Ik wil mijn vriendin niet laten vallen, maar mijn man zegt dat onze vriendschap ons huwelijk begint op te eten
Vorige dinsdag zat ik om half negen ’s avonds nog met Marja aan de telefoon omdat ze niet meer wist of ze haar zorgverzekering al had betaald. Kees zat tegenover me op de bank, met het Journaal zacht aan. Hij zei niets, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij de minuten bijhield.
Uiteindelijk bleek de rekening al twee weken eerder van haar rekening te zijn afgeschreven. Ik had haar dat ook kunnen laten zien als ze de DigiD-app open kreeg, maar die deed het natuurlijk weer niet omdat ze haar wachtwoord drie keer verkeerd had ingevuld.
Toen ik ophing, zei Kees: “Je begrijpt toch dat dit niet meer om een beetje helpen gaat?”
Ik wist dat hij gelijk had, en toch werd ik meteen boos. Niet omdat hij ongelijk had, denk ik. Juist omdat ik zelf ook voelde dat het te veel werd.
Marja en Henk kennen we al sinds 1987. Onze kinderen zaten toen ongeveer op dezelfde basisschool in Amersfoort, al waren die van hen iets ouder. We begonnen met een keer samen eten na een ouderavond en daarna ging het vanzelf. Kamperen in Frankrijk, eindeloos fietsen in Drenthe, op zaterdag naar de markt en daarna koffie met appeltaart bij ons of bij hen. Henk en Kees waren allebei van dat soort mannen die een half uur konden praten over een nieuwe fietsendrager. Marja en ik vonden dat vroeger vooral vermakelijk.
Het was nooit een vriendschap waarbij één iemand altijd gaf en de ander ontving. Toen mijn moeder na haar heupoperatie tijdelijk niet alleen kon zijn, bracht Marja drie weken lang op woensdag soep en deed ze een wasje. Toen Kees zijn hartoperatie had, reed Henk me zonder gedoe naar het ziekenhuis, ook als het regende en het parkeerterrein weer eens vol stond.
Daarom voelt het voor mij zo verkeerd om nu te gaan rekenen in uren.
De eerste rare dingen bij Marja leken nog gewoon verstrooidheid. Ze vergat een afspraak voor koffie. Ze belde op een zondag om te vragen of wij die donderdag nog zouden komen eten, terwijl die afspraak al maanden niet stond. Henk deed het af als drukte. Hij was altijd een trotse man, niet onaardig, maar wel iemand die liever drie keer zelf iets verkeerd monteerde dan de buren om een schroevendraaier vroeg.
Later begonnen er brieven te komen die ze niet begrepen. Een herinnering van de energieleverancier. Iets van de bank. Een afspraak in het ziekenhuis die Marja kwijt was. Ze vroeg of ik één keer mee wilde kijken.
Dat ene keer werd vaker. Eerst vond ik het niet erg. Ik ben redelijk handig met de computer en ik heb vroeger bij een administratiekantoor gewerkt. Bovendien was het ook gezellig, hoe vreemd dat misschien klinkt. Dan dronk ik koffie bij haar aan de keukentafel, ruimde een stapel reclamefolders op en hielp haar met twee formulieren. Henk zat er dan bij met zijn armen over elkaar en zei dat het allemaal overdreven was.
“Wij hebben geen hulp nodig,” zei hij dan.
Maar zodra ik opstond, vroeg Marja zacht of ik alsjeblieft nog even kon blijven omdat ze niet wist waar haar ziekenhuispas was.
Een jaar geleden heeft de huisarts hen doorverwezen naar de geheugenpoli. Ik weet niet precies wat er allemaal besproken is, want Henk wil daar niets over vertellen. Marja zei alleen dat er sprake was van beginnende dementie, bij haar duidelijker dan bij hem. Daarna wilde ze het over de koekjes hebben die ze had gebakken en die veel te hard waren geworden.
Kees en ik hebben zelf ook geen zeeën van tijd. Hij is 70, ik 68. We passen één middag per week op onze jongste kleindochter. Kees heeft last van zijn knie en wacht al maanden op een afspraak bij de orthopeed. We willen eigenlijk vaker met de caravan weg nu we dat nog kunnen. Niet naar Spanje of zo, gewoon een paar dagen Zeeland of de Achterhoek. Maar de laatste tijd plannen we bijna niets meer, omdat er altijd wel iets met Marja en Henk is.
Vorige maand moest Marja naar de geriater. Henk wilde niet mee. Hij zei dat ziekenhuizen mensen alleen maar zieker maakten en dat de arts toch niks nieuws zou zeggen. Marja belde mij huilend op. Ze wist niet meer hoe ze met de bus moest, terwijl ze vroeger overal met het openbaar vervoer naartoe ging.
Ik ben met haar gegaan. Natuurlijk ben ik met haar gegaan.
In de wachtkamer vroeg ze drie keer of ik boos op haar was. Ik zei telkens nee. De derde keer moest ik naar het toilet omdat ik bang was dat ik anders daar, tussen de oude tijdschriften en die automaat met slappe koffie, zou gaan huilen.
Kees zei die avond dat dit niet zo door kon. Hij bedoelde het niet hard. Hij had zelfs eten gekookt, iets wat hij normaal alleen doet als ik echt ziek ben. Maar hij zei ook: “Henk weigert thuiszorg, weigert een casemanager, weigert met zijn kinderen te praten. En dan wordt jij de oplossing. Niet omdat we dat samen gekozen hebben, maar omdat hij geen nee hoeft te zeggen als jij ja zegt.”
Dat kwam hard aan. Vooral omdat ik Henk eigenlijk ook kwalijk neem dat hij alles bij Marja neerlegt. Zij probeert lijstjes te maken, afspraken te onthouden, papieren te bewaren, terwijl ze daar juist steeds minder grip op heeft. En als ik iets voorstel, bijvoorbeeld contact opnemen met de wijkverpleegkundige of het geheugensteunpunt, zegt Henk dat vreemden niets in zijn huis te zoeken hebben.
Maar Marja is geen dossier. Ze is mijn vriendin.
Afgelopen zondag kwam het eruit. Kees wilde met mij bespreken dat we voortaan alleen nog sociale dingen met hen zouden doen. Een kop koffie, een etentje als dat lukt, misschien een wandeling. Geen administratie, geen ziekenhuisritten, niet meer iedere avond bellen. Hij wilde het desnoods samen aan Marja vertellen.
Ik zei dat hij dan net zo goed kon zeggen dat we geen zin meer in haar hadden.
Dat was gemeen. Dat weet ik. Kees werd heel stil en ruimde de vaatwasser in terwijl die al bijna leeg was. Later zei hij: “Ik wil haar niet laten vallen. Ik wil jou ook niet kwijtraken aan een situatie waar we niks over te zeggen hebben.”
Maandag heb ik Marja gebeld om te zeggen dat we niet mee konden naar een afspraak bij de bank. Ik had expres niet meteen een oplossing gezocht. Alleen gezegd dat ik die ochtend met mijn kleindochter was en dat Kees en ik later die week zelf een afspraak hadden.
Ze was eerst heel stil. Toen zei ze: “O ja. Natuurlijk. Ik moet niet steeds lastig zijn.”
Dat zinnetje zit nog steeds in mijn hoofd.
Ik heb haar daarna toch het nummer gegeven van het sociaal wijkteam en gezegd dat ze ook de huisartspraktijk kon bellen voor ondersteuning. Ze zei dat Henk dat niet wilde. Ik zei, veel te fel misschien, dat Henk niet alles alleen kan bepalen. Daar schrok ze van. Ik ook.
De afspraak bij de bank is uiteindelijk verzet. Marja belde me gistermiddag om te vertellen dat Henk boos was omdat er een brief was gekomen. Ze wist niet meer waar die brief lag. Ik voelde mijn hand al naar mijn tas gaan, naar mijn fietssleutel.
Kees keek me aan vanaf de eettafel. Hij zei niets.
Ik ben niet gegaan. Ik heb Marja gevraagd de brief te zoeken en morgen de huisartsassistente te bellen om mee te denken. Daarna heb ik nog tien minuten met haar gepraat over de geraniums op haar balkon, die volgens haar dit jaar belachelijk vroeg bloeien.
Toen ik ophing, voelde ik geen opluchting. Ook geen rust. Alleen een soort schuld die de hele avond op de bank tussen Kees en mij in bleef zitten.
Vanmiddag gaan we wel bij hen koffie drinken. Kees heeft een pak stroopwafels gekocht, omdat Henk daar altijd te veel van eet. Ik weet niet of dat laf is of menselijk. Misschien allebei.