Na veertig jaar vriendschap bleek een gratis advies zwaarder te wegen dan ik ooit had gedacht

Ik merkte het aan de appgroep, nog voordat iemand echt iets had gezegd.

Onze groep heet al jaren ‘De Vier Seizoenen’, een naam die Marjan ooit half voor de grap had bedacht omdat we met z’n vieren altijd weg gingen: een weekendje naar Drenthe, fietsen op Texel, in november een huisje ergens waar het regent en je toch naar buiten moet. Vroeger kwamen er elke dag berichten in. Foto’s van kleinkinderen, een aanbieding bij de Lidl, gemopper over de politiek, Kees die een foto stuurde van een verkeerd geparkeerde auto met drie boze gezichtjes erbij.

Nu stonden er alleen nog praktische dingen.

‘Dinsdag om 10.00 uur afspraak tandarts.’

Dat was Henk, per ongeluk in de verkeerde app.

Daarna niets.

Henk en ik zijn 67 en 65. We wonen in een twee-onder-een-kap in de buurt van Zutphen, niet groot, wel fijn. Kees en Marjan wonen twintig minuten verderop. We kennen elkaar sinds 1983, toen Henk en Kees samen op de technische dienst van de gemeente begonnen. Later ging Kees de vastgoedkant op. Hij bleek er goed in, misschien wel te goed. Hij werkte zich op, werd projectontwikkelaar, zat altijd in vergaderingen en had op een gegeven moment een Volvo waar Henk flauwe grappen over maakte.

Maar het bleef altijd Kees. De man die onze oudste zoon op de luchthaven ophaalde toen Henk met een hernia op de bank lag. Die met een aanhanger kwam toen wij na het overlijden van mijn moeder haar appartement moesten leeghalen. Marjan sliep drie nachten bij mij toen ik na mijn borstoperatie niet alleen durfde te zijn. Andersom hebben wij ook veel gedaan. Niet omdat we een boekhouding bijhielden. Juist niet.

Henk is vorig jaar met pensioen gegaan. Hij had er eerst vreselijk naar uitgekeken en was na drie weken al onrustig. Hij liep de hele dag met een meetlint door de schuur, maakte lijstjes, kocht hout dat vervolgens maanden tegen de schutting bleef staan.

Toen kwam dat stuk grond voorbij, net buiten het dorp. Iets meer dan een halve hectare, vroeger maisland, met een gammel schuurtje erop. De verkoper wilde er vanaf omdat zijn kinderen er niets mee konden. Henk gebruikte een deel van zijn ontslagvergoeding en wij hebben er samen lang over gepraat. Het was niet goedkoop, maar ook niet onverantwoord. Hij wilde er een biologische moestuin van maken, met kleine workshops: composteren, fermenteren, misschien in het oude schuurtje een atelier waar mensen op zaterdag kruidenkransen of eenvoudige dingen van wilgentenen konden maken.

Ik vond het in het begin nogal veel. Henk kan enthousiast worden alsof hij weer dertig is. Maar ik zag ook hoe levendig hij ervan werd. Hij stond ’s ochtends vroeg met zijn koffie bij het raam naar plattegronden te kijken. Dus ik ben meegegaan.

Het probleem was dat er van alles geregeld moest worden. Bestemming, vergunningen, parkeren als er cursisten kwamen, de staat van dat schuurtje. Henk zei meteen: ‘Dat is nou precies iets voor Kees. Die weet hoe dat werkt.’

Ik zei nog: ‘Je kunt hem best vragen, maar ga er niet vanuit dat hij het doet.’

Henk keek me aan alsof ik iets heel afstandelijks zei. ‘Kees helpt toch wel even? Ik vraag hem niet om een winkelcentrum te bouwen.’

Ze hebben erover gebeld. Ik zat in de keuken en hoorde Henk eerst opgewekt praten. Daarna werd hij stiller. Niet boos, eerder strak. Toen hij ophing, zette hij zijn telefoon net iets te hard op tafel.

Kees had gezegd dat hij best een keer mee wilde kijken naar het plan, als vriend. Maar geen ontwerp, geen contact met de gemeente namens Henk, geen uitzoekwerk over procedures. Hij was net gestopt en wilde niet opnieuw verantwoordelijk worden voor projecten, ook niet kleinschalig en ook niet voor mensen van wie hij hield.

‘Hij doet alsof ik hem vraag zijn hele pensioen op te offeren,’ zei Henk.

‘Misschien heeft hij juist daarom nee gezegd,’ antwoordde ik.

Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Henk vond dat ik Kees verdedigde. Ik vond dat Henk van een vriend iets vanzelfsprekends maakte wat voor die vriend blijkbaar werk was. We hebben die avond allebei weinig gezegd. Hij zat voetbal te kijken zonder echt te kijken. Ik heb een pan soep gemaakt en hem later in bakjes ingevroren, wat ik altijd doe als ik niet weet hoe ik een gesprek moet afmaken.

Het werd erger toen Kees een paar weken later vertelde dat hij gevraagd was als adviseur bij een plan voor recreatiewoningen aan de rand van dezelfde gemeente. Niet naast Henks grond, maar wel dichtbij genoeg dat Henk het opvatte als een boodschap.

‘Voor een commerciële club heeft hij ineens alle tijd,’ zei hij.

Kees was daar open over geweest. Hij zou er betaald voor worden, drie dagen per week, voor een beperkte periode. Volgens Marjan had hij lang getwijfeld, maar het ging om een oud contact en om een afgebakende opdracht. Juist geen eindeloze bemoeienis, zei ze.

Henk hoorde alleen: voor jou niet, voor geld wel.

We zijn daarna een keer met z’n vieren gaan eten, omdat Marjan vond dat appen het alleen maar erger maakte. Bij De Beren in Deventer, een plek waar we vroeger ook wel kwamen na het winkelen. Het was pijnlijk gewoon. Kees bestelde saté. Marjan vroeg of ik mijn nieuwe jas bij Van Uffelen had gekocht. Henk vertelde uitvoerig dat de grond te nat was geweest om te frezen.

Pas bij de koffie zei Kees: ‘Ik heb het gevoel dat je mij iets kwalijk neemt, Hen.’

Henk legde zijn lepeltje neer. ‘Ik vind het vooral jammer dat ik blijkbaar alleen je vriend ben zolang ik niks vraag waar jij goed in bent.’

Kees werd rood, niet boos maar gekwetst. ‘Dat is niet eerlijk. Ik heb veertig jaar van mijn werk mijn identiteit gemaakt. Ik probeer nu eindelijk uit dat patroon te stappen. Bij jou zou ik niet gewoon een uurtje advies geven. Ik ken jou. Dan zit ik er straks middenin en kan ik geen nee meer zeggen.’

‘Dus je vertrouwt mij niet?’

‘Nee, ik vertrouw mezelf niet om op tijd te stoppen.’

Dat maakte Henk even stil. Mij ook, eerlijk gezegd. Want daar zat iets in. Kees is iemand die, als hij ergens aan begint, meteen drie mappen aanlegt en ’s nachts nog een mail stuurt. Dat was vroeger handig. Misschien was het ook de reden dat Marjan vaak alleen met ons mee op pad ging als Kees weer ergens vastzat.

Toch liep het niet goed af die avond. Henk zei dat vriendschap tegenwoordig blijkbaar een uurtarief had. Kees zei dat Henk zijn droom bij hem neerlegde alsof die een verplichting was. Marjan begon te huilen, heel stil, terwijl ze normaal degene is die iedereen weer laat lachen. Ik heb afgerekend omdat niemand meer iets deed.

De maanden daarna heeft Henk een landschapsontwerper ingehuurd. Dat kostte meer dan hij had verwacht. Hij mopperde daar vaak over, maar het plan is wel mooi geworden. Er staan nu verhoogde bakken, een eenvoudige kas en een nieuw houten atelier dat verrassend gezellig is. Hij geeft nog geen workshops; de vergunning voor de grotere groepen loopt nog. Soms helpt onze zoon op zaterdag met palen slaan.

Kees werkt inmiddels aan dat recreatieproject. Henk rijdt er af en toe langs en zegt dan dat het ‘een vakantiepark voor mensen die doen alsof ze van rust houden’ wordt. Ik laat hem maar. Het is kinderachtig, maar ook verdrietig.

Vorige week stuurde Marjan een foto in de appgroep. Hun kleindochter op haar eerste fietsje. Henk reageerde pas uren later met een duimpje. Ik schreef dat ze prachtig was.

Vanmorgen vroeg Henk of ik mee wilde naar de grond. Er moesten nog tuinbonen in. Terwijl hij zijn laarzen aantrok, zei hij: ‘Misschien moeten we Kees en Marjan gewoon eens uitnodigen als alles een beetje staat.’

Ik vroeg: ‘Om het uit te praten?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Nee. Gewoon voor koffie. We zien dan wel.’

Ik heb geen idee of ze komen als we ze vragen. Maar ik heb alvast vier oude tuinstoelen in de schuur schoongemaakt. Twee daarvan wiebelen nog steeds een beetje.