Sinds Marijke bij ons woont, loop ik op mijn tenen in mijn eigen huis
Ik heb vorige week mijn eigen koffiekopje teruggezet achter in de kast.
Dat klinkt misschien kinderachtig. Het is gewoon een blauw-wit kopje van Blokker, al jaren niet meer te koop, met een klein barstje bij het oor. Maar ik drink daar elke ochtend uit. Of dronk, moet ik eigenlijk zeggen. Marijke vindt hem prettig in de hand liggen en sinds zij hier woont, staat hij meestal bij haar plek aan tafel.
Ik heb er niets van gezegd. Ik heb een andere mok gepakt en gedaan alsof het me niet opviel. Dat is een beetje hoe het de laatste maanden gaat.
Marijke is al ruim dertig jaar mijn vriendin. We leerden elkaar kennen op de tennisvereniging, toen onze kinderen nog op de basisschool zaten. Zij was altijd degene die overal mensen kende, die een bos tulpen meenam als je ziek was en die zonder aarzelen zei dat je haar mocht bellen, ook midden in de nacht. Haar man Henk en mijn man Koos konden goed met elkaar opschieten. Ze keken samen voetbal, hoewel Marijke en ik daar dan meestal na tien minuten alweer genoeg van hadden.
Toen Henk vorig jaar in november overleed, ging het snel bergafwaarts met haar. Niet dramatisch van de ene op de andere dag, maar op van die stille manieren. Ze vergat te eten. Ze viel een keer in haar appartement en lag een paar uur op de vloer omdat haar telefoon in de slaapkamer lag. Haar dochter woont in Zwolle en werkt in de zorg, met onregelmatige diensten. Die kwam zo vaak ze kon, maar dat is ook niet hetzelfde als er elke dag zijn.
Marijke woonde op de derde verdieping, lift die het vaker niet dan wel deed, een galerij waar altijd tocht stond. Ze zei op een middag bij ons aan de keukentafel: „Ik trek die avonden daar niet meer. Het is alsof de muren dichterbij komen.”
Koos zei toen bijna meteen: „Hier is plek genoeg.”
Ik weet nog dat ik naar hem keek. We wonen sinds zijn pensioen met z’n tweeën in dit huis in Drenthe. Vier slaapkamers, een tuin waar Koos belachelijk trots op is, en eigenlijk te veel ruimte sinds onze zoon naar Utrecht verhuisde. Ik voelde ook meteen medelijden. Misschien zelfs opluchting dat we iets concreets konden doen, in plaats van alleen vragen hoe het ging.
We spraken af dat ze voorlopig bij ons zou komen wonen. Haar appartement hield ze aan. Geen huur, geen ingewikkeld gedoe, ze zou gewoon bijdragen als dat nodig was. We hadden het over een paar maanden. Tot ze weer wat sterker was, tot ze misschien iets anders zou willen. Het bleef allemaal vaag, omdat vaag op dat moment vriendelijk voelde.
De eerste weken waren eigenlijk goed. Marijke zat weer in de tuin met een dekentje om haar benen. Koos maakte grapjes en ze lachte weer hardop, zo hard dat de buurvrouw later vroeg of we bezoek hadden gehad. Ik kookte wat extra en Marijke droogde af. Ze ging een paar keer mee naar de markt in Assen. Ik dacht echt: zie je wel, dit was nodig.
Alleen begon ze zich al snel thuis te gedragen op een manier die niet helemaal thuis was.
Ze zette de verwarming hoger zonder iets te vragen, omdat ze het koud had. Dat begrijp ik best, ze is mager geworden. Maar vervolgens zei ze tegen Koos dat hij ’s avonds de houtkachel aan moest doen, omdat de centrale verwarming „zo’n droge warmte” gaf. Koos deed dat ook. Ik heb astma en krijg last van die rooklucht, zelfs met de kachel dicht.
Ze vond het ongezellig dat ik op dinsdag naar mijn schildergroep ging. „Dan zit ik hier de hele avond alleen,” zei ze. Niet boos, meer verdrietig. Dat is bijna nog moeilijker. Ik ben twee keer thuisgebleven. De derde keer ging ik wel, maar ik heb de hele avond mijn telefoon in mijn tas gevoeld trillen.
Ook onze gewoontes veranderden. Koos en ik eten normaal vroeg, rond half zes. Marijke eet liever om zeven uur, zoals zij dat met Henk deed. Dus nu eten we vaak later. Daarna wil ze niet alleen televisie kijken. Ze houdt van die programma’s waarin mensen een huis zoeken in Frankrijk, terwijl Koos en ik juist graag naar een detective kijken of gewoon ieder ons eigen ding doen.
Het zijn allemaal geen rampen. Dat zeg ik ook steeds tegen mezelf. Een vriendin in nood laat je niet weggaan omdat ze een ander tv-programma wil zien.
Maar ik merk dat ik soms in de bijkeuken blijf rommelen terwijl ik allang klaar ben. Omdat ik geen zin heb om weer aan tafel te zitten en te luisteren naar hoe slecht haar nacht was, hoe de buurvrouw van haar appartement nooit belt, hoe haar dochter te weinig langskomt. Ik luister, ik knik, ik zet thee. En daarna voel ik me een verschrikkelijk mens omdat ik er genoeg van heb.
Vorige maand kwam de energierekening. Niet eens extreem, maar wel hoger dan we gewend waren. De boodschappen zijn ook duurder. Marijke gebruikt bepaalde glutenvrije crackers en van die kleine flesjes sap, en ik haal het gewoon mee. Koos zei: „We moeten even praten over een bijdrage.”
Ik was opgelucht dat hij het zelf zei. Tot hij er die zondagmiddag over begon.
Marijke keek hem aan alsof hij haar een rekening had gestuurd voor de lucht die ze inademde.
„Dus ik ben hier toch gewoon een huurder?” vroeg ze.
„Nee,” zei Koos meteen. „Dat bedoel ik niet.”
„Nou, zo voelt het wel. Henk is nog geen jaar dood en nu moet ik gaan betalen om bij mijn vrienden te mogen zijn.”
Ik zei dat het niet alleen om geld ging. Dat we ook moesten bespreken wat praktisch was, wie wat deed, hoe lang we dit voor ons zagen. Ik had het nog niet eens over het schoonmaken. Marijke doet weinig in huis. Ze zegt dat haar heup pijn doet, en soms zie ik echt dat lopen haar moeite kost. Maar ze kan wel een pan soep maken of de vaatwasser uitruimen. In plaats daarvan wacht ze meestal tot ik het doe, of ze vraagt Koos.
Ze begon te huilen. Niet hard, geen toneel, gewoon stil. Daar kan ik blijkbaar nog steeds niet tegen.
Koos zei die avond dat we haar niet onder druk moesten zetten. „Ze heeft ons nodig, Els.”
Ik zei: „Maar wij dan?”
Hij werd daar boos om. Niet schreeuwen, zo zijn we niet, maar hij keek weg en zei dat hij niet begreep dat ik zo kon rekenen nu iemand zo kwetsbaar was. Dat deed pijn, omdat ik juist degene ben die elke ochtend haar medicijnen klaarzet als ze duizelig is, die mee is geweest naar de huisarts, die haar dochter appt als Marijke weer somber klinkt.
Sinds dat gesprek is het stroef. Marijke doet alsof er niets gebeurd is, maar zegt soms dingen als: „Ik zal wel niet te veel vragen, want ik kost jullie al genoeg.” Dan voel ik me weer schuldig en zeg ik natuurlijk dat ze dat niet zo moet zeggen.
Onze zoon kwam afgelopen weekend lunchen. Hij trok me later even mee naar de schuur om naar Koos zijn nieuwe grasmaaier te kijken, terwijl die grasmaaier hem niets interesseert.
„Mam,” zei hij, „jij bent helemaal gespannen.”
Ik wilde het wegwuiven, maar toen vertelde ik het toch. Hij zei niet dat ik Marijke eruit moest zetten. Hij zei alleen: „Jullie hadden dit moeten opschrijven voordat ze kwam. Niet omdat zij slecht is, maar omdat niemand weet waar hij aan toe is.”
Dat vond ik irritant, omdat hij gelijk had.
Morgen komt Marijke haar dochter. Koos heeft voorgesteld dat we met z’n vieren praten. Niet om haar eruit te zetten, zegt hij, maar om te kijken naar dagbesteding, hulp via de huisarts of misschien een aanleunwoning op termijn. Marijke weet nog niet dat we dat gesprek willen.
Vanmiddag heeft ze gevraagd of ik morgen weer die lasagne wil maken die Henk zo lekker vond.
Ik heb ja gezegd. Daarna ben ik naar boven gegaan en heb ik op bed gezeten, zonder mijn schoenen uit te doen. Beneden hoorde ik haar en Koos praten over de tuin. Alsof alles normaal was.
Mijn blauwe kopje staat nog steeds achter in de kast. Ik heb hem daar zelf neergezet, en toch voelt het alsof ik iets kwijt ben.