Mijn beste vriend wil naar Spanje verhuizen, en ik blijf hier voor mijn zus en ons dorp
Vorige donderdag lag er een ansichtkaart van Henk op mijn deurmat, terwijl hij nog gewoon in Nederland is. Een foto van een wit dorpje aan een berg, met van die blauwe luiken waar je meteen aan vakantie denkt. Achterop had hij geschreven: “Hier zou jij ook kunnen lopen, Geert. Geen gezeur, alleen zon.”
Ik heb die kaart op de keukentafel gelegd, naast mijn pillendoosje en de folder van de fysiotherapeut van mijn zus. Daar heeft hij drie dagen gelegen. Niet omdat ik niet wist wat ik ervan vond, maar juist omdat ik het te goed wist.
Henk en ik kennen elkaar vanaf ons tweeëntwintigste. We werkten toen allebei bij de technische dienst van de melkfabriek in de buurt. Die is al jaren dicht, natuurlijk. Henk was degene die overal een praatje maakte en altijd net iets te hard lachte. Ik was meer van: eerst kijken of het echt kapot is, dan pas gereedschap pakken. Toch waren we vanaf het begin een setje, zoals mensen dat zeiden. Niet op een vervelende manier. Gewoon: als Henk ergens was, kwam Geert meestal ook wel.
Veertig jaar lang klaverjassen op woensdag bij De Brug. Met onze vrouwen, toen die er nog allebei waren. Vakanties naar de Ardennen, later een keer naar de Eifel. Toen mijn vrouw Marjan ziek werd, stond Henk ineens elke dinsdagavond aan de deur met een pannetje eten waar veel te veel nootmuskaat in zat. Toen zijn vrouw Els overleed, heb ik drie maanden lang iedere zondag bij hem koffiegedronken, ook als hij niets zei en alleen naar de tuin keek.
We hebben het vaak over pensioen gehad. Alsof het iets was dat je bij de balie kon ophalen zodra je 67 werd. Henk wordt in januari 64 en mag nog een paar jaar. Ik ben een jaar jonger, maar ik bouw al wat uren af bij de gemeente, groenvoorziening. Wij hadden dan van die gesprekken na het kaarten. “Als we straks tijd hebben, gaan we eindelijk wandelen.” Of: “Dan leren we Spaans, al is het maar om bier te bestellen.”
Dat klonk altijd leuk. Het soort plannen dat je maakt omdat niemand je erop vastpint.
Maar Henk heeft het blijkbaar wel als een afspraak onthouden.
Hij was afgelopen zomer drie weken in Andalusië geweest met een georganiseerde wandelreis. Daarna begon hij er steeds vaker over. Niet alleen over het weer, maar over een seniorencomplex, zoals hij het noemde. Geen verzorgingshuis, benadrukte hij dan snel, maar appartementen met een gezamenlijke tuin, een zwembad en activiteiten. Er wonen Nederlanders, Belgen, Duitsers, van alles. Je kunt er wandelgroepen doen, Spaanse les, koken. Hij had via een kennis van een kennis een huurappartement gezien in de buurt van Málaga.
Ik zei eerst nog: “Mooi man, doen.”
Dat was mijn fout misschien. Ik dacht dat hij het had over overwinteren. Twee, drie maanden. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Mijn huis is afbetaald, ik heb geen grote wensen. Maar in oktober zat hij bij mij aan de keukentafel en schoof hij zijn telefoon naar me toe. Foto’s van twee appartementen. Eén voor hem en, als ik wilde, één in hetzelfde gebouw voor mij.
“Wij kunnen daar gewoon opnieuw beginnen,” zei hij. “Niet tot we oud en krakkemikkig zijn wachten. Nu nog.”
Ik wist niet meteen wat ik moest zeggen. Ik keek naar die foto’s en dacht eerlijk gezegd: het zag er best aantrekkelijk uit. Zon op een terras. Bergen op de achtergrond. Geen grijze februaridagen waarin je om vier uur al de lampen aandoet.
Maar mijn zus Ria woont tien minuten fietsen van mij vandaan. Ze is 68, heeft COPD en loopt sinds haar heupoperatie met een rollator. Ze redt zich grotendeels prima. Dat zeg ik er maar bij, want ik ben niet haar enige redding. Ze heeft thuiszorg voor het douchen en mijn nichtje doet de boodschappen als ze kan. Maar ik breng haar naar het ziekenhuis als dat nodig is, hang een lamp op, kijk naar haar verwarming als die weer rare geluiden maakt. En vooral: ik ben haar broer. Onze ouders zijn er niet meer. Haar man ook niet.
Daarnaast draai ik al vijftien jaar mee bij de voetbalclub. Geen grote functie hoor. Ik doe op zaterdag de kleedkamers open, soms bardienst, en ik regel de vrijwilligerslijst als niemand anders tijd heeft. Het is soms gedoe. Mensen zeggen af, de koelkast lekt, een jeugdtrainer vergeet de sleutels. Maar het is ook mijn week. Ik ken die vaders langs de lijn, die jongens die eerst irritant waren en nu zelf trainer zijn.
Toen ik dat uitlegde, zei Henk: “Maar je kunt toch niet je hele leven klein houden omdat iedereen altijd iets van je nodig heeft?”
Dat kwam harder aan dan hij volgens mij doorhad.
Ik zei dat het niet ging om klein houden. Hij begon over dat ik vastgeroest zat. Letterlijk dat woord. Alsof mijn huis, mijn zus en een kantine op zaterdag een soort kettingen waren die ik niet durfde los te maken.
Ik werd kwaad. Niet eens netjes kwaad. Ik zei dat hij makkelijk praten had, met zijn huis verkocht of verhuurd in zijn hoofd, zijn kinderen die in Utrecht en Groningen wonen en toch hooguit met kerst langskomen. Dat hij sinds Els dood is vooral op de vlucht is voor een leeg huis.
Dat had ik niet moeten zeggen. Of misschien was het waar, maar dat maakt het niet minder gemeen.
Hij werd heel stil. Henk is bijna nooit stil. Uiteindelijk zei hij: “Dus ik mag niet weg omdat jij vindt dat ik verdrietig genoeg moet blijven?”
Daar had ik geen antwoord op.
Sindsdien kaarten we nog wel, maar het is anders. We zitten nog steeds tegenover elkaar aan dezelfde tafel bij De Brug. Henk bestelt pils, ik neem meestal 0.0 omdat ik nog moet rijden. Alleen praten we over troef en punten. Over het weer soms. Niet over Spanje. Niet over Ria. Alsof we allebei bang zijn dat één verkeerde zin alles definitief kapotmaakt.
Vorige week belde Ria me. Ze had de ansichtkaart blijkbaar gezien toen ze koffie kwam drinken. Ze vroeg waarom ik er zo moeilijk bij keek. Ik vertelde haar meer dan ik van plan was.
Ze zei: “Geert, ik wil niet dat jij hier blijft omdat je denkt dat je mij moet bewaken.”
Dat deed pijn, omdat ze gelijk had dat ik soms doe alsof niemand iets zonder mij kan. Maar ze zei ook: “Alleen, jij bent geen man voor daar. Jij moet niet doen alsof je Henk bent om hem als vriend te houden.”
Ik weet nog steeds niet of dat waar is. Misschien zou ik daar na een maand juist opknappen. Misschien zou Henk daar na een halfjaar heimwee krijgen naar zijn vaste tafel in het café en de regen tegen de ramen. Hij doet nu alsof alles geregeld is, maar hij heeft nog niets getekend. Hij praat vooral heel groot als hij bang is, dat weet ik na veertig jaar ook wel.
Vanmiddag heb ik hem een bericht gestuurd. Niet over die ansichtkaart. Alleen: “Ga je woensdag mee kaarten? Ik haal je op.”
Hij antwoordde na een paar minuten: “Ja. Maar ik wil het wel nog een keer over Spanje hebben.”
Ik heb teruggeschreven: “Is goed. Maar niet tijdens het spelen, want dan verlies je weer.”
Dat was flauw, maar hij stuurde een lachende emoji terug. Meer niet.
De kaart ligt nog steeds op mijn keukentafel. Morgen ga ik Ria helpen met haar nieuwe douchekruk. Zaterdag moet ik om half acht bij de club zijn omdat de jeugd een toernooi heeft. En woensdag zit ik tegenover Henk, zoals altijd.
Alleen weet ik niet meer of ‘zoals altijd’ nog genoeg is voor ons allebei.