Mijn dochter vroeg of ze met de kinderen bij ons mocht wonen, maar wij waren net eindelijk met ons eigen leven begonnen
We wonen nu acht maanden in een seniorenwoning aan de rand van Amersfoort. Het klinkt voor sommige mensen alsof we ons hebben laten wegstoppen, maar zo voelt het voor mij niet. Het is een licht appartement op de begane grond, alles gelijkvloers, met een klein terras waar ik kruiden in potten heb staan. Geen trap meer die je elke week eigenlijk zou moeten stofzuigen. Geen tuin van dertig meter waar Kees op zaterdag met een zere rug achter de heggenschaar stond.
Ons oude huis in Soest was jarenlang vol. Drie kinderen, logees, vriendjes die bleven eten, mijn moeder die na haar heupoperatie een tijd bij ons sliep. Ik heb er nooit een hekel aan gehad, begrijp me niet verkeerd. Maar ik was 66 toen we verhuisden en ik was moe op een manier die niet met één nacht goed slapen overging.
Nu ga ik op dinsdagmorgen naar de bibliotheek om taalmaatje te zijn. Donderdag schilder ik, al ben ik daar eerlijk gezegd nog niet geweldig in. Kees fietst met een groep mannen en doet sinds kort mee met koersbal in het buurthuis. We eten soms om half zes een boterham als we geen zin hebben om te koken. Dat soort vrijheid. Klein misschien, maar ik had er jaren naar uitgekeken.
Onze dochter Marije woont in Zwolle. Ze is 38 en heeft twee kinderen: Noor van negen en Mees van zes. Haar huwelijk was al langer niet goed, maar pas in november vertelde ze dat Bas een ander had. Of misschien was dat al voorbij, ik weet het niet precies. Het ene moment zei ze dat hij was vertrokken, een week later dat ze zelf ook niet meer wist of ze hem ooit nog terug zou willen. Ik probeerde vooral te luisteren.
In januari belde ze me op een maandagmiddag. Ik hoorde meteen aan haar ademhaling dat het mis zat. Ze zei dat ze bij de huisarts was geweest en dat die dacht aan een burn-out. Ze sliep bijna niet meer, huilde om de afwas, vergat afspraken op school. Bas had de kinderen dat weekend wel, maar verder was alles nog onduidelijk.
Ik zei dat we konden komen helpen. Een paar dagen desnoods. Kees zei op de achtergrond meteen: “Natuurlijk, dan rijden we woensdag.”
We zijn gegaan. Ik heb drie wassen gedraaid, soep gemaakt en met Noor topo geleerd, hoewel ik zelf de helft van de hoofdsteden door elkaar haal. Kees nam Mees mee naar de kinderboerderij. Marije lag uren op de bank met een deken over zich heen. Als ik vroeg of ze thee wilde, knikte ze zonder haar ogen open te doen.
Daar had ik geen moeite mee. Dat is je kind. Ook als ze volwassen is, blijft er ergens iets in je dat meteen overeind komt zodra zij instort.
Maar na die dagen kwam de vraag die alles anders maakte.
Ze zei het eerst voorzichtig. Of ze misschien een paar weken bij ons kon zitten, met de kinderen. Even weg uit haar eigen huis, waar overal gedoe en herinneringen zaten. Bij ons zou ze rust hebben. De kinderen hadden een tuinachtige plek, zei ze, doelend op het gemeenschappelijke grasveld achter onze woningen. En wij waren er dan ook.
Ik zei niet meteen nee. Ik zei dat ik het met Kees moest bespreken.
Kees keek me die avond aan alsof ik had gevraagd of we de kinderen op straat wilden zetten. “Natuurlijk kan dat,” zei hij. “Ze heeft het moeilijk.”
“Waar moeten ze slapen?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. “Dat lossen we op. De bank kan uitklappen. Mees kan misschien bij ons op de kamer.”
Onze slaapkamer is niet groot. Er past een bed in, twee nachtkastjes en een kast waar je zijwaarts langs moet. De tweede kamer is mijn schilderkamer én logeerkamer, met een smal bed dat we vooral gebruiken als een van de kinderen eens komt logeren. Het was nooit bedoeld als gezinsopvang.
Ik zei dat een paar nachten iets anders was dan weken. Dat ik Marije wilde helpen met regelzaken, met de kinderen ophalen, met eten. Maar dat ik niet wist of ik weer dag en nacht in een huis met een gezin kon wonen.
Kees werd stil. Dat doet hij als hij zich gekwetst voelt maar niet wil ruziën. Daarna zei hij: “Je kunt toch niet je eigen dochter laten zitten omdat jij donderdag wilt schilderen?”
Dat kwam harder aan dan hij waarschijnlijk bedoelde.
Ik heb jarenlang niet geschilderd omdat er altijd iets anders was. Een kind met koorts, een ouderavond, zijn vader die naar het ziekenhuis moest, mijn moeder die haar medicijnen door elkaar haalde. En nu werd het weer gebracht alsof het een belachelijk luxeprobleem was.
Een week later kwamen Marije en de kinderen op zondag lunchen. Ik had broodjes gehaald bij de bakker en tomatensoep gemaakt. Mees gooide per ongeluk zijn beker om, Noor wilde niet eten omdat ze alleen pasta lustte, en Kees vond het allemaal gezellig. Ik ook, deels. De kinderen zijn lief. Maar na twee uur voelde ik die oude spanning alweer in mijn schouders, het steeds vooruitdenken: heeft iedereen genoeg, wie moet er naar de wc, waar zijn de natte doekjes, straks moeten ze weer in de auto.
Na de lunch zei Marije dat ze had nagedacht. Ze had online gekeken naar tijdelijke opslag voor haar spullen. Niet alles, zei ze, alleen wat nodig was. Bas kon misschien voorlopig in haar huis blijven of bij zijn broer, daar zou hij zelf maar iets voor moeten regelen. Zij kon dan met de kinderen bij ons intrekken tot de zomer. Tegen die tijd zou ze hopelijk weer wat kunnen werken en wist ze meer over de scheiding.
Ze zei het bijna zakelijk, alsof ze een vakantiehuisje besprak.
Toen ik aarzelde, keek ze me aan en zei: “Jullie hebben toch niet echt iets anders meer te doen nu jullie met pensioen zijn?”
Het werd helemaal stil aan tafel. Zelfs Noor keek op van haar telefoon.
Marije begon direct te huilen. Ze zei dat ze het niet zo bedoelde, dat ze gewoon op was en geen uitweg zag. En ik geloofde dat ook. Ze was bleek, magerder dan anders, haar haar in een slordige knot. Ik zag mijn meisje van vroeger, dat na een nachtmerrie bij ons in bed kroop.
Maar ik zag ook mezelf. Niet als moeder van iemand, niet als oma die altijd klaarstaat, maar gewoon als Els. Een vrouw die eindelijk een woning had gekozen die paste bij minder zorgen, niet bij opnieuw beginnen met zorgen voor vier mensen.
Kees zei later dat we haar niet konden afwijzen. Ik zei dat helpen niet automatisch betekende dat ze bij ons moest wonen. Daar kregen we voor het eerst in lange tijd echt ruzie over. Niet schreeuwen, dat doen wij niet. Juist erger: hij ging afwassen terwijl ik nog praatte.
De volgende dag heb ik Marije gebeld. Ik zei dat ze met de kinderen niet tot de zomer bij ons kon intrekken. Ik heb aangeboden om twee middagen per week naar Zwolle te komen, de kinderen op te halen als zij naar therapie moest, en een paar weekenden per maand de kinderen hier te laten slapen. Ook wilde ik met haar meekijken naar een oppasregeling en of er via school iets mogelijk was voor tijdelijke opvang.
Ze zei: “Dus je wilt wel oma zijn, maar niet als het lastig wordt.”
Ik heb niet meteen geantwoord. Misschien omdat er een kern van waarheid in zat. Misschien omdat ik bang was dat elk antwoord verkeerd zou klinken.
Nu komt Noor komende vrijdag logeren. Marije heeft een afspraak bij de praktijkondersteuner van de huisarts en Bas neemt Mees mee naar zijn ouders. Kees heeft een luchtbed gekocht, terwijl ik zei dat het logeerbed prima is. Hij praat nog steeds minder tegen mij dan anders.
Vanmorgen heb ik mijn schildertas weer ingepakt voor donderdag. Ik ga waarschijnlijk niet, want Noor blijft misschien langer als Marije het niet redt. Maar ik heb hem toch klaargezet. Niet om een punt te maken. Meer omdat ik mezelf eraan wil herinneren dat ik ook nog ergens besta in dit hele verhaal.