Na veertig jaar vriendschap vertrokken onze beste vrienden precies op het moment dat wij samen oud wilden worden
De maquette stond nog op mijn telefoon toen Kees vertelde dat hij en Marjan naar Portugal wilden.
Het was een zondagmiddag in februari. We zaten bij hen aan de eettafel in Deventer, met een schaal blokjes oude kaas waar niemand echt meer van at. Buiten miezerde het, zo’n grijze dag waarop je eigenlijk alleen voor de hond naar buiten gaat. Kees had net koffie ingeschonken en zei ineens dat ze “ergens mee rondliepen”.
Ik dacht nog dat het over Marjans moeder ging, of over hun dochter die weer gedoe had met haar ex. Niet over Portugal. Niet over een vervallen huisje bij Tavira dat ze hadden gezien, met vier kamers en een patio, waar ze een kleine B&B van wilden maken.
“Geen groot gedoe hoor,” zei Marjan snel. “Gewoon kleinschalig. Een paar gasten tegelijk. Ontbijt maken, beetje koken, mensen ontvangen.”
Ik weet nog dat ik naar Kees keek en eigenlijk wachtte tot hij zou lachen. Hij lachte altijd als hij iets te wild had geroepen. Maar hij keek juist heel rustig. Bijna opgelucht.
“Wanneer dan?” vroeg Els, mijn vrouw.
“Als alles lukt, volgend voorjaar.”
Els zei meteen: “Wat bijzonder.” Dat kan zij. Eerst ruimte maken voor iemand anders, zelfs als ze zelf nog niet weet wat ze ervan vindt.
Ik zei niks. Ik pakte mijn telefoon, alsof ik een bericht moest lezen, maar ik opende die maquette van Buitenhof aan de IJssel. Het seniorencomplex waar we al bijna drie jaar over praatten. Geen verzorgingshuis, zoals mijn vader vroeger zei met een vies gezicht. Gewoon ruime appartementen, een gezamenlijke tuin, een atelier, een kleine fitnessruimte en beneden een huiskamer waar je kon eten als je geen zin had om te koken.
Wij zouden daar met z’n vieren gaan wonen. Dat was niet iets wat ik in mijn eentje verzonnen had. Of nou ja, misschien had ik er wel het hardst over gepraat.
Veertig jaar geleden leerden we Kees en Marjan kennen op de camping in Ommen. Els was zwanger van onze oudste, Kees had net zijn eerste baan bij de gemeente en Marjan droeg van die enorme zilveren oorbellen die ze nu nog steeds heeft. Vanaf dat moment waren zij er gewoon. Eerst elke zaterdagavond, later minder vaak omdat er kinderen, banen en mantelzorg kwamen, maar nooit echt weg.
We gingen samen naar Frankrijk, later naar Italië. Toen mijn bedrijf in 2009 bijna omviel, leende Kees me geld zonder dat daar een heel gesprek van gemaakt werd. Toen Marjan borstkanker kreeg, paste Els wekenlang op hun kleinkinderen en reed ik Kees soms naar het ziekenhuis omdat hij zelf niet meer durfde te rijden na een slecht gesprek.
Je gaat elkaar dan niet zien als vrienden die toevallig in je leven zijn. Je denkt dat je een soort familie bent, maar dan vrijwillig.
Vorig jaar hadden we allebei serieus naar de appartementen gekeken. We waren zelfs bij de verkoopmiddag geweest. Kees had gezegd: “Als we nou allemaal een beetje bij elkaar op dezelfde verdieping kunnen zitten, hoeven we later niet moeilijk te doen.” Marjan wilde per se uitzicht op de tuin. Els en ik hadden liever een balkon op het westen.
We hadden gelachen om wie er als eerste een scootmobiel zou nemen.
Daarom kwam dat Portugal-verhaal bij mij binnen alsof ze stiekem al maanden besloten hadden dat wij niet meer meetelden.
Op de terugweg zei Els bijna niks. Bij de rotonde bij Epse zei ze: “Je doet nu alsof ze een afspraak afzeggen.”
“Dat doen ze ook.”
“Een droom is geen contract, Hans.”
Ik werd daar boos van. Niet op haar alleen. Op iedereen die het blijkbaar normaal vond dat je op je drieënzestigste nog alles kon omgooien alsof je twintig was. Ik had net mijn laatste maanden bij de installatiezaak ingegaan. Veertig jaar om zes uur op, storingen oplossen, personeel dat je belt als er thuis iets mis is. Ik keek juist uit naar rust. Naar niet steeds opnieuw iets hoeven opbouwen.
Een paar weken later nodigden Kees en Marjan ons uit om verder te praten. Kees had spreadsheets gemaakt, natuurlijk. Wat het huis in Portugal kostte, hoeveel ze uit de verkoop van hun woning konden halen, wat ze nodig hadden voor verbouwing. Hij had zelfs berekend hoeveel weken per jaar de B&B minimaal bezet moest zijn.
Ik hoorde mezelf op een gegeven moment zeggen: “Dus jullie zetten veertig jaar opzij voor een paar kamers met toeristen?”
Dat was een gemene zin. Zodra hij eruit was, wist ik het al.
Marjan werd wit. Kees keek niet kwaad, maar moe.
“Wij zetten jullie niet opzij,” zei hij. “Maar jij praat al twee jaar alsof we samen één huishouden gaan vormen.”
“Dat is onzin.”
“Is het? Je had bij Buitenhof al geïnformeerd of we naast elkaar konden. Zonder ons te vragen.”
Dat klopte. Ik had het gevraagd. Meer uit enthousiasme, vond ik zelf. Maar ineens klonk het inderdaad anders.
Marjan begon te huilen, heel stil. Ze zei dat ze na haar ziekte steeds vaker dacht: als we dit niet doen, wanneer dan wel? Niet omdat Nederland verschrikkelijk was. Niet omdat wij niet belangrijk waren. Juist omdat ze zich weer sterk voelde en niet nog twintig jaar alleen maar voorzichtig wilde leven.
Ik zei toen iets over risico’s, over taal, over zorg als er iets gebeurde. Allemaal reële dingen, maar ik gebruikte ze vooral als munitie. Kees zei dat ze geen idioten waren en dat ze zich hadden verdiept in de zorgverzekering, verblijfsregels en wat er financieel kon. Hij klonk gekwetst, en terecht.
Daarna was het maanden stroef. Niet dat we schreeuwend ruzie maakten. Dat was misschien makkelijker geweest. We stuurden nog wel berichten in onze groepsapp, maar vooral praktische dingen. Een foto van een kleinkind. Een verjaardag. Kees die vroeg of ik nog een goed adres wist voor dakisolatie. Ik antwoordde korter dan normaal.
Els ging in die tijd twee keer alleen bij Marjan koffie drinken. Daar was ik jaloers op, wat kinderachtig is voor een man van drieënzestig. Ik vond dat zij partij koos. Els zei dat ze geen partij koos, maar dat iemand wel naar Marjan moest luisteren zonder meteen met tegenargumenten te komen.
De ommekeer kwam niet door een mooi gesprek. Hij kwam doordat ik op een woensdag bij Buitenhof een bezichtiging had, dit keer alleen met Els. Het appartement was prachtig. Te prachtig bijna. Nieuwe keuken, brede deuren, vloerverwarming. In de gezamenlijke ruimte zaten drie vrouwen van ongeveer onze leeftijd aan een hoge tafel te kaarten. De makelaar vertelde enthousiast over de wijnproeverijen en de wandelclub.
Ik stelde me voor hoe Kees daar zou zitten, zeurend dat de koffie slap was. Marjan die een plant op de vensterbank zou zetten zonder het te vragen. En toen zag ik ook iets anders: vier mensen die op elkaar letten omdat het makkelijk en vertrouwd is, maar misschien ook omdat niemand meer durft te zeggen dat hij iets anders wil.
We hebben uiteindelijk geen optie genomen. Niet alleen vanwege Portugal. Ook omdat Els toegaf dat ze helemaal niet zo graag in een complex wilde wonen waar iedereen elkaar de hele dag tegenkomt. Zij wil nog best een paar jaar in ons huis blijven, met haar rommelzolder en de appelboom die elk jaar veel te veel appels geeft.
Dat had ze eerder al kunnen zeggen, dacht ik eerst. Maar ik had het haar waarschijnlijk ook niet echt gevraagd.
Vorige maand zijn we met z’n vieren gaan eten bij een klein restaurant aan de Welle. Het was ongemakkelijk in het begin. Kees vertelde over een cursus Portugees en sprak ‘obrigado’ verkeerd uit. Marjan had een map bij zich met foto’s van het huis. Ik wilde er niet naar kijken, maar deed het toch.
Het huis was minder romantisch dan ik had verwacht. Scheuren in een muur. Een badkamer die volledig gestript moest worden. Een oud zwembad met groen water erin. Het maakte me gek genoeg rustiger. Het was niet alsof ze naar een eeuwige vakantie verdwenen. Ze gingen gewoon iets moeilijks en onzekers doen.
Bij het afscheid sloeg Kees zijn arm om me heen. Hij zei: “Je mag ons best missen, hè. Maar maak er geen verraad van.”
Ik heb daar niks verstandigs op teruggezegd. Alleen: “Ik ga jullie waarschijnlijk heel erg missen.”
Volgende week helpen Els en ik met dozen inpakken. Ik heb aangeboden om hun boekingssysteem op de laptop eens door te nemen, want Kees kan uitstekend een dakgoot vervangen maar raakt al geïrriteerd als zijn wachtwoord opnieuw moet.
Of we over twee jaar nog zo close zijn, weet ik niet. Misschien komen ze terug omdat het tegenvalt. Misschien blijven ze en zien we elkaar alleen nog in de lente en via videobellen, wat ik nog steeds een armoedig woord vind.
Maar ik heb de maquette van Buitenhof van mijn telefoon verwijderd. Niet uit boosheid. Ik keek er alleen telkens naar alsof het bewijs was van iets waar we allemaal nooit echt ja op hadden gezegd.