Na 38 jaar vriendschap bleek geld het enige onderwerp waar we niet omheen konden

Vorige week stuurde Marijke een foto in onze WhatsApp-groep. Vier glazen wijn op een terras in Tavira, de zon erop, erbij alleen: “Eerste inspectiedag gehad.”

Ik heb er een hartje onder gezet. Kees niet. Dat zag ik meteen, wat belachelijk is, want we zijn allebei 64 en ik zou inmiddels beter moeten weten dan de blauwe vinkjes en reacties van mijn man in de gaten houden. Maar zo is het geworden tussen ons vieren: je leest in alles iets.

Met Henk en Marijke zijn we al bevriend sinds 1986. Kees werkte toen bij een installatiebedrijf, Henk bij de gemeente. Marijke en ik hadden allebei kleine kinderen en troffen elkaar bij zwemles op zaterdagmorgen. Eerst dronken we koffie na afloop, later gingen we kamperen in Frankrijk, vierden we oud en nieuw bij elkaar en pasten we op elkaars kinderen als er weer eens een ziekenhuisbezoek of een begrafenis was.

We waren nooit van die vrienden die elke dag bij elkaar over de vloer hingen. Daar zijn we allemaal te nuchter voor. Maar als er iets was, belde je. Zonder veel uitleg.

Toen Kees twee jaar geleden met vervroegd pensioen ging, was Henk net een halfjaar eerder gestopt. Kees had plannen voor zijn moestuin, zijn oude motor en oppassen op onze kleindochter Noor. Henk raakte juist, denk ik, een beetje zoekende. Hij zei dat hij na veertig jaar vergaderen en dossiers afvinken eindelijk iets wilde doen dat “echt verschil maakte”.

Via een oud-collega kwam hij in contact met een stichting in de Algarve. Een dorpje landinwaarts, veel oudere mensen, weinig vervoer, jongeren die wegtrekken. Henk wilde daar met lokale mensen een kleine ontmoetingsruimte opzetten, met computers, Nederlandse vrijwilligers in de winter, hulp bij formulieren, dat soort dingen. Hij kon er prachtig over vertellen. Ik zag hem weer opleven.

In het begin vond ik het vooral een goed idee. Marijke minder, geloof ik. Zij zei dingen als: “Eerst maar eens kijken hoe het loopt,” terwijl Henk al plattegronden op zijn iPad liet zien.

De vraag om geld kwam tijdens een etentje bij ons thuis. We hadden stoofvlees gemaakt en Marijke had tiramisu meegenomen, veel te veel zoals altijd. Het was een gewone zaterdagavond. Henk had al twee glazen wijn op toen hij vertelde dat er een pandje beschikbaar kwam dat ze konden huren en opknappen.

“Als we dit met z’n vieren doen,” zei hij, “dan hebben we iets wat blijft. Geen vakantiehuis, geen gedoe. Gewoon iets goeds.”

Hij noemde een bedrag van twintigduizend euro per stel.

Ik weet nog dat ik naar de schaal met sperziebonen keek. Alsof ik daar een antwoord in kon vinden. Twintigduizend is voor sommige mensen misschien iets wat ze zonder veel nadenken kunnen missen. Voor ons niet. We hebben spaargeld, ja. Ons huis is bijna afbetaald. Maar Kees’ moeder woont sinds kort in een verpleeghuis in Breda en haar aanvullend pensioen is niet groot. Zijn vader is er niet meer. Mijn eigen vader is 89, woont nog zelfstandig in Hilversum en zegt bij alles dat het prima gaat, maar hij belt mij inmiddels voor dingen die vroeger vanzelf gingen.

Daarnaast willen we Noor en haar broer later graag iets kunnen geven. Niet omdat ze anders niets worden, maar omdat wonen voor jonge mensen zo onmogelijk duur is geworden. Kees zegt altijd: “Als we ze een zetje kunnen geven, doen we dat.”

Hij zei die avond niets meteen. Hij knikte alleen en vroeg hoe het juridisch geregeld zou worden, wie er verantwoordelijk was als de stichting ermee stopte en of Henk zelf ook geld inlegde.

Henk werd daar zichtbaar geïrriteerd van.

“Je kunt alles kapotregelen, Kees.”

“Dat doe ik niet,” zei Kees. “Ik vraag het alleen.”

Een week later zaten we bij Henk en Marijke aan de keukentafel. Geen wijn dit keer. Henk had een map gemaakt met begrotingen, foto’s van het gebouw en een soort missie op de eerste pagina. Kees had er van tevoren al over gepraat met mij. Hij wilde maximaal vijfduizend euro geven, als schenking, zonder verwachtingen. Ik vond dat eigenlijk al gul.

Maar Henk zei dat vijfduizend geen serieuze betrokkenheid was. Hij gebruikte dat woord: betrokkenheid.

Kees werd rood in zijn nek, wat hij altijd krijgt als hij kwaad wordt maar probeert normaal te blijven.

“Mijn betrokkenheid bij jou meet je niet af aan een bedrag,” zei hij.

Henk leunde achterover en zei: “Nee, maar nu er iets van je gevraagd wordt, blijken je kleinkinderen en je eigen portemonnee ineens belangrijker dan alles wat we samen belangrijk vinden.”

Dat was het moment waarop ik dacht: dit gaat niet meer over dat pandje in Portugal.

Kees stond op om koffie te halen, terwijl er nog koffie in zijn kop zat. Ik zag aan Marijke dat zij het ook vreselijk vond. Toch zei ze niets. Later, toen ik haar apart sprak, zei ze dat Henk al maanden met dit project bezig was en dat hij zich door Kees niet serieus genomen voelde.

“Maar twintigduizend euro vragen is ook nogal wat,” zei ik.

“Hij ziet het niet als vragen,” zei ze. “Hij ziet het als samen doen.”

Daar zit misschien precies het verschil. Voor Henk was het een uitnodiging. Voor Kees voelde het als een rekening die bij vriendschap hoorde.

De weken erna werd het klein en lelijk. Niet met schreeuwen of nare appjes. Juist niet. Henk stuurde een artikel over mensen die na hun pensioen een nieuwe bestemming vinden. Kees reageerde nergens op. Marijke vroeg of we nog mee wilden naar de jaarlijkse mosselavond in Yerseke, maar zei erbij dat Henk het misschien “wat ongemakkelijk” vond. Uiteindelijk zijn we niet gegaan.

Ik heb daar nog steeds spijt van. Niet omdat we dan ineens allemaal weer gelukkig waren geweest, maar omdat ik Marijke mis. Zij en ik hadden onze eigen vriendschap binnen die vriendschap. We konden praten over de kinderen zonder dat alles een project of een standpunt werd.

Kees zegt dat hij klaar is met de druk. Hij vindt dat Henk excuses moet maken voordat hij doet alsof er niets is gebeurd. Ik begrijp hem. Ik vond Henk ook gemeen. Tegelijk zie ik hoe Kees soms hard wordt zodra hij bang is dat iemand aan onze zekerheid komt. Alsof hij dan alleen nog maar cijfers en risico’s kan zien. Hij heeft Henk misschien te snel behandeld als iemand met een slecht plan, terwijl Henk eigenlijk wilde horen dat zijn leven na zijn werk nog betekenis kon hebben.

Maar dat betekent niet dat wij twintigduizend euro moeten overmaken om dat te bewijzen.

Marijke belde gisteren. Henk heeft inmiddels geld gevonden via andere mensen en ze gaan in oktober weer naar Portugal. Ze vroeg of ik een keer koffie wilde drinken, zonder de mannen. Ik zei meteen ja. Daarna zat ik een tijdje met mijn telefoon in mijn hand en voelde ik me opgelucht en verdrietig tegelijk.

Kees vroeg wie het was.

“Marijke. Ze wil afspreken.”

Hij knikte alleen en zei: “Moet je doen.”

Toen ging hij naar buiten om de courgettes af te dekken, omdat er nachtvorst was voorspeld. Ik bleef binnen en zette alvast twee kopjes op het aanrecht, hoewel Marijke pas volgende week komt.