat ik eindelijk weer als het mijne ben gaan voelen.

Vanmiddag belde Ineke of ik donderdag de nieuwe vrijwilliger wil inwerken. Ik zei ja voordat ik eraan dacht om het met Pieter te overleggen. Daarna vertelde ik het hem toch.

Hij knikte en zei alleen: ‘Natuurlijk.’

Ik weet niet of dat begrip was, of vermoeidheid. Misschien allebei.