Na 34 jaar vriendschap zei mijn beste vriend dat ons weekend weg ‘verraad’ was
Ik heb afgelopen vrijdag mijn weekendtas weer leeggehaald zonder dat hij de gang uit is geweest. Twee spijkerbroeken terug in de kast, toilettas terug op de plank in de badkamer, de wandelschoenen onder de kapstok. Marijke stond met haar jas nog aan bij de keukenstoel en zei: „Ik kan dit niet meer, Kees.”
Dat zei ze niet hard. Juist dat zachte maakte het erger.
We zouden drie nachten naar een huisje bij Dwingeloo gaan. Niet bijzonder luxe, gewoon een boshuisje dat we vorig najaar al hadden geboekt. Even weg na een winter waarin alles om ziekenhuisafspraken, boodschappenlijstjes en telefoontjes had gedraaid. Op donderdagmiddag belde Els: Henk had een slechte nacht gehad. Hij was duizelig, misselijk en in paniek geraakt omdat hij dacht dat de uitzaaiingen sneller gingen dan de artsen hadden gezegd.
Henk heeft longkanker. Sinds januari weten we dat het niet meer om beter worden gaat. Je zegt die woorden dan tegen elkaar, maar eigenlijk weet niemand wat je daarna moet doen.
Els belde niet letterlijk met de vraag of we wilden afzeggen. Ze zei alleen: „Ik weet gewoon even niet hoe ik dit weekend door moet.” En daarna hoorde ik haar ademhaling. Zo’n geluid dat iemand probeert niet te huilen omdat huilen ook weer energie kost.
Marijke keek mij aan en knikte al voordat ik iets zei. We hebben het huisje geannuleerd. We zouden vrijdagmiddag naar Henk en Els gaan, zaterdag de boodschappen en de was doen, en zondag bij hen eten zodat Els niet hoefde te koken.
Dat klinkt misschien logisch. En een deel van mij vindt het nog steeds logisch.
Henk en ik kennen elkaar sinds 1989. We werkten allebei bij de gemeente, hij bij beheer openbare ruimte en ik op de salarisadministratie. Niet bepaald dezelfde wereld, maar we rookten toen allebei buiten achter het gebouw. Van die kleine sigaren van Henk, die hij jaren geleden gelukkig heeft laten staan. Hij kon geweldig zeuren over kapotte straatverlichting en tegelijk de eerste zijn die op vrijdag een rondje gaf.
Els en Marijke leerden elkaar kennen op onze eerste gezamenlijke barbecue. Daarna ging het vanzelf. Eerst kamperen in Frankrijk met de kinderen klein, later stedentrips, elke woensdag om en om eten. Kerst vierden we meestal met z’n vieren op tweede kerstdag. Toen mijn moeder in het verpleeghuis zat, nam Els me mee om gordijnen uit te zoeken voor haar nieuwe kamer, terwijl ik daar zelf niet meer toe kwam. Toen Henk drie jaar geleden zijn knie liet vervangen, heb ik maanden zijn volkstuin bijgehouden. We zijn niet zomaar kennissen die af en toe een koffie drinken.
Misschien is dat juist waarom ik niet zag hoe snel het scheef trok.
In het begin deden we dingen die vanzelfsprekend voelden. Marijke reed Els naar het ziekenhuis als ik moest werken. Ik haalde medicijnen op bij de apotheek. We maakten een appgroepje, alleen met ons vieren, voor afspraken en praktische zaken.
Na een paar weken ging die app de hele dag door. Om half acht ’s ochtends: of ik vandaag misschien de vuilnisbak buiten kon zetten. Om elf uur: een foto van een plekje op Henks arm, met de vraag of wij vonden dat ze de huisarts moest bellen. ’s Avonds laat berichten van Henk zelf. Soms alleen: „Ben je wakker?”
Ik voelde me een rotzak als ik niet meteen reageerde. Dus reageerde ik wel. Ook als we net op de bank zaten. Ook als mijn dochter Sanne met de kleinkinderen langskwam. Ook als Marijke eindelijk eens een boek probeerde te lezen zonder op te schrikken van haar telefoon.
Els slaapt slecht. Dat begrijp ik echt. Henk is soms boos, soms bang en soms doet hij alsof er niets aan de hand is en wil hij ineens de schuur opruimen. Zij vangt alles op. Maar op een gegeven moment belde ze mij ook voor dingen die ze eigenlijk met Henk of de thuiszorg moest bespreken. „Jij kent hem toch,” zei ze dan.
Alsof ik hem beter kende dan zij. Of alsof ik daardoor verantwoordelijk werd.
De thuiszorg komt een paar keer per week, de huisarts weet ervan, en hun zoon woont in Amersfoort. Die komt ook, maar niet vaak. Hij heeft een druk gezin, zegt Els. Ik zeg daar niets van, want ik weet niet hoe het daar precies zit. Maar ik merkte wel dat wij steeds meer de gaten dichtliepen.
Twee weken geleden had Marijke een afspraak bij de cardioloog voor controle. Niets acuut, maar ze heeft vorig jaar hartritmestoornissen gehad en ziet tegen zulke afspraken op. Terwijl we in de wachtkamer zaten, belde Henk drie keer. De vierde keer nam ik op. Hij wilde dat ik langs zou komen omdat de televisie het niet deed.
Ik zei dat we in het ziekenhuis waren.
Hij zei: „O ja. Nou, laat maar.” Op die toon van iemand die zegt dat het niet uitmaakt, maar duidelijk wil dat je je schuldig voelt.
Marijke zei in de auto terug dat ze zich soms een bijzaak voelde in haar eigen leven. Ik werd boos op haar, wat ontzettend laf was. Ik zei dat Henk doodziek was en dat zij dat toch ook wel begreep. Ze keek alleen uit het raam. Thuis heb ik sorry gezegd, maar dat blijft dan toch ergens hangen.
Toen we het weekend afzegden, kwamen Henk en Els die vrijdagavond bij ons eten. Henk was mager geworden, zo snel dat ik er nog steeds van schrik. Hij had een schoon overhemd aan en deed zijn best om normaal te praten. Over voetbal, over de buurman die zijn coniferen te hoog laat worden. Een tijdje was het bijna als vroeger.
Na het eten zei Marijke dat we iets wilden afspreken voor de komende tijd. Niet als verwijt, zei ze meteen. Gewoon omdat we merkten dat we het overzicht kwijt waren.
Ze stelde voor om vaste dagen te doen. Bijvoorbeeld dinsdag en vrijdag helpen met boodschappen, ziekenhuisritten als het echt nodig was, en de rest alleen bellen als er spoed was. „Dan weten jullie ook waar je aan toe bent,” zei ze.
Els keek naar haar bord. Henk zei eerst niets. Toen vroeg hij: „Dus wij moeten nu een rooster aanvragen?”
Marijke zei dat ze dat niet zo bedoelde.
„Nee, ik snap het wel,” zei hij. „Je wil gewoon weer je eigen leven terug.”
Ik voelde meteen dat ik iets moest zeggen, maar ik wachtte te lang. Dat doe ik vaker. Ik hoop dan dat een gesprek vanzelf minder scherp wordt.
Henk ging door. Hij zei dat wij nu pas zagen hoe zwaar het was, terwijl Els al maanden iedere nacht naast iemand lag die bang was om te slapen. Hij zei dat hij dacht dat wij familie waren. Niet letterlijk natuurlijk, maar zo voelde het voor hem.
Toen zei ik, en daar ben ik nog steeds niet trots op: „Maar we zijn niet jullie zorgplan, Henk.”
Het werd heel stil. Els begon te huilen, maar zonder geluid. Henk stond op, veel te snel, en moest zich aan de tafel vasthouden. Ik wilde naar hem toe, maar hij stak zijn hand op.
„Laat maar,” zei hij. „Ga jij maar lekker naar Dwingeloo.”
Ze zijn weggegaan voordat we koffie hadden gezet. Els appte later alleen dat ze thuis waren. Sindsdien is het contact stroef. Ik ben zaterdag toch nog langs geweest om de medicijnen op te halen en Henk zei gewoon dank je wel, alsof er niets gebeurd was. Els kwam nauwelijks uit de slaapkamer.
Maandag heeft Marijke de thuiszorgorganisatie gebeld, niet om iets over te nemen, maar om te vragen welke ondersteuning Els zelf kan aanvragen en waar ze terechtkan als het haar te veel wordt. Ze vond dat moeilijk, alsof ze hen doorgaf aan een loket. Ik begrijp dat. Tegelijk konden wij dit niet blijven oplossen met ritjes, soep en onze telefoons op tafel.
Het huisje zijn we alsnog niet gegaan. Niet omdat Henk ons dat verboden heeft, maar omdat de zin weg was. Volgende maand hebben we opnieuw geboekt, dit keer in Limburg. Ik heb het nog niet aan Henk verteld. Ik weet niet of ik dat vooraf moet doen, alsof ik toestemming vraag, of pas als we weg zijn.
Vanmiddag stuurde hij een foto in de appgroep. Hij zat in zijn stoel met een deken over zijn knieën en een kop koffie in zijn hand. Daaronder stond: „Zonnetje.”
Marijke reageerde met een hartje. Ik ook. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en zijn we samen een stuk gaan lopen naar de supermarkt. We hadden melk nodig en kattenbrokken. Meer niet.