Ik wilde dat onze vrienden rekening hielden met mijn vrouw, maar zij vonden dat we hun leven kleiner maakten

Het begon eigenlijk met een appje over een wandeling op de Veluwezoom. Zestien kilometer, daarna koffie met appeltaart en misschien nog ergens eten. Vroeger was dat precies het soort dag waar Marije als eerste op reageerde. Zij regelde dan wie er reed en nam standaard een thermoskan mee, terwijl niemand daar ooit om vroeg.

Nu keek ze naar haar telefoon, legde hem met het scherm naar beneden op tafel en zei: „Leuk.” Meer niet.

Ik wist wat dat betekende. Ze wilde mee. Ze kon alleen niet mee.

Marije is 61, ik ben 63. We kennen onze vriendengroep al sinds de kinderen klein waren. Eerst via de basisschool in Amersfoort, later bleven we hangen terwijl andere ouders afvielen. Met z’n tienen eten we normaal gesproken op vrijdag of zaterdag bij iemand thuis. Niet iedere week allemaal, maar toch vaak genoeg dat het een vast onderdeel van ons leven is geworden. We gingen kamperen in Frankrijk, vierden vijftigste verjaardagen, hielpen verhuizen, stonden bij elkaar op de stoep toen ouders overleden.

Marije heeft sinds een jaar of vier ernstige vermoeidheidsklachten. Geen diagnose waar mensen meteen een beeld bij hebben. Er zijn onderzoeken geweest bij de huisarts, internist, bloedprikken, gesprekken. Uiteindelijk bleef het een combinatie van klachten waar niet één duidelijke sticker op paste. Ze heeft dagen waarop ze een uur in de tuin kan rommelen en daarna drie uur moet liggen. Als ze over haar grens gaat, is ze niet gewoon moe. Dan wordt ze misselijk, licht in haar hoofd, vergeet ze woorden en ligt ze soms twee dagen in een donkere slaapkamer.

Het lastige is: aan haar zie je meestal weinig.

Als ze zich opmaakt en een vest aantrekt, ziet ze er eigenlijk precies uit als vroeger. Misschien wat slanker. Daarom zeggen mensen ook makkelijk: „Fijn dat je er weer bent, dan gaat het dus beter.” Dat is lief bedoeld, maar ik zie haar dan altijd even knipperen voordat ze antwoord geeft.

In het begin hield iedereen rekening met haar. De eerste keren dat ze afzei, kwamen er bloemen. Anja bracht soep. Kees belde me apart om te vragen of hij iets kon doen. Ik was daar oprecht dankbaar voor.

Maar onze groep is de laatste jaren steeds actiever geworden. Nu de meesten minder werken of al met pensioen zijn, gaat het in de app over e-bikes in Limburg, padel, wandelweekenden, stedentrips met veel lopen. Iemand heeft een camper gekocht. Iemand anders wil volgend voorjaar naar Portugal en heeft al een route met kustpaden doorgestuurd.

Marije zei meestal dat ik gewoon moest gaan. En dat deed ik ook, eerst zonder er zwaar aan te tillen. Een middag fietsen, een wandeling, een weekend in een huisje. Maar ik kwam dan thuis met verhalen die zij niet meer kende. Wie ruzie had gehad met de eigenaar van het vakantiehuisje, wie te veel wijn had gedronken, hoe prachtig de heide erbij lag. Ze lachte op de juiste momenten, echt waar. Alleen zag ik dat ze daarna sneller naar bed ging.

Op een avond zei ze ineens: „Je hoeft niet steeds te vertellen wat ik gemist heb.”

Ik werd boos, wat onterecht was. Ik zei dat ik juist probeerde haar erbij te betrekken. Zij zei: „Nee, je probeert jezelf minder schuldig te voelen.” Daar had ik geen goed antwoord op.

Ik ben toen gaan denken: waarom komen ze niet vaker gewoon hier? We hebben een rijtjeshuis, geen balzaal, maar de woonkamer is groot genoeg. Marije kan dan tussendoor even op de bank liggen of naar boven gaan zonder dat iedereen ziet dat het misgaat. We kunnen eten bestellen, een spel doen, oude foto’s kijken, weet ik veel. Vroeger deden we dat ook. Het hoeft toch niet altijd een prestatie te zijn?

Ik heb het in de groepsapp gezet. Niet heel handig misschien. Ik schreef dat Marije zich steeds meer buitengesloten voelde, dat de actieve plannen voor haar niet haalbaar waren en dat ik het fijn zou vinden als we wat vaker een rustige avond bij ons of bij iemand anders konden doen. Ik schreef er ook bij dat ik snapte dat iedereen graag actief blijft.

Er kwamen hartjes en lieve reacties. Anja zei meteen dat ze volgende maand wel bij ons wilde koken. Maar daarna bleef het een tijdje stil. Een dag later belde Kees.

Hij draaide er lang omheen. Hij zei dat ze echt met Marije meeleefden. Toen zei hij: „Maar we moeten wel oppassen dat alles straks om haar klachten gaat draaien.”

Ik zei dat ik niet vroeg om alles om haar te laten draaien.

„Zo voelt het voor sommigen wel,” zei hij. „Wij zijn eindelijk in een fase dat we tijd hebben. We willen dingen doen nu we het nog kunnen.”

Dat laatste raakte me waarschijnlijk meer dan het had moeten doen. Alsof Marije al aan de kant stond bij de mensen die het niet meer kunnen. Misschien was dat niet wat hij bedoelde. Kees is geen harde man. Hij heeft zelf een broer die Parkinson heeft en hij helpt hem veel. Maar ik hoorde alleen: wij willen door, jullie houden op.

De vrijdag daarna waren we wel met z’n allen bij ons. Marije had die hele dag gerust om het vol te houden. Ze had hapjes gehaald bij de Albert Heijn, terwijl ik had gezegd dat dat niet hoefde. Ze wilde niet dat het zielig werd, denk ik.

Het was aanvankelijk gezellig. Tot Paul vertelde over het plan voor een lang weekend in de Ardennen. Kanoën, wandelen, barbecueën. Iedereen begon meteen data te noemen.

Marije zat naast me en zei niets. Onder tafel voelde ik hoe ze met haar duim over de rand van haar servet bleef gaan.

Ik zei toen: „Misschien kunnen we ook eens iets plannen waar Marije gewoon aan mee kan doen.”

De stilte daarna was niet enorm dramatisch. Iemand schonk wijn bij. Anja keek naar haar bord. Toen zei Paul, nogal praktisch: „Maar wat zou dat dan zijn, Henk? Want een weekend weg kan natuurlijk ook rustig.”

Marije antwoordde voordat ik dat kon doen. „Jullie hoeven geen aangepaste vakantie voor mij te organiseren.”

Ik zei: „Dat zeg ik toch niet?”

Ze keek me aan. Niet boos, eerder moe. „Je doet alsof ik daar zit te wachten.”

Later, toen iedereen weg was en er glazen op het aanrecht stonden, zei ze dat ik haar voor de groep had neergezet als probleem dat opgelost moest worden. Ik wilde zeggen dat ik juist voor haar opkwam. Maar ze had gelijk dat ik niet eerst had gevraagd wat zij wilde.

Ze wil volgens mij niet dat zij elke keer de reden wordt waarom plannen veranderen. Ze wil alleen af en toe nog vanzelfsprekend meetellen. Dat is blijkbaar moeilijker te regelen dan ik dacht.

Sindsdien ga ik minder vaak mee met de actieve dingen. Niet uit principe, eerder omdat het me tegenstaat om vrolijk foto’s te sturen vanaf een terras terwijl zij thuis probeert haar energie over de dag te verdelen. Tegelijk merk ik dat ik die mensen mis. Kees stuurde vorige week een bericht of ik mee ging fietsen. Ik heb gezegd dat ik al iets had. Dat was niet waar.

Marije vindt dat ik juist moet gaan. „Ik ben ziek, jij niet,” zei ze vanmorgen terwijl ze haar medicijnen naast haar thee zette. Maar er zat iets in haar stem dat niet klonk alsof ze het echt wilde.

Volgende maand is er weer een etentje, dit keer bij Anja en Kees. Geen wandeling ervoor, geen groot weekendplan, gewoon eten. Anja belde Marije zelf om te zeggen dat ze een logeerkamer vrijhouden als het te laat wordt. Marije heeft nog niet toegezegd. Haar naam staat in de app ook nog met een vraagteken.

Ik kijk er veel vaker naar dan nodig is.