Mijn man weigerde mee te gaan naar ons jubileumweekend en ineens stond ik alleen tegenover onze vrienden
‘Ik ga niet mee naar Maastricht, Els. En ik wil er vanavond niet wéér over praten.’
Willem stond met zijn rug naar mij toe bij het aanrecht. Hij droogde een kopje af dat al droog was. Op tafel lag de groepsapp open op mijn telefoon: foto’s van het hotel, lachende duimpjes, berichten van Marjan over wie welke wijn meenam.
Ik voelde mijn gezicht heet worden. ‘Het is geen zomaar weekend. We zijn vijfendertig jaar met elkaar bevriend. Vijfendertig jaar, Willem.’
Hij legde het kopje neer. Heel voorzichtig, alsof hij bang was dat hij het anders kapot zou maken.
‘Precies. En al vijfendertig jaar doe ik alsof ik het leuk vind om van vrijdagmiddag tot zondagavond in een groep te zitten.’
Dat kwam hard aan. Niet omdat ik het niet wist, denk ik. Maar omdat hij het eindelijk hardop zei.
Onze vriendengroep bestaat uit zes stellen. We leerden elkaar kennen toen de kinderen nog klein waren, bij voetbal, op schoolpleinen en later in een veel te koude kantine van de tennisclub. Elke eerste zaterdag van de maand aten we bij iemand thuis. Uitgebreid. Drie gangen, veel te veel drank, daarna Rummikub of een kaartspel waarbij Kees altijd de regels veranderde zodra hij dreigde te verliezen.
Voor mij waren die avonden nooit alleen maar gezelligheid. Ze waren een anker. Toen mijn moeder overleed, stond Marjan de volgende ochtend met een pan soep voor de deur. Toen onze dochter Sanne naar Groningen verhuisde en ik daar veel meer moeite mee had dan ik wilde toegeven, nam Anja me mee naar de markt en liet ze me praten tot ik geen stem meer had.
Nu de kinderen uit huis zijn en Willem sinds maart met pensioen is, voelt ons huis soms groter dan vroeger. Te stil ook. Ik keek juist uit naar die avonden. Naar mensen die ons verhaal kennen zonder dat je bij het begin hoeft te beginnen.
Willem zag iets anders. Hij zag drukte, vragen, meningen. Hij zag Kees die altijd wilde weten wat hij nu ‘de hele dag uitvoerde’ sinds zijn pensioen. Hij zag het verplichte lachen om dezelfde grappen.
‘Je hoeft toch niet de hele avond te stralen?’ zei ik. ‘Je kunt ook gewoon jezelf zijn.’
Hij keek me aan, moe en boos tegelijk. ‘Maar ik bén daar niet mezelf, Els. Ik ben daar de gezellige Willem. De man die nog een rondje inschenkt. Die luistert naar verhalen waar hij geen ruimte voor heeft.’
Ik wilde zeggen dat iedereen weleens iets doet waar hij geen zin in heeft. Dat is toch een huwelijk? Dat is toch vriendschap? Je laat elkaar niet vallen zodra het even minder makkelijk wordt.
Maar ik zei: ‘Dus ik moet straks alleen uitleggen waarom jij er niet bent?’
Zijn gezicht veranderde. ‘Daar gaat het je dus om. Wat zij ervan vinden.’
‘Nee,’ zei ik te snel. ‘Dat gaat het niet.’
Maar natuurlijk ging het daar ook om. Ik zag het al voor me: twaalf mensen aan een lange tafel in Maastricht, en ik alleen in een tweepersoonskamer. De vragen. De blikken. Misschien medelijden. Misschien zouden ze denken dat er iets mis was tussen ons. En eerlijk gezegd wist ik niet eens zeker of dat niet zo was.
De week erna was de maandelijkse avond bij Kees en Marjan. Willem ging uiteindelijk mee, maar vanaf het moment dat we binnenkwamen, zat zijn kaak strak. Marjan had stoofvlees gemaakt. Iedereen praatte door elkaar heen. Er werd gelachen om oude foto’s die Kees op de televisie had gezet.
‘En, Willem,’ riep hij vanaf de bank, ‘heb je je wandelschoenen al ingelopen voor Maastricht?’
Ik voelde Willem naast me verstijven.
‘Ik ga niet mee,’ zei hij.
Het werd stil. Niet lang, misschien drie seconden. Maar lang genoeg.
Marjan keek naar mij. ‘O, maar Els komt toch wel?’
Ik had ineens een brok in mijn keel. Willem zei niets. Hij roerde in zijn glas alsof daar een antwoord in zat.
‘Ik weet het nog niet,’ zei ik.
Later, thuis, barstte ik. ‘Je had ook kunnen zeggen dat je het druk had, of dat je niet lekker bent. Iets normaals.’
‘Ik moet dus liegen zodat jij niet ongemakkelijk bent?’ riep hij terug. Daarna werd hij stiller. ‘Els, ik ben op. Ik dacht dat pensioen vrijheid zou zijn. Maar iedereen vult mijn dagen al in. Jij ook.’
Dat laatste deed pijn. Misschien omdat er een stukje waarheid in zat.
Ik sliep die nacht op de bank, niet uit woede maar omdat ik niet naast hem kon liggen zonder te huilen. De volgende ochtend vond hij me daar, met een deken half op de grond en koude koffie op de vensterbank.
Hij ging op de rand van de stoel zitten. ‘Ik wil niet dat jij je vrienden kwijtraakt,’ zei hij. ‘Ga alsjeblieft. Echt. Maar laat mij thuis zonder dat ik de boeman ben.’
Ik keek naar zijn handen. Oude handen ineens. Handen die veertig jaar elke ochtend vroeg de deur uit waren gegaan.
‘En wat blijft er dan nog van ons over?’ vroeg ik.
Hij antwoordde niet meteen. ‘Misschien moeten we dat opnieuw uitzoeken.’
Maastricht is over drie weken. In de groepsapp heb ik nog niets gezegd. Ik ben boos op Willem, maar ik zie ook hoe opgelucht hij kijkt als een afspraak afzegt. En daar schaam ik me dan weer voor, omdat ik die opluchting hem zo lang niet heb gegund.
Mag ik verwachten dat hij meegaat om mij niet alleen te laten voelen? Of moet ik eindelijk accepteren dat liefde ook betekent dat je iemand niet dwingt om gezelschap te spelen?