Mijn man wil niet meer mee met onze vriendengroep, maar ik kan niet zomaar dertig jaar gezelligheid opgeven
Ik wist dat er iets was veranderd toen Henk op een zaterdagmiddag de wijn in de gootsteen leeggoot. Niet een half glas dat zuur was geworden, maar drie ongeopende flessen die we nog van kerst hadden staan.
Hij deed het zonder veel theater. Dop eraf, leeg laten lopen, flessen in de glasbak. Ik stond intussen bloemkool te snijden en vroeg nog of er soms iets mis mee was.
“Nee,” zei hij. “Ik wil gewoon niet meer doen alsof dit normaal is.”
Henk en ik zijn allebei 62. Hij werkte tot vorig jaar als teamleider bij een installatiebedrijf en ik werk nog drie dagen per week bij de bibliotheek in Alkmaar. We zijn niet rijk, maar we hebben het goed. Hypotheek bijna af, een kleine caravan op een stalling in Heerhugowaard, twee dochters die op zichzelf wonen. Ons leven was, denk ik, behoorlijk overzichtelijk.
En onze vrienden hoorden daar altijd bij.
Sinds begin jaren negentig hebben we een vaste groep van vier stellen. Eerst via de buurt, toen via de basisschool van de kinderen. Elke donderdagavond kaarten we bij iemand thuis. Niet eens fanatiek, meer met hapjes die steeds uitgebreider zijn geworden en een beetje mopperen over knieën, energieprijzen en volwassen kinderen die nooit terugbellen. Twee keer per jaar gaan we een weekend weg. Eens in de zoveel tijd eten we in een restaurant waar je kleine bordjes krijgt en achteraf denkt dat je thuis nog een boterham moet nemen.
Ik weet heus wel hoe dat klinkt. Alsof we alleen maar consumeren omdat we niet beter weten. Maar voor mij is het niet alleen dat. Bij Marjan kan ik huilen zonder dat ze meteen met een oplossing komt. Peter heeft Henk geholpen toen zijn broer overleed. Ria weet nog dat onze jongste, Sofie, als peuter in de supermarkt op de grond ging liggen omdat ze geen roze koek kreeg. Dat soort mensen zijn het.
Henk is sinds een maand of acht bezig met een andere manier van leven. Het begon met een documentaire over kledingafval, geloof ik. Daarna las hij van alles over vleesindustrie, vliegreizen, grondstoffen, ongelijkheid. Hij stopte met vlees, kocht tweedehands kleren en zei ons abonnement op de sportschool op omdat hij buiten kon fietsen. Daar had ik eigenlijk geen moeite mee. Hij is fitter geworden. Rustiger ook, op sommige momenten.
Maar het werd steeds strenger. Geen cadeaus meer die niet echt nodig zijn. Geen terrassen “waar je vijftien euro betaalt voor iets dat je thuis ook kunt zetten”. Geen verre vakanties, ook niet met de caravan als het meer dan een paar uur rijden is. Hij wilde onze tweede auto wegdoen. Dat laatste is niet gebeurd, vooral omdat ik anders niet naar mijn werk kan als hij hem nodig heeft.
Toen zei hij dat hij niet meer mee wilde naar het jaarlijkse etentje van onze groep. Dit jaar hadden we gereserveerd bij een restaurant in Bergen. Acht gangen, wijnarrangement erbij, omdat Kees zeventig werd.
“Ik ga daar niet zitten doen alsof het normaal is om honderden euro’s op te eten,” zei Henk.
Ik zei dat niemand hem dwong om het wijnarrangement te nemen. Hij kon ook vegetarisch bestellen. Daar ging het hem volgens hem niet om. Het hele idee stond hem tegen.
“Dan ga je toch niet,” zei ik, misschien harder dan nodig. “Maar ik ga wel.”
Hij keek me aan alsof ik iets heel vreemds zei.
“Dus jij vindt het prima dat ik alleen thuis zit terwijl jij met z’n allen die onzin gaat vieren?”
Dat woord, onzin, bleef hangen. Alsof alles waar we al jaren plezier aan beleven ineens iets was waar je je voor moest schamen.
Ik ben toch gegaan. Niet met een heerlijk gevoel, dat moet ik eerlijk zeggen. Henk zei die avond nauwelijks iets tegen me. Hij had linzensoep gemaakt en een bakje voor mij in de koelkast gezet, alsof ik een kind was dat laat thuiskwam. Bij het restaurant vroeg Marjan meteen waar hij was. Ik zei dat hij geen zin had in zo’n uitgebreid diner.
Niemand lachte me uit of zei iets onaardigs. Dat maakt het misschien juist lastiger. Kees knikte en zei: “Hij is de laatste tijd wel erg principieel, hè?” Ria zei dat ze hem tijdens het kaarten ook anders vond. Als er bitterballen op tafel kwamen, keek hij ernaar alsof iemand een asbak had neergezet. Peter vertelde dat Henk bij de laatste barbecue had gevraagd hoeveel wegwerpplastic ze eigenlijk nodig vonden.
“Hij bedoelt het vast goed,” zei Marjan. “Maar je moet ook een beetje kunnen leven.”
Ik heb toen gezegd dat Henk niet moeilijk wil doen, maar anders wil leven. Dat klonk slap, zelfs in mijn eigen oren. Want hij doet wel moeilijk. Niet expres, denk ik. Hij kan ergens helemaal in opgaan. Vroeger was dat met wielrennen, later met zijn werk. Nu is het dit. Als hij eenmaal denkt dat iets niet klopt, kan hij niet meer gezellig doen alsof het hem niets uitmaakt.
Maar onze vrienden zijn ook niet alleen maar oppervlakkig. Kees zorgt al twee jaar voor zijn vrouw, die MS heeft. Marjan past elke woensdag op haar kleinkind. Peter heeft net zijn baan verloren en doet alsof het hem niet raakt, maar ik zie het wel. Zij zijn geen karikaturen van mensen die te veel wijn drinken.
Na dat diner was Henk boos dat ik pas na half twaalf thuis was. Niet schreeuwen, geen deuren slaan. Dat past niet bij hem. Hij zat aan de keukentafel met een kop muntthee en zei dat hij zich door mij alleen gelaten voelde.
Toen werd ik ook boos. Ik zei dat híj degene was die ineens uit alles stapte. Dat ik niet opnieuw vriendinnen ga zoeken op mijn tweeënzestigste omdat hij nu vindt dat onze vrienden verkeerd leven. Hij zei dat ik het verdraaide. Hij wilde niet dat ik niemand meer zag, hij wilde alleen dat ik niet bleef meedoen aan dingen waar ik zelf misschien ook twijfels bij had.
Daar zat wel iets in, en dat vond ik irritant. Want ja, ik vind sommige uitjes overdreven. Ik hoef niet ieder jaar een weekend naar een wellnesshotel. Ik heb ook geen twaalf nieuwe truitjes per seizoen nodig. Maar ik wil niet dat elke avond buiten de deur een morele rekensom wordt.
Vorige donderdag ben ik alleen gaan kaarten. Ik had daar de hele dag buikpijn van. Henk zei bij het weggaan: “Je hoeft niet te doen alsof je van mij toestemming nodig hebt.” Dat was natuurlijk precies wat hij bedoelde: je mag gaan, maar ik moet wel weten dat je kiest voor iets waar ik niet achter sta.
Bij Ria thuis was het eerst wat ongemakkelijk. Ze hadden borrelnootjes, blokjes kaas en gewoon bier. Niemand zei iets over Henk totdat Peter vroeg of hij nog steeds “in zijn soberheidsfase” zat. Ik zei: “Noem het maar geen fase.” Daar werd het stil van.
Later stuurde Marjan me een berichtje: dat ze me niet kwijt wil, maar dat ze geen zin heeft in avonden waarop iedereen op zijn woorden moet letten. Ik snap dat. Tegelijk voelde het alsof ik moest kiezen wie er lastig mocht zijn: Henk met zijn overtuigingen, of mijn vrienden met hun behoefte aan een ontspannen avond.
We hebben nu afgesproken dat ik volgende maand mee ga naar het weekend in Limburg. Alleen. Henk blijft thuis en gaat met zijn broer twee dagen wandelen op de Veluwe. Hij zei dat het prima was, maar hij keek niet op toen hij het zei.
Mijn weekendtas staat nog leeg op de logeerkamer. Soms denk ik: misschien ga ik niet. Soms denk ik dat ik juist moet gaan, omdat ik anders langzaam een leven laat verdwijnen waar ik zelf nog middenin sta.
Vanavond is het donderdag. Henk kookt waarschijnlijk iets met kikkererwten. Om acht uur begint het kaarten bij Peter en Ria. Ik heb nog niet gezegd waar ik heen ga.