Ik herken mijn beste vriend soms niet meer, maar ik begin ook mijn vrouw kwijt te raken aan de zorg om hem
Vorige week stond Henk om half acht ’s avonds bij ons voor het raam. Niet bij de voordeur, maar achterom, in de regen, met zijn jas open en één pantoffel aan. Hij tikte niet eens. Hij stond daar gewoon te kijken naar binnen.
Els zag hem als eerste. We zaten net aan de koffie, de afwas stond nog op het aanrecht. Ze zei alleen: „Gerrit.” Op die toon waarop ik meteen wist dat er iets niet klopte.
Henk zei dat hij naar huis wilde, terwijl hij voor zijn eigen huis stond. Althans, dat zei hij pas toen we hem binnen hadden en ik zijn jas dichtdeed. Hij was boos op Marja, want zij had hem opgesloten. Marja bleek die avond bij haar zus in Gouda te zijn. Ze had mij niks gestuurd. Later wel, toen ik haar belde: ze was helemaal in paniek omdat ze hem niet kon bereiken.
Ik ken Henk al sinds 1984. We werkten toen allebei bij de gemeente, niet eens op dezelfde afdeling. Hij bij groenvoorziening en ik bij financiën. Toch raakten we bevriend via een vrijdagmiddagborrel waar we allebei eigenlijk weg wilden. Henk had toen al die droge opmerkingen. Niet luid, nooit de man die de ruimte vulde, maar als hij iets zei moest je meestal wel lachen.
Met Marja en Els erbij werden we een vast clubje. Zaterdags eten, om de beurt. In de zomer met de caravan naar Frankrijk, later naar Drenthe omdat we allemaal minder zin kregen in die lange rit. We hebben elkaars kinderen zien afstuderen, scheidingen van broers en zussen aangehoord, onze ouders begraven. Niet overdreven sentimenteel, maar gewoon: als er iets was, stonden we er.
Daarom voelt het ook zo lelijk om te denken dat ik soms hoop dat Marja niet belt.
Het begon klein. Henk vergat een afspraak of vertelde hetzelfde verhaal drie keer tijdens het eten. Daar maakten we eerst nog grappen over. Ik vergeet zelf ook weleens waarom ik naar boven loop, dus je wilt er niet meteen iets zwaars van maken. Maar op een avond gooide hij een glas rode wijn om en snauwde hij Els af omdat zij een doekje pakte. „Ik ben geen kleuter, mens.”
Hij schrok daar zelf van, zag ik. Hij zei later wel sorry, maar heel vlak. Alsof hij het woord had opgezocht in plaats van het te voelen.
Marja deed alles wegwuiven. Stress, slecht slapen, te veel aan zijn hoofd. Henk was vorig jaar gestopt met zijn vrijwilligerswerk bij de voetbalclub en daar baalde hij van. Dat snapte ik ook. Je leven wordt kleiner als je met pensioen bent, zeker als je niet zo iemand bent die meteen op padel gaat of een camper koopt.
Maar in januari was Henk een hele middag zoek. Hij was naar de supermarkt gegaan en stond uiteindelijk bij het station in Woerden, terwijl hij daar geen enkele reden had om te zijn. Toen zei de huisarts dat verder onderzoek verstandig was. Hij is inmiddels bij de geheugenpoli geweest. De uitslag is nog niet eens helemaal rond, maar iedereen weet wat er in de lucht hangt.
Behalve Marja, of misschien weet zij het juist het best en kan ze het niet verdragen.
Ze wil geen casemanager dementie. Geen dagbesteding, geen thuiszorg, geen gesprek met de kinderen erbij. Hun dochter woont in Zwolle en hun zoon in Amersfoort, maar volgens Marja hebben die allebei een druk leven. „En jij weet hoe Henk is met vreemden,” zegt ze dan. „Daar raakt hij alleen maar meer van in de war.”
Sinds een paar maanden ben ik er op maandag- en donderdagmiddag. Eerst om met Henk te wandelen of een stukje te rijden. Nu let ik erop dat hij zijn medicijnen neemt, dat hij niet weer de oven aanzet en vergeet waarom, dat hij niet zonder portemonnee de straat op gaat. Els doet op woensdag boodschappen met Marja en blijft vaak eten koken omdat Marja anders niks eet behalve crackers en yoghurt.
In het begin voelde dat logisch. Wat doe je anders voor vrienden van bijna veertig jaar?
Alleen werd het steeds meer. Marja stuurt berichten alsof het vanzelfsprekend is. „Kun jij morgen tussen twaalf en vier?” Of: „Els, ik moet even slapen, wil jij Henk vanavond gezelschap houden?” Geen vraag hoe het met ons gaat. Geen „als het uitkomt”. Als we niet meteen reageren, belt ze twee keer achter elkaar.
Els heeft zelf last van haar rug. Niet dramatisch, maar genoeg dat een middag boodschappen sjouwen en daarna drie uur luisteren naar Henk, die boos is omdat hij zijn eigen televisie niet snapt, haar helemaal opmaakt. Toch zegt ze bijna altijd ja. Daarna zit ze thuis stil op de bank, met haar schoenen nog aan.
Vorige zondag hadden we ruzie. Geen grote ruzie met deuren slaan, daar zijn we allebei niet van. Maar wel zo’n ruzie die erger blijft hangen omdat je elkaar eigenlijk begrijpt en toch pijn doet.
Marja had gebeld. Henk had die ochtend in de douche gestaan met zijn overhemd nog aan. Ze had nauwelijks geslapen en wilde dat wij die middag kwamen zodat ze kon bijtanken. We zouden naar onze kleinzoon in Utrecht, die zeven werd. We hadden al een cadeau gekocht, een veel te grote doos Lego waar hij zelf om had gevraagd.
Els zei tegen Marja dat het niet ging. Heel voorzichtig. Marja werd stil en zei toen: „Dus als het lastig wordt, zijn jullie weg.”
Els legde neer en begon meteen te huilen. Ik werd kwaad, ook op Els als ik eerlijk ben. Niet omdat ze nee had gezegd, maar omdat ik voelde dat ik zelf niet durfde te bellen om het recht te zetten. Ik zei iets stoms, dat Marja ook maar wanhopig was. Els keek me aan en zei: „En ik dan? Wanneer mag ik wanhopig zijn?”
Daar had ik niks op.
We zijn alsnog naar Utrecht gegaan. In de trein terug zat Els tegenover me en keek ze de hele tijd uit het raam. Thuis lag er een bericht van Marja: dat Henk weer rustig was, dat ze het wel redde, en dat ze blijkbaar te veel van ons verwachtte. Met daarachter een duimpje. Dat maakte me nog verdrietiger dan wanneer ze boos was gebleven.
Gisteren ben ik alleen naar hen toe gegaan. Henk zat in zijn stoel en vroeg of ik nog steeds bij de gemeente werkte. Ik zei ja, omdat ik geen zin had om hem uit te leggen dat ik al vijf jaar met pensioen ben. Marja maakte thee en bleef bij het aanrecht staan, alsof ze zich niet kon veroorloven om te gaan zitten.
Ik heb gezegd dat we willen helpen, maar niet meer op deze manier. Dat we niet elke keer kunnen inspringen en dat ze echt met de huisarts moet bespreken wat er mogelijk is. Ik had het vooraf in mijn hoofd veel netter geformuleerd. In het echt klonk het hard en rommelig.
Marja zei: „Jullie zijn de enigen bij wie hij nog een beetje zichzelf is.”
Dat is misschien waar. Of het was waar. Henk keek intussen naar een oude fotolijst op de vensterbank en vroeg wie die mensen op de foto waren. Wij vier, op een camping in de Ardennen, met veel te korte broeken en een barbecue die steeds uitwaaide.
Ik heb geen antwoord gegeven. Marja ook niet.
Vanmiddag belt de praktijkondersteuner van de huisarts haar, heeft ze beloofd. Els en ik gaan daarna gewoon wandelen, een rondje langs de singel. Zonder telefoon, heeft Els gezegd. Ik weet niet of we dat volhouden. Maar ik heb hem nu wel in de keukenla gelegd, onder een stapel oude folders.