Ik wil met mijn vrouw verhuizen voor haar zorg, maar zij zegt dat ik haar dan haar leven afpak

Ik heb de Funda-pagina nog openstaan op mijn tablet, al bijna drie weken. Een appartement in Amersfoort, gelijkvloers, lift, supermarkt op loopafstand. Onze dochter Marije woont er met haar gezin op twintig minuten fietsen vandaan. Het Meander is goed bereikbaar, en er zit een neuroloog die gespecialiseerd is in precies de ziekte van Ellen.

Ellen weet dat ik kijk. Ze zegt er niets over. Ze zit meestal aan de eettafel met haar benen op een krukje, een puzzelboek voor zich, en dan hoor ik alleen hoe ze de bladzijdes omslaat.

Drie jaar geleden kochten we hier ons huis in een dorpje in de Achterhoek. Iedereen vond het nogal laat om nog zo’n stap te zetten. We waren allebei net met pensioen. Ik had veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, Ellen in de thuiszorg. We wilden rust, een tuin, geen bovenburen meer en vooral geen agenda die ieder weekend vol zat met verplichtingen.

Het huis was oud, met een laag dak en een schuur die volgens de makelaar ‘veel mogelijkheden’ had. In werkelijkheid lekte die schuur en zakte de schutting aan één kant bijna om. Maar Ellen zag meteen de appelboom en het kleine terras achterin. Ze zei: “Hier kunnen we oud worden.”

Dat zinnetje zit nu de hele tijd in mijn hoofd.

We leerden Theo en Ingrid kennen doordat Theo op een zaterdag met zijn aanhanger voor onze deur stond. Hij had gezien dat ik met veel te kleine tegels een pad naar de schuur probeerde te leggen. Hij maakte er geen groot ding van. Hij zei alleen dat hij nog zand over had en vroeg of ik koffie had.

Later kwamen Henk en Lida erbij, en Karel, die alleen woont sinds zijn vrouw is overleden. Voor we het wisten hadden we een vaste vrijdagmiddag in de achtertuin van iemand, eten we bij toerbeurt stamppot in de winter en weten we wie er naar het ziekenhuis moet zonder dat daar een groepsapp voor nodig is. We hebben wel een groepsapp overigens. Hij heet De Dorpsduiven, waar niemand echt om heeft gelachen, maar hij is blijven hangen.

Toen Ellen vorig voorjaar de diagnose kreeg, was het nog vaag. Ze struikelde vaker. Haar rechterbeen deed niet altijd wat ze wilde. De huisarts stuurde haar door, er kwamen onderzoeken en uiteindelijk woorden waar we allebei eerst niets mee konden: een neurologische aandoening, chronisch, waarschijnlijk langzaam progressief. Niemand kon precies zeggen hoe snel.

Ellen heeft een tijdje gedaan alsof er nauwelijks iets veranderd was. Ze liep met een stok, maar alleen buiten. Binnen hield ze zich vast aan stoelen en het aanrecht. Als ik haar wilde helpen, werd ze kwaad. Niet echt hard, maar kort. “Ik kan zelf nog wel een glas water pakken, Bas.”

De vrienden pakten het anders aan. Theo hing een beugel op bij de achterdeur. Ingrid nam Ellen mee naar fysiotherapie als ik een afspraak had. Lida kwam soms koffie drinken en bleef dan toevallig ook een pan soep achterlaten. Ellen ging nog naar het handwerkclubje in het dorpshuis, al deed ze daar tegenwoordig meer praten dan handwerken.

Ik zag haar opbloeien van die mensen. Dat is het lastige. Ik gun het haar zo verschrikkelijk.

Maar ik zie ook wat zij niet wil zien. Onze badkamer zit boven. De traplift waar ik informatie over heb aangevraagd, vindt ze overdreven. De dichtstbijzijnde grotere supermarkt is acht kilometer verderop. De regiotaxi moet je ruim van tevoren regelen en komt soms gewoon een halfuur later. Onze zoon Daan woont in Zwolle, Marije in Amersfoort. Als er iets gebeurt, ben ik degene die er altijd is. En ik begin eerlijk gezegd moe te worden van altijd degene zijn die vooruit moet denken.

Niet omdat ik niet van haar houd. Juist daarom. Ik lig soms wakker en denk: stel dat ik mijn enkel breek, of een hartaanval krijg, of gewoon griep. Wat dan? Ellen kan niet meer zelfstandig opstaan als ze gevallen is. Eén keer heb ik haar van de badkamervloer moeten tillen. Ze was niet gewond, maar ze schaamde zich zo dat ze daarna een uur niet wilde praten.

Vorige maand hadden we met Theo en Ingrid koffie. Ik had Ellen vooraf gezegd dat ik het onderwerp wilde aansnijden. Ze knikte, maar ik zag aan haar mond dat ze het liever niet had.

Ik zei dat we mogelijk dichter bij de kinderen wilden wonen. Misschien in een appartement. Niet morgen, niet halsoverkop. Gewoon nadenken.

Theo keek eerst naar Ellen en toen naar mij. Ingrid roerde heel lang in haar koffie, hoewel er geen suiker in zat.

“We helpen graag,” zei Theo uiteindelijk. “Dat weet je. Maar jullie moeten niet gaan rekenen op ons alsof wij professionele zorg zijn. Ik zeg dat niet omdat we geen zin hebben. Ik word zelf ook geen twintig meer.”

Ellen zei: “Dat doet niemand toch?”

Niemand antwoordde meteen. Dat was misschien het ergste moment van die middag.

Ingrid pakte Ellens hand vast en zei dat ze haar nooit zou laten vallen. En ik geloof haar. Maar dat is iets anders dan elke ochtend kunnen komen als Ellen niet uit bed kan, of midden in de nacht beschikbaar zijn. Ik denk dat Ellen die twee dingen door elkaar haalt, omdat ze bang is.

Thuis ontplofte het alsnog. Niet met geschreeuw, eerder met zinnen die veel harder aankwamen omdat ze zacht werden gezegd.

“Je hebt ze voor het blok gezet,” zei Ellen.

Ik zei dat ik alleen eerlijk wilde zijn.

“Nee. Jij wilde bewijs dat ik hier niet kan blijven.”

Daar had ik geen antwoord op, omdat er misschien iets van waar was. Ik wil helemaal niet bewijzen dat zij ongelijk heeft. Ik wil dat er iets verandert voordat wij allebei vastlopen. Maar ik ben ook bang dat ik al besloten heb en haar daarna pas probeer mee te krijgen.

Ellen zegt dat Amersfoort voor haar geen toekomst is maar een wachtkamer. Een appartement waar ze niemand kent, waar de kinderen druk zijn met werk en de kleinkinderen, en waar ik dan boodschappen doe terwijl zij achter een raam zit te wachten op bezoek. Ze zegt dat ze hier niet alleen ‘hulp’ heeft, maar een plek. Ze kent de kassière, de vrouw van de bibliotheek, de mensen die langs fietsen en even zwaaien. In de stad zouden wij volgens haar alleen dichter bij noodnummers wonen.

Ik snap dat. Echt. Als ik haar met Ingrid hoor lachen in de keuken, denk ik soms: waar haal ik het recht vandaan om dit af te pakken?

Tegelijkertijd heeft Marije gisteren gebeld. Ze probeerde neutraal te klinken, maar ik hoorde de paniek erdoorheen. Ze vroeg of wij tenminste eens naar dat appartement wilden kijken. Ik heb gezegd dat ik het met haar moeder zou bespreken.

Vanavond eet Karel bij ons. Hij brengt nasi mee van de Chinees in het volgende dorp, omdat hij vindt dat ik te veel kook alsof we in een zorginstelling wonen. Ellen heeft haar beste trui aangetrokken, die groene. Ik weet al dat ze straks met hem over de moestuin zal praten en dat ik dan weer een uur lang zal doen alsof alles gewoon is.

De tablet ligt inmiddels omgedraaid op het aanrecht. Ik heb de pagina niet weggeklikt. Dat voelt laf, maar hem open laten voelt ook laf.

Ik weet alleen niet meer of ik haar bescherm door te blijven, of haar in de steek laat door niet harder te duwen.