Na de brand kwamen mijn beste vrienden bij ons wonen, en nu herken ik mijn eigen huis nauwelijks meer
Ik merkte het voor het eerst aan de theelepeltjes.
Ze lagen niet meer in het lage laatje naast de vaatwasser, waar ze al twintig jaar lagen. Marjan had ze bij het bestek in de bovenste la gezet, omdat dat volgens haar logischer was. Ik stond op een maandagmorgen met de waterkoker aan, trok het oude laatje open en zag alleen nog pollepels en een blikopener.
Het is belachelijk om daar verdrietig van te worden, dat weet ik zelf ook wel. Maar ik stond daar met mijn hand op dat laatje en ik voelde me ineens alsof ik op bezoek was in mijn eigen keuken.
Marjan en Theo wonen nu bijna vijf maanden bij ons. Nou ja, tijdelijk, zeggen we nog steeds. Hun rijtjeshuis in Leusden is eind november grotendeels uitgebrand. Waarschijnlijk iets met de droger, maar het onderzoek liep nog toen ze bij ons kwamen. Ze waren die avond bij Theo’s zus aan het eten. Dat is misschien maar goed ook geweest. Hun hond, Boris, was helaas wel thuis. Daar praat Marjan bijna niet over. Soms wel, ineens, als we aan tafel zitten en iemand iets over honden zegt op televisie.
Henk en ik kennen hen sinds 1987. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kleine kinderen en te weinig geld voor fatsoenlijke gordijnen. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, elkaars ouders begraven, onze kinderen zien studeren en scheiden en weer opnieuw beginnen. Marjan was degene die naast me op de grond zat toen mijn moeder in het verpleeghuis achteruitging. Niet omdat ze grote woorden had, maar omdat ze een pan soep meenam en zei dat ik even moest douchen.
Dus toen Theo me die avond belde en ik hem bijna niet verstond door alle sirenes op de achtergrond, heb ik niet eens met Henk overlegd.
“Kom maar hierheen,” zei ik. “Natuurlijk. Blijf zolang het nodig is.”
De eerste weken waren eigenlijk heel warm. Chaotisch, maar warm. Ze hadden alleen een paar tassen met kleren, wat papieren en Theo’s medicijnen. Mensen uit de straat brachten dozen, mijn dochter stuurde via een buurtapp een lijst rond en ineens hadden ze drie waterkokers, negen dekbedden en meer mokken dan ze ooit nodig zouden hebben.
Marjan kookte vaak. Ze zei steeds dat ze iets terug wilde doen. Ik vond dat fijn. Henk vond het ook fijn, al zei hij na twee weken wel dat hij nog nooit zo veel ovenschotels had gegeten als dat jaar.
Maar na kerst begon er iets te schuiven. Niet in één keer. Eerder in kleine dingen waar je bijna niets van kunt zeggen zonder zuur te klinken.
Marjan zette de kruiden op alfabet. Ze gooide mijn oude plastic bakjes weg, de bakjes waar ik restjes in deed, omdat de deksels niet meer goed sloten. Ze maakte een schema voor de boodschappen en hing dat op de koelkast. Daar stond dan: maandag Lidl, donderdag markt, zaterdag Albert Heijn voor aanbiedingen.
Ik doe al jaren op dinsdag boodschappen bij de Jumbo, omdat ik dan toch naar fysio ga. Niet omdat dat de beste manier van boodschappen doen is, maar omdat het mijn dinsdag is.
Toen ik zei dat ik liever zelf mijn lijstje maakte, keek ze me aan alsof ik haar ergens van beschuldigde.
“Ik probeer het alleen een beetje overzichtelijk te houden, Els. Met vier mensen is het anders dan met twee.”
Daar had ze natuurlijk gelijk in. Dat maakte het zo lastig.
Henk zei meestal: “Laat het toch een beetje lopen. Ze heeft behoefte aan grip.”
Dat snap ik ook. Hun huis was weg. Hun fotoalbums, Theo’s gereedschap, Marjans servies van haar moeder. Alles rook na die brand, zelfs de spullen die nog gered waren. Als ik ’s nachts naar de wc ging, zag ik soms licht onder de deur van de logeerkamer. Dan zat Marjan op haar telefoon naar woningadvertenties te kijken die toch niet haalbaar waren, of naar foto’s die buren hadden gestuurd.
Ik wilde niet degene zijn die dan begon over mijn keukenkastjes.
Maar ik werd stiller in mijn eigen huis. Ik ging na het eten vaker boven zitten lezen, terwijl ik normaal juist altijd nog in de woonkamer rommelde. Theo zat vaak met Henk in de schuur. Die twee konden uren praten over gereedschap, voetbal en wat er allemaal mis was met de gemeente. Ze deden alsof ze nergens last van hadden, maar Henk zei soms in bed: “Theo schaamt zich kapot.”
Alsof dat betekende dat ik nergens last van mocht hebben.
Het ergste was misschien dat Marjan steeds namens ons allemaal begon te spreken. Tegen mijn zus aan de telefoon zei ze: “Wij eten tegenwoordig wat gezonder.” Terwijl ik die middag nog een saucijzenbroodje had gegeten bij het station. Of ze zei tegen de buurvrouw dat wij de woonkamer anders gingen inrichten omdat het met vier volwassenen zo krap was.
Ik hoorde dat en dacht: wij?
Vorige week zaterdag kwam het eruit. Niet eens door die theelepeltjes. Het was na de koffie. Henk had de krant op zijn schoot en Theo zat met zijn telefoon te prutsen omdat het geluid van de Formule 1-app het niet deed. Marjan had op haar tablet een paar foto’s opgeslagen.
“Als we die grote kast weghalen,” zei ze, “en de eettafel een kwartslag draaien, dan kunnen we hier een zitgedeelte maken en daar een werkhoek. Eigenlijk zou die tussenwand ook deels weg kunnen. Niet helemaal hoor, maar gewoon openen. Veel praktischer.”
Ik dacht eerst dat ze het over hun nieuwe huis had. Toen zag ik de foto van ónze woonkamer.
Onze kast is een zware eiken kast van mijn vader. Niet modern, nee. Maar hij staat er sinds we hier wonen. De tussenwand is geen echte muur, meer een brede doorgang met aan beide kanten een stukje wand. Henk heeft die ooit zelf afgewerkt, toen hij nog bij de bouw werkte.
Marjan praatte door. Over een aannemer die Theo via via kende. Over dat zij best wat konden bijdragen, want de verzekering had alvast een voorschot uitgekeerd.
Ik voelde mijn gezicht heet worden. Ik zei: “Marjan, stop even.”
Ze keek op, heel verbaasd.
“Dit is geen gezamenlijke woonkamer. Het is onze woonkamer. En er wordt hier niets verbouwd.”
Het was meteen stil. Echt zo’n stilte waarin je de koelkast hoort aanslaan.
Theo keek naar zijn handen. Henk zei zacht: “Els bedoelt alleen…” Maar ik wist zelf niet eens wat ik precies bedoelde, behalve dat ik niet meer wilde dat iemand plannen maakte voor mijn huis terwijl ik erbij zat alsof ik toestemming moest geven.
Marjan begon te huilen. Niet hard. Ze veegde met de rug van haar hand onder haar ogen en zei: “Ik probeer juist mee te denken. We zitten hier toch ook niet voor ons plezier?”
Dat kwam aan. Natuurlijk zitten ze hier niet voor hun plezier. Alsof ik dat niet wist.
Ik heb gezegd dat ik ook niet wil doen alsof alles prima is. Dat ik blij ben dat ze er zijn, maar dat ik ruimte nodig heb. Mijn eigen plek. Mijn eigen manier, ook als die niet efficiënt is.
Ze zei toen: “Dus we lopen je in de weg.”
En ik zei, veel te scherp: “Soms wel, ja.”
Sindsdien is het ongemakkelijk. Marjan kookt niet meer. Ik mis haar eten en ik ben tegelijk opgelucht dat mijn kruiden weer door elkaar staan. Theo heeft tegen Henk gezegd dat ze misschien toch sneller iets moeten huren, al is het maar een vakantiehuisje voor een paar maanden. Maar dat kunnen ze eigenlijk niet betalen naast alles wat niet vergoed wordt. Hun opstalverzekering dekt veel, maar niet het hele leven eromheen.
Vanmorgen heb ik de boodschappen gedaan. Bij de Jumbo, op dinsdag. Ik kocht koffie die Marjan te sterk vindt en het brood dat Theo altijd graag eet. Thuis heb ik het lijstje van de koelkast gehaald, maar ik heb het niet weggegooid. Het ligt nu op het aanrecht, onder een schaal mandarijnen.
Vanavond wil ik voorstellen dat we aan tafel gaan zitten en afspraken maken. Over boodschappen, koken, de woonkamer, en misschien ook over hoe lang dit nog kan. Ik zie er vreselijk tegenop. Niet omdat ik bang ben voor ruzie, maar omdat ik bang ben dat we na zo’n gesprek niet meer terug kunnen naar hoe het was.
Misschien konden we dat eigenlijk al niet meer.