Ik zei dat ik geen mantelzorger wilde worden, en ineens twijfelde onze beste vriend aan veertig jaar vriendschap
‘Dus jullie laten ons gewoon vallen?’
Kees zat voorovergebogen in zijn stoel, zijn handen trilden zo hard dat de koffie over de schotel liep. Ria keek naar de vloer. Henk stond bij het raam met zijn jas nog aan, alsof hij elk moment weg wilde rennen. En ik voelde mijn wangen branden, niet van schaamte alleen, maar van woede die ik al maanden had ingeslikt.
‘Dat zeg ik niet, Kees,’ zei ik. Mijn stem klonk dunner dan ik wilde. ‘Ik zeg alleen dat we niet ieder weekend kunnen komen. En niet elke woensdagavond. En niet steeds op afroep.’
Veertig jaar waren we bevriend. Veertig jaar. We hadden samen in tentjes in Zeeland geslapen toen de kinderen nog klein waren. Later gingen we ieder voorjaar naar Limburg, wandelen, vlaai eten, veel te lang natafelen met een borrel erbij. Kees en Henk waren vanaf hun diensttijd maatjes. Ria en ik konden zonder afspraak bij elkaar binnenlopen.
Toen Kees twee jaar geleden Parkinson kreeg, was er geen seconde twijfel. Natuurlijk hielpen we. Hun kinderen wonen in het buitenland en Ria durft nauwelijks nog auto te rijden. Henk bracht Kees naar het ziekenhuis, ik deed boodschappen en nam soms een pan stamppot mee. Dat voelde niet als een last. Dat voelde als vriendschap.
Maar hulp heeft blijkbaar geen natuurlijke eindtijd.
Eerst vroeg Kees of Henk elke woensdag de administratie wilde doen. Daarna kwamen de ritjes naar de fysiotherapeut, het ophangen van een lamp, een kapotte kraan, een avond wachten op de monteur. Ria belde mij steeds vaker.
‘Marieke, zou jij misschien even kunnen komen? Kees is zo somber vandaag.’
Hoe zeg je dan nee tegen een vrouw die je al je hele volwassen leven kent?
Dus ging ik. Met een tas boodschappen, een bos tulpen of zomaar met mezelf. Vaak zat ik drie uur bij hen terwijl Kees nauwelijks sprak. Als ik opstond, vroeg Ria bijna altijd: ‘Je komt zondag toch ook? Dan is het zo stil.’
Onze agenda was niet meer van ons. Een etentje met buurvrouw Els zegden we af omdat Kees een slechte dag had. Een weekendje naar de Veluwe ging niet door, want Henk vond het niet kunnen om weg te gaan terwijl Ria alleen zat. Zelfs op mijn verjaardag stond Henk tussendoor een doucheputje bij hen te ontstoppen.
‘Je overdrijft,’ zei hij toen ik daar iets van zei. Hij zette hard zijn bord in de vaatwasser. ‘Kees heeft niemand anders.’
‘Wij hebben ook nog een leven, Henk.’
‘Nou, blijkbaar is dat leven belangrijker dan iemand die ziek is.’
Die zin bleef dagen in mijn hoofd hangen. Ik voelde me werkelijk een slecht mens. Tegelijk merkte ik dat ik op woensdag al zenuwachtig werd. Niet omdat ik Kees en Ria niet wilde zien, maar omdat ik wist dat er weer iets van ons verwacht werd.
Het ergste was dat Henk nooit vroeg of ik mee wilde. Hij zei gewoon: ‘We gaan straks even naar Kees en Ria.’ Alsof het een tandartsafspraak was. Als ik zei dat ik moe was, keek hij teleurgesteld. Niet boos misschien, maar nog pijnlijker: alsof ik hem in de steek liet.
Vorige maand brak er iets in mij. Ria belde op zaterdagmorgen. We zouden eindelijk naar de markt in Gouda gaan, daarna lunchen. Henk had die week al twee avonden bij Kees gezeten.
‘Marieke, de wasmachine lekt. Henk kan toch wel komen kijken?’
Ik hoorde Kees op de achtergrond zuchten. Mijn maag trok samen.
‘Nee, Ria,’ zei ik. ‘Vandaag niet. Bel een loodgieter. Of de thuiszorgorganisatie, misschien weten zij iemand.’
Er viel een stilte. Daarna zei ze zacht: ‘Dus daar zijn we nu beland.’
Henk keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven.
Die avond kregen we bericht van Kees dat hij wilde praten. En daar zaten we dan, met koude koffie en jaren geschiedenis tussen ons in.
‘Ik vraag Henk toch niet om de wereld?’ zei Kees. ‘Alleen omdat ik hem vertrouw.’
‘En ik vertrouw jullie ook,’ zei ik. ‘Maar vertrouwen betekent niet dat wij alles moeten oplossen.’
Henk wreef met beide handen over zijn gezicht. ‘Marieke heeft wel een punt, Kees. Ik kan dit niet blijven doen alsof het vanzelf gaat.’
Kees keek hem lang aan. Zijn ogen werden vochtig, maar zijn stem werd hard.
‘Ik had jou anders ingeschat.’
We gingen weg zonder omhelzing. Dat was misschien nog het pijnlijkst. Henk zei de hele autorit niets. Thuis zette hij zijn schoenen uit en vroeg hij ineens: ‘Ben je nu tevreden?’
Ik begon te huilen. Niet netjes, niet beheerst. Gewoon met van die lelijke happen naar adem.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil mijn vriendinnen niet kwijt. Ik wil jou niet kwijt. Maar ik wil ook niet verdwijnen omdat ik geen nee durf te zeggen.’
Sindsdien is het stil tussen ons en Kees en Ria. Henk gaat soms alleen langs, maar minder vaak. We hebben hulpinstanties genoemd, een vrijwilliger geregeld, zelfs aangeboden mee te denken. Toch voelt het alsof ik iets kapot heb gemaakt dat niet meer te lijmen is.
Ben ik egoïstisch omdat ik ruimte voor mezelf wil houden? Of mag vriendschap nooit betekenen dat één iemand langzaam ophoudt te bestaan?