Mijn beste vriendin vond onze vakantie verraad

‘Dus jullie gaan gewoon?’ vroeg Anja. Ze stond in mijn keuken met haar jas nog aan, haar handen strak om haar tas geklemd. ‘Terwijl ik hier bijna kopje-onder ga met Kees?’

Ik had net koffie ingeschonken. Vier kopjes, uit gewoonte. Toen ik zag wat ik deed, zette ik er twee terug in de kast. Dat kleine gebaar brak iets in me. Vroeger zaten we elke donderdagavond met z’n vieren aan deze tafel. Henk maakte gehaktballen, ik deed de salade, Anja nam altijd een toetje mee dat veel te groot was voor vier mensen. Kees vertelde dezelfde flauwe mop soms drie keer, en wij lachten alsnog.

Nu keek Anja me aan alsof ik haar in de steek liet.

‘We gaan niet gewoon,’ zei ik zacht. ‘We hebben die week al vorig jaar geboekt. Het is de eerste keer in maanden dat Henk en ik even weg zouden gaan.’

‘Jullie zijn met z’n tweeën. Jullie kunnen nog alles.’ Haar stem sloeg over. ‘Ik kan niet eens rustig douchen zonder bang te zijn dat Kees de voordeur uitloopt.’

Daar kon ik niets tegenin brengen. Kees was in anderhalf jaar tijd veranderd van de man die onze wandelroutes uitstippelde en op zondag zijn fiets poetste, in iemand die soms midden in een zin stilviel. Hij wist dan niet meer wat hij wilde zeggen. De laatste tijd wist hij ook niet altijd meer welke dag het was.

Een keer trof ik hem bij de supermarkt aan, zonder jas, terwijl het miezerde. Hij hield een pak melk vast en zei: ‘Anja wacht in de auto.’ Anja had helemaal geen auto meer. Ik belde haar, bleef bij hem staan en voelde mijn hart bonzen alsof hij mijn eigen vader was.

Natuurlijk wilden we helpen.

Eerst was het eenvoudig. Henk reed Kees naar de huisarts. Ik deed boodschappen als Anja een slechte nacht had gehad. Daarna begonnen de berichten vroeger en later te komen. Of ik even langs kon, want Kees weigerde zijn medicijnen. Of Henk een kapotte lamp kon vervangen. Of we zaterdag niet mee konden naar de rommelmarkt, maar bij Kees wilden zitten zodat Anja naar de kapper kon.

Elke keer zeiden we ja.

Want hoe zeg je nee tegen je beste vriendin als ze klinkt alsof ze elk moment kan breken?

Maar langzaam verdween ons eigen leven tussen haar afspraken door. Henk zegde zijn wekelijkse kaartmiddag af omdat Anja niet alleen durfde te zijn. Ik ging niet meer naar aquajoggen, omdat Kees op dinsdagochtend vaak onrustig was en Anja dan iemand nodig had om mee te wandelen. Zelfs onze trouwdag brachten we bij hen thuis door, omdat Kees die middag in paniek was geraakt toen Anja even naar de apotheek liep.

Henk zei er weinig over. Dat is zijn manier. Hij ruimt de vaatwasser in, zet de vuilnis buiten en slikt dingen in tot het hem te veel wordt.

Op een avond zat hij met zijn bord op schoot voor de televisie. Het eten was koud geworden.

‘Ik mis jou,’ zei hij ineens.

Ik keek hem aan. ‘Ik ben toch hier?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Je bent altijd aan het wachten tot Anja belt.’

Dat deed pijn, omdat het waar was.

De week over de grens hadden we geboekt vlak voordat Kees echt achteruitging. Een klein huisje, lange wandelingen, uitslapen. Niets bijzonders misschien, maar voor ons voelde het als een reddingsboei. Henk had zelfs nieuwe wandelschoenen gekocht. Hij zette ze soms al naast de voordeur, alsof hij bang was dat de reis anders niet echt zou gebeuren.

Toen vertelde ik het aan Anja.

Ze werd eerst stil. Heel stil.

‘En wie past er dan op Kees?’ vroeg ze.

‘Er past niemand op hem alsof hij een kind is,’ zei ik, misschien wat te scherp. ‘Maar we kunnen met je kijken naar tijdelijke hulp. De huisarts had het over ondersteuning via de gemeente.’

Anja snoof. ‘Jullie weten toch hoe dat gaat? Formulieren, wachttijden, mensen die hem niet kennen. Kees vertrouwt alleen jullie.’

‘Dat is juist het probleem, Anja.’ Mijn handen trilden. ‘Wij kunnen niet de enige oplossing zijn.’

Ze keek naar de vloer. Ik zag de vermoeidheid in haar gezicht, de diepe groeven naast haar mond. Even wilde ik haar vastpakken. Maar toen zei ze: ‘Na alles wat we samen hebben meegemaakt, had ik meer van jullie verwacht.’

Henk, die tot dan toe gezwegen had, stond op.

‘Wij laten jullie niet vallen,’ zei hij. Zijn stem was laag en hard. ‘Maar Marianne is mijn vrouw. Ik ben jouw vriend, niet jullie zorgregeling. Wij gaan die week weg.’

Anja liep zonder koffie te drinken naar buiten. De deur viel niet hard dicht. Dat was misschien nog erger.

Sindsdien is het stil. Geen berichtjes over aanbiedingen bij de supermarkt, geen foto’s van Kees’ oude rozenstruik, geen donderdagavond aan tafel. Ik voel schuld, elke dag weer. Tegelijk voel ik iets anders als ik naar onze ingepakte tassen kijk: opluchting. En daar schaam ik me voor.

Ben ik een slechte vriendin omdat ik nog wil lachen, reizen en gewoon naast mijn man wakker wil worden zonder angst voor de volgende telefoon? Of is liefde soms ook durven zeggen: tot hier, anders raak ik mezelf kwijt?