Na veertig jaar vriendschap vertrok Pieter naar een commune, en ik wist niet dat ik daar zo boos om kon worden

De campingstoelen stonden al in de garage toen Pieter zei dat hij er waarschijnlijk niet meer mee op vakantie zou gaan.

Het was eind november, een gure zondag waarop je eigenlijk nergens zin in hebt. Henk was boven een lamp aan het vervangen en ik stond met een oude theedoek de plastic stoelen af te nemen, omdat Marjan en Pieter altijd met ons meegingen naar Frankrijk. Al veertig jaar ongeveer. Eerst met een kleine tent, later met caravans, de laatste jaren in een huisje omdat onze knieën daar allemaal blijer van werden.

Pieter kwam binnen met twee dozen. Hij wilde zijn kampeerspullen op Marktplaats zetten. Niet omdat hij een andere caravan wilde kopen of omdat hij ziek was. Hij wilde zijn meeste spullen wegdoen.

Ik dacht eerst dat het zo’n opruimwoede was na zijn pensioen. Iedereen zei tegen hem: eindelijk tijd om te leven. Hij had 43 jaar bij de gemeente gewerkt, eerst op de buitendienst, later als werkvoorbereider. Een degelijke man, Pieter. Niet iemand van grote woorden of rare plannen. Hij droeg al jaren dezelfde merken spijkerbroeken en vond een vakantie pas geslaagd als de auto zonder lampjes op het dashboard thuiskwam.

Maar hij ging zitten aan onze keukentafel, schoof zijn bril omhoog en zei dat hij in april naar een woongemeenschap bij Zutphen wilde. Een voormalige school, met twaalf volwassenen. Kleine zelfstandige woonunits, een gezamenlijke moestuin, gedeelde maaltijden als je wilde. Hij had er twee weekenden meegelopen. Hij wilde daar een kamer van nog geen dertig vierkante meter huren.

Marjan zat naast hem en keek alsof ze al dagen niet goed geslapen had.

Henk kwam beneden, nog met een schroevendraaier in zijn hand, en zei: “Doe normaal, Piet.”

Dat was niet aardig, dat weet ik. Maar het kwam eruit voordat iemand iets kon tegenhouden.

Wij kennen elkaar sinds 1984. Ik werkte toen in een kledingzaak in het centrum van Amersfoort en Henk bij een verzekeraar. Marjan zat bij mij op zwangerschapsgym, al was zij uiteindelijk drie maanden eerder uitgerekend dan ik. Pieter en Henk konden het meteen goed vinden. Ze voetbalden op zondag bij dezelfde club, tot hun enkels het begaven. We vierden sinterklaas met vier gezinnen, gingen op wintersport naar Oostenrijk terwijl we daar eigenlijk geen geld voor hadden, en hebben elkaar geholpen met verhuizen, verbouwingen, schoonouders en kinderen die ineens volwassen werden.

Toen onze oudste, Joris, in het ziekenhuis lag na dat ongeluk met zijn scooter, sliep Marjan drie nachten op onze bank. Niet omdat ik dat vroeg. Ze was er gewoon.

En toen Pieter zes jaar geleden darmkanker kreeg, reed Henk hem naar de chemo als Marjan niet kon. We hebben toen zelfs zonder het hem te vragen de achtertuin aangepakt, omdat alles overwoekerd was geraakt. Zo waren wij met elkaar. Niet sentimenteel, maar je liet elkaar niet zwemmen.

Daarom voelde dat verhaal over Zutphen niet als een nieuw plan van Pieter. Het voelde alsof hij zich losmaakte van iets waar wij allemaal in zaten.

“Marjan gaat niet mee,” zei hij na een tijdje.

Dat had ik al begrepen, maar het klonk toch anders als hij het hardop zei.

Marjan zei dat ze nog niet wist wat zij wilde. Ze had haar werk in de bibliotheek pas net afgebouwd. Ze wilde bij haar kleinkinderen in de buurt blijven, bij haar zus in Soest, bij haar koor. Ze zei ook dat Pieter al een jaar zocht naar ‘minder’. Minder afspraken, minder huis, minder spullen, minder moeten. Alleen werd dat minder bij hem steeds groter.

Hij zei dat hij zich in zijn eigen huis voelde als beheerder van een magazijn. De garage, de zolder, de schuur. Alles moest onderhouden, verzekerd, vervangen of opgeruimd worden. Hij had nooit echt bedacht wat hij zelf wilde, zei hij. Eerst kwam werk, toen kwamen de kinderen, toen kwamen zijn ouders die zorg nodig hadden. En daarna was er blijkbaar een agenda vol etentjes, fietstochtjes en verjaardagen waar hij zelf ook aan mee had gebouwd.

Dat laatste trof me meer dan ik wilde toegeven.

Want ja, wij hadden een vaste appgroep. Ja, we aten eens per maand bij elkaar. Ja, wij gingen ervan uit dat we met oud en nieuw samen zouden zijn, tenzij iemand griep had. Maar is dat verstikking? Of gewoon een leven dat je samen hebt gemaakt?

Henk werd boos. Niet schreeuwen, dat doet hij bijna nooit, maar hij ging heel recht zitten. Hij zei dat Pieter deed alsof wij hem vastketenden aan zijn eettafel.

Pieter zei: “Dat zeg ik niet.”

“Je zegt het wel degelijk,” zei Henk. “Alleen met nette woorden.”

Ik bemoeide me ermee en dat had ik misschien niet moeten doen. Ik vroeg of hij überhaupt aan Marjan had gedacht. Hij kon toch niet zomaar een nieuw leven beginnen en haar achterlaten met een huis, alle administratie en de vragen van hun kinderen? Hun dochter woont in Zwolle en had volgens Marjan al gezegd dat ze haar vader ‘in een sekte’ vond belanden. Dat was overdreven, maar niet bepaald behulpzaam.

Pieter werd heel stil. Hij draaide zijn koffiekopje rond, hoewel de koffie allang koud was. Toen zei hij dat hij Marjan niet wilde verlaten. Hij wilde een proefperiode van zes maanden. Hij zou elk weekend thuis kunnen komen als zij dat fijn vond. Hij wilde het huis niet verkopen. Hij had haar gevraagd mee te gaan kijken, meermaals.

Marjan keek naar haar handen en zei: “Hij heeft me niet gevraagd of ík dit leven ook wil.”

Daar was niemand goed op voorbereid.

Later, toen Marjan even naar het toilet was, vroeg Pieter ons of we hem konden steunen. Niet per se begrijpen, zei hij. Alleen niet meteen doen alsof hij gek was geworden.

Henk lachte kort, zonder humor. “Je vraagt dus of we moeten applaudisseren terwijl je vrouw hier zit te huilen?”

Pieter keek hem aan alsof dat woord hem echt pijn deed. Applaudisseren.

Ik zei dat steun niet hetzelfde was als goedkeuring. Dat hij na veertig jaar vriendschap toch kon verwachten dat wij vragen stelden voordat we zeiden: ga maar, zoek het uit. Misschien was dat betuttelend. Misschien ook niet. Ik weet het eerlijk gezegd nog steeds niet.

Hij zei: “Jullie kennen me beter dan wie ook. Als jullie alleen maar zeggen dat dit absurd is, dan kennen jullie vooral de versie van mij die altijd meeging.”

Dat vond ik gemeen. Of misschien precies raak.

In de weken daarna werd alles ongemakkelijk. In de appgroep stuurde Marjan foto’s van hun kleindochter en Henk reageerde met duimpjes. Pieter stuurde een keer een link naar de website van die gemeenschap. Niemand reageerde. Ik heb hem later apart geappt dat ik de foto’s van de kamers kil vond. Dat was een laf antwoord, maar ik wist niets beters.

Hij is begin april gegaan. Niet met een verhuiswagen, maar met zijn oude Volvo vol dozen, een fiets en een tas kleding. Marjan bleef thuis. Ze hebben relatietherapie geregeld via de huisartspraktijk, vertelde ze me. Ze wil niet dat iedereen partij kiest, maar dat is natuurlijk al gebeurd, ook al zegt niemand het zo.

Vorige week zaten Henk en ik op zondag aan de keukentafel. Het was prachtig weer en normaal zouden we met z’n vieren ergens een rondje fietsen, daarna koffie met appelgebak. Henk pakte zijn telefoon en zei dat Pieter een bericht had gestuurd: dat hij die ochtend aardappels had gepoot en voor het eerst in jaren niet tegen maandag opzag.

Henk las het nog een keer en legde zijn telefoon weg.

“Nou,” zei hij uiteindelijk, “dat gun ik hem dan wel.”

Ik knikte, maar ik voelde ook dat lege stuk in onze agenda. Niet alleen omdat Pieter weg is. Vooral omdat ik niet meer weet of hij ooit zo dicht bij ons was als ik altijd dacht.