Ik wilde mijn vrouw veilig houden, maar zij zag in mijn zoektocht naar een appartement vooral verraad

De laatste tijd laat Marijke het licht op de overloop vaak branden. Niet omdat ze bang is in het donker, zegt ze, maar omdat ze ’s nachts vaker naar de wc moet en dan niet eerst naar een knopje wil zoeken.

Ik zie dat licht als ik beneden zit en de vaatwasser nog staat te brommen. Dan denk ik niet aan gezelligheid of aan ons huis. Ik denk aan haar voet die net naast een trede komt. Aan die smalle draai in de trap, waar we vroeger nooit bij stilstonden. Aan hoe snel het kan gaan, bij mensen van onze leeftijd.

We wonen in een vrijstaand huis net buiten Deventer. We hebben het in 1987 gekocht, toen het eigenlijk te groot en te duur was. Mijn vader verklaarde ons voor gek. Nu is het allang afbetaald en zijn de kinderen hier opgegroeid. Bas had zijn kamer aan de voorkant, Lotte zat op zolder en luisterde eindeloos naar dezelfde cd’s. In de achtertuin staat nog de oude perenboom die Marijke per se wilde behouden toen we de schuur lieten vervangen.

Marijke kent elke plant bij naam. Niet op zo’n deftige manier, maar echt. Ze weet welke roos het altijd slecht doet na een natte winter en waar de merels in april beginnen te rommelen. Tot twee jaar geleden stond ze soms al om half acht met haar knieën in de aarde. Nu heeft ze artrose in haar heupen en sinds haar val in de supermarkt loopt ze onzeker. Met een stok buiten, zonder stok binnen, want binnen vindt ze zichzelf nog geen ‘oud mens’.

Die val was niet eens ernstig. Een gekneusde pols, blauwe plek op haar wang. Maar ik heb haar van de grond moeten rapen. Ze was vooral kwaad. Niet verdrietig of bang, kwaad. Op zichzelf, op het mandje dat scheef aan haar arm hing, op die jongen van de kassa die heel vriendelijk vroeg of hij een ambulance moest bellen.

Sindsdien kijk ik anders naar alles. Naar het bad waar je overheen moet stappen. Naar de drempel bij de achterdeur. Naar de trap. Zelfs naar de tuin, waar de tegels na regen spekglad kunnen worden.

Onze kinderen zeggen dat ik er te veel mee bezig ben. Dat kan best. Bas belt soms op zondagavond en vraagt dan: ‘Mam loopt toch niet weer zelf met die zware gieter te slepen?’ Alsof ik daar de hele dag naast sta. Lotte stuurde een keer een link naar een alarmknop voor om je nek. Marijke reageerde met een duimpje omhoog, maar later zei ze tegen mij: ‘Alsof ik al in een verpleegtehuis zit.’

Het onderwerp verhuizen begon klein. Ik zei een keer bij de koffie dat er in de krant een nieuw appartementencomplex in Deventer stond. Gelijkvloers, lift, balkon, winkels beneden en de huisartspraktijk om de hoek. Onze kleindochter woont daar met haar moeder ook maar tien minuten vandaan.

Marijke keek niet eens op van haar puzzel.

‘Leuk voor andere mensen,’ zei ze.

Ik liet het een paar weken rusten. Daarna kwam het weer terug, meestal omdat er iets gebeurde. Zij die met een volle wasmand bovenaan de trap stond. Ik die haar in de badkamer hoorde vloeken omdat ze niet goed uit bad kwam. Een keer lag ze in de tuin op haar knieën en kon ze niet meer overeind. Niet gevallen, zei ze meteen, alleen door haar knieën gezakt. Ik heb haar toen onder haar oksels omhooggetrokken. We stonden allebei te hijgen tussen de lavendel.

Die avond zei ik: ‘Misschien moeten we gewoon eens gaan kijken. Niet beslissen. Alleen kijken.’

Ze werd heel stil. Dat is bij Marijke meestal erger dan wanneer ze hard praat.

‘Jij wilt weg,’ zei ze uiteindelijk.

‘Ik wil dat jij niet een keer onderaan die trap ligt voordat we iets doen.’

‘Dus ik mag hier alleen blijven wonen zolang mijn lichaam jou niet tot last is.’

Dat was niet wat ik bedoelde, maar op dat moment klonk alles wat ik daarna zei als verdediging. Ik zei dat het niet om last ging. Dat ik ook ouder word. Dat ik geen zin heb om elk jaar weer iets aan dit huis te moeten doen. Het schilderwerk, de dakgoot, de heg. Allemaal waar, maar ik voelde zelf ook dat ik met praktische dingen kwam omdat ik niet durfde te zeggen hoe bang ik ben.

Daarna hebben we er weken niet over gesproken.

Ik ben toen, en daar schaam ik me nog steeds voor, op een dinsdagmiddag alleen naar twee appartementen gaan kijken. Ik had tegen Marijke gezegd dat ik naar de bouwmarkt ging voor kit. In plaats daarvan reed ik naar de stad. Het ene appartement voelde inderdaad steriel. Grijze vloer, open keuken, uitzicht op een parkeerplaats. Bij het andere was een brede galerij met plantenbakken van bewoners en een woonkamer met licht van twee kanten. Ik kon ons er bijna zien zitten. Niet gelukkig misschien, maar veilig. Dichtbij de kinderen. Zonder trappen.

De makelaar gaf me een brochure mee. Die heb ik niet goed genoeg verstopt. Hij lag onder een stapel oude folders in mijn bureau.

Marijke vond hem toen ze op zoek was naar de garantiebewijzen van de cv-ketel. Ze kwam de keuken in met die brochure in haar hand. Ik wist meteen wat er was.

‘Ben je wezen kijken?’ vroeg ze.

Ik zei ja.

Ze knikte een paar keer, heel langzaam. ‘Alleen?’

Daar had ik geen goed antwoord op. Ik zei dat ik haar niet wilde opjagen. Dat maakte het natuurlijk alleen maar erger.

‘Je hebt dus al besloten dat ik hier weg moet,’ zei ze.

‘Nee, Marijke. Ik probeer vooruit te denken.’

‘Vooruitdenken doe je samen.’

Ze is daarna naar boven gegaan. Normaal zou ik haar hebben nageroepen dat ze niet zo snel moest lopen, wat haar vermoedelijk nog bozer had gemaakt. Nu bleef ik beneden staan met mijn handen op het aanrecht. Ik hoorde de trap kraken. Iedere trede apart.

Bas en Lotte vinden nog steeds dat we moeten verhuizen. Ze bedoelen het goed. Lotte zei vorige maand aan de telefoon: ‘Pap, straks gebeurt er echt iets en dan zeggen jullie allebei dat jullie het niet zagen aankomen.’ Daar kon ik niets tegenin brengen.

Maar ik zie ook wat zij niet iedere dag zien. Marijke die met haar vingers langs de rand van de eettafel gaat als ze erlangs loopt. De foto’s in de gang, de afdruk van een oude kapstok die nog net zichtbaar is op de muur. Ze zegt dat het huis haar niet gezonder maakt, maar wel zichzelf. Eerst vond ik dat overdreven. Nu weet ik niet meer of dat zo is.

We hebben inmiddels een ergotherapeut over de vloer gehad, op aanraden van de huisarts. Die keek nuchter naar het bad, de trap en de drempels. Ze zei niet dat we móésten verhuizen. Wel dat we het huis veiliger kunnen maken: een tweede leuning, een traplift als het nodig wordt, beugels in de badkamer, minder losse kleedjes. Marijke luisterde aandachtig. Meer dan naar mij, eerlijk gezegd.

We hebben de kleedjes weggehaald. Over een traplift wordt nog niet gesproken. De brochure van het appartement ligt niet meer in mijn bureau; Marijke heeft hem zelf in een la gelegd bij de administratie. Niet weggegooid.

Soms denk ik dat dat hoopvol is. Soms denk ik dat ze hem daar heeft gelegd zodat ze er niet elke dag tegenaan hoeft te kijken.

Vanmorgen wilde ze naar buiten om de uitgebloeide hortensia’s te knippen. Ik zei dat de tegels nat waren en bood aan het te doen. Ze gaf me de snoeischaar en zei: ‘Niet alles veel te kort, hè.’

Ik stond daar in mijn jas, met haar aanwijzingen vanuit de deuropening. Na tien minuten zei ze dat ik de rest maar moest laten, omdat het begon te miezeren.

Toen ik terugkwam, was het licht op de overloop nog aan.