Ik zag mijn kinderen steeds stiller worden bij oma, totdat ik niet meer kon doen alsof het niet gebeurde
Het begon met een zakje van de HEMA, geloof ik. Zo’n klein wit tasje met gouden sterretjes erop, rond Sinterklaas. We waren bij mijn schoonmoeder, Ria, in haar rijtjeshuis in Woerden. De jassen lagen op een veel te grote stapel op haar bed, er stonden schaaltjes met kruidnoten op tafel en mijn man Dennis probeerde de verwarming lager te draaien omdat het er weer bloedheet was.
Ria gaf mijn neefjes, de zoons van Dennis’ broer Mark, allebei zo’n tasje. “Voor jullie, kanjers. Omdat jullie zo goed je best doen op school.”
Mijn zoon Mees en dochter Lotte zaten ernaast op de grond met een bak Duplo. Lotte keek eerst naar de tasjes, toen naar Ria. Ze zei niets. Dat deed ze toen nog niet. Mees ook niet.
Een paar minuten later haalde Ria twee chocoladeletters uit de keukenla. Een M en een L. Ik weet nog dat ik bijna opgelucht was. Zie je wel, dacht ik. Ze krijgen óók wat. Alleen waren die letters duidelijk nog van vorig jaar of zo; de verpakking was wat dof en de M was al gebroken.
Het klinkt belachelijk als ik het zo opschrijf. Alsof een gebroken chocoladeletter een familieruzie waard is. Dat is het natuurlijk niet. Het waren vooral al die kleine dingen eromheen.
Voor de jongens van Mark had ze altijd tijd. Ze vroeg naar voetbal, naar hun spreekbeurt, naar de Cito-toets vroeger, later naar hun bijbaantjes. Ze onthield dat de oudste geen champignons lustte en dat de jongste een nieuwe keeperstrui wilde. Als zij binnenkwamen, ging haar hele gezicht open.
Bij Mees en Lotte was ze sneller geïrriteerd. “Niet zo hard praten, Mees.” “Lotte, je hoeft niet overal aan te zitten.” “Jullie moeder laat ook wel veel toe, hè?” Soms zei ze het met een lachje, alsof het plagerig was. Dennis lachte dan vaak een beetje mee, meer uit ongemak dan omdat hij het grappig vond.
Ria’s dochter was jaren geleden naar België verhuisd met haar man. Haar kinderen zagen we niet vaak. Mark woonde tien minuten van Ria vandaan en ging er iedere woensdag eten met zijn gezin. Zijn vrouw, Sanne, is heel aardig, maar zij was niet iemand die dit zou aankaarten. Ik denk ook echt niet dat zij alles zag. Of misschien wilde ze het niet zien. Dat kan ik haar niet eens kwalijk nemen.
Dennis zei steeds dat ik er te veel achter zocht.
“Mijn moeder is gewoon makkelijker met jongens,” zei hij eens in de auto terug naar huis.
“Mark heeft ook een meisje,” zei ik.
“Ja, maar Noor is heel rustig.”
“Lotte is acht, Dennis. Ze is geen museumstuk.”
Hij zuchtte toen al, alsof ik een oud onderwerp uit de la trok waar hij geen energie voor had. “Je weet hoe mam is. Als jij er iets van zegt, heb je meteen gedoe. Dan zit iedereen met Pasen weer ongemakkelijk aan tafel.”
Dat was precies zijn manier: niet zeggen dat ik ongelijk had, maar wel doen alsof het probleem vooral mijn reactie was. Hij wilde vrede. Of eigenlijk wilde hij dat ik de onvrede inslikte zodat hij geen last had van de spanning met zijn moeder.
Ik slikte het ook in, langer dan ik nu prettig vind om toe te geven.
Tot afgelopen voorjaar. We waren er voor Ria’s verjaardag. Mark en Sanne waren er met hun twee jongens en Noor. Mijn kinderen waren toen negen en elf. Ria had voor haar verjaardag een envelop van ons gekregen met geld voor een weekendje weg, samen met een bos tulpen. Mark had een grote luchtfriteuse meegenomen, waar ze overdreven enthousiast over deed.
Na de taart mochten de kinderen iets uitzoeken uit een mand die op de eettafel stond. Ik dacht eerst dat het een spelletje was voor allemaal. Er zaten kleine cadeautjes in: Pokémonkaartjes, kleursets, een Lego-auto, haarspeldjes.
Maar Ria verdeelde ze zelf.
De jongens kregen een set Pokémonkaarten en de Lego-auto. Noor kreeg een kleurset en een armbandje. Mees kreeg een pakje stiften. Lotte kreeg haarspeldjes, terwijl ze al jaren een kort koppig kapsel heeft en nooit iets in haar haar wil.
“Voor jou, liefje,” zei Ria.
Lotte keek ernaar en zei heel zacht: “Maar oma, ik hou niet van haarspeldjes.”
Ria trok haar mond scheef. “Nou zeg, je kunt ook gewoon dankjewel zeggen.”
Mees zei niets. Hij was toen net helemaal gek van Lego Technic. Dat wist iedereen die hem ooit vijf minuten had gesproken.
In de auto naar huis zat Lotte achter mij. We reden net de A12 op toen ze vroeg: “Mam, vindt oma ons eigenlijk niet zo leuk?”
Dennis keek uit het raam. Ik zag zijn spiegelbeeld in de zijruit. Hij kneep zijn lippen op elkaar.
Ik zei: “Hoe kom je daarbij?” Wat een stomme vraag eigenlijk. Ze kwam daarbij omdat ze ogen had.
“Omdat Daan en Sven altijd leuke dingen krijgen. En oma doet tegen mij altijd alsof ik lastig ben.”
Mees zei toen: “Mij noemt ze altijd druk. Maar Daan schreeuwde vandaag de hele tijd bij dat spel.”
Dennis draaide zich half om. “Oma bedoelt het niet verkeerd.”
“Maar ze doet het wel,” zei Mees.
Daar werd het stil van. Niet zo’n mooie, betekenisvolle stilte. Meer een stilte waarin je de richtingaanwijzer hoort tikken en weet dat je iets niet meer terug kunt duwen naar waar het vandaan kwam.
Die avond heb ik tegen Dennis gezegd dat ik met zijn moeder wilde praten. Niet schreeuwen, niet alle verjaardagen uit het verleden oprakelen, maar gewoon duidelijk zijn. Hij wilde eerst dat we het samen zouden doen. Een dag later zei hij dat hij toch niet wist “of dat handig was”. Uiteindelijk belde ik Ria zelf.
Ze zei meteen dat ik langs kon komen, maar haar toon was al koud. Alsof Mark haar iets had verteld, terwijl ik hem helemaal niet had gesproken.
Ik ging op een dinsdagmiddag. Ze zette koffie, met een stroopwafel op een schoteltje. Ik kreeg bijna medelijden met haar toen ik binnenkwam. Ze is weduwe, ze is 68, haar huis is stil sinds mijn schoonvader er niet meer is. Maar medelijden loste dit niet op.
Ik vertelde haar wat Lotte in de auto had gevraagd. Ik zei dat kinderen echt niet dom zijn en dat het niet ging om cadeaus, maar om de manier waarop ze werden aangesproken, vergeleken en afgekapt.
Ria werd eerst heel bleek. Daarna boos.
“Dus ik ben een slechte oma?” vroeg ze.
“Dat zeg ik niet.”
“Dat insinueer je wel.”
“Ik zeg dat Mees en Lotte zich minder welkom voelen bij u.”
Ze begon over hoe vaak Mark langskwam, dat zij de jongens dus beter kende. Dat ik de kinderen te weinig bracht. Daar zat iets in waar ik niet omheen kon: wij woonden in Utrecht en hadden allebei werk, sportclubjes, een druk leven. We gingen niet iedere woensdag langs. Maar ik zei ook dat nabijheid geen excuus is om het ene kind met warmte te ontvangen en het andere vooral te corrigeren.
Toen zei ze: “Jouw kinderen zijn gewoon anders. Lotte kan zo kattig kijken. En Mees is enorm aanwezig.”
Ik voelde mijn handen trillen. Ik zei dat zij kinderen waren, geen sollicitanten waar ze een voorkeur voor mocht hebben.
Dat was het moment waarop het echt misging. Ze zei dat ik haar tegen haar zoon opstookte. Ik zei dat Dennis al jaren niet durfde te kiezen voor ongemak. Zij zei dat ik altijd al moeite had gehad met haar. Misschien had ze daar ook deels gelijk in. Ik ben nooit ontspannen bij haar geweest. Ik voelde me er altijd beoordeeld, zelfs toen ik net bij Dennis was en ik nog overal mijn best voor deed.
Ik ben weggegaan zonder mijn koffie op te drinken.
Daarna hadden we bijna vier maanden geen contact. Dennis belde haar wel af en toe, meestal buiten mijn gehoor. Hij zei dat zij erg verdrietig was. Ik zei dat ik dat ook was, maar dat niemand daar blijkbaar belangstelling voor had. We hadden er flinke ruzies over. Niet dagelijks, maar van die ruzies die onder alles blijven liggen. Over wie er nu moeilijk deed. Over of we de kinderen iets afpakten. Over of ik hem dwong te kiezen.
Met Mees en Lotte ging het gek genoeg rustiger. Niet spectaculair beter, gewoon rustiger. Geen zondagmiddag waarop ze vooraf vroegen wie er nog meer kwam. Geen cadeaus die thuis ineens te groot of te klein voelden.
Vorige maand lag er een kaart in de bus. Geen lange brief. Ria’s handschrift, schuin en een beetje bibberig.
Ze schreef dat ze vaak aan ons dacht. Dat ze niet wist hoe ze het goed moest zeggen. Dat ze misschien inderdaad verschil had gemaakt zonder te beseffen hoe zichtbaar dat was. En dat ze Mees en Lotte miste.
Dennis las de kaart drie keer. Daarna legde hij hem op het aanrecht en deed alsof hij koffie ging zetten.
We zijn vorige zondag een uur bij haar geweest. Gewoon koffie, geen verjaardag, geen hele familie erbij. Ria had voor allebei de kinderen hetzelfde kleine doosje van de boekhandel gekocht, met daarin een boekbon. Lotte zei dankjewel. Mees ook. Ria vroeg Mees naar zijn Lego-project en luisterde echt, voor zover ik kon zien.
Toen Lotte per ongeluk een beetje limonade morste, zag ik Ria haar mond al aanspannen. Maar ze pakte een doekje en zei alleen: “Geeft niks, joh.”
Op weg naar huis zei Dennis dat het misschien toch goed kon komen. Ik zei dat ik dat hoopte. Meer kon ik niet zeggen.
De kaart van Ria ligt nog steeds op ons aanrecht, onder een stapel folders en een rekening van de tandarts. Ik ruim hem telkens niet op.