Ik zei dat ik geen ovenschotel meer wilde, maar iemand die echt vroeg hoe het met me ging
‘Je kunt nu toch niet alweer afzeggen, Anja?’ zei Marjan door de telefoon, zo scherp dat ik vanzelf rechterop ging zitten op de bank. ‘Na alles wat wij de afgelopen maanden hebben gedaan.’
Ik keek naar de pan soep die onaangeroerd op het fornuis stond. Mijn benen trilden. Niet eens van de pijn deze keer, maar van vermoeidheid die dieper zat, alsof iemand zand in mijn lijf had gegoten.
‘Ik zeg niet af om jullie te pesten,’ zei ik. ‘Ik trek het gewoon niet vanavond.’
Aan de andere kant viel een stilte. Toen hoorde ik haar uitademen.
‘Sommige mensen zouden blij zijn met zulke vrienden, Anja.’
Dat kwam harder aan dan ik had verwacht.
Henk en Marjan horen al zo lang bij ons leven dat ik me bijna niet kan herinneren hoe het ooit zonder hen was. Mijn man Kees kende Henk van de technische school in Zaandam. Later kwamen wij erbij, kinderen, kampeerweekenden in Drenthe, Sinterklaasavonden, elkaars verhuizingen, elkaars ouders begraven. Alles eigenlijk. We waren niet zo’n vriendschap van grote woorden. Meer van: sleutel onder de mat, koffie staat klaar, ik regel het wel even.
En juist daarom deed het zo’n pijn toen ik ziek werd.
Twee jaar geleden kreeg ik de diagnose. Een zware chronische ziekte, iets wat niet meer weggaat maar je leven langzaam kleiner maakt. Eerst denk je nog: ik ga vechten, schema maken, positief blijven. Dat zei iedereen ook. De internist, de buurvrouw, zelfs de caissière van de apotheek bijna. Positief blijven. Alsof angst een slechte gewoonte is die je afleert.
Henk en Marjan waren er meteen. Dat is echt waar. Henk reed me naar het ziekenhuis als Kees moest werken. Marjan zette op zondag drie bakjes eten in de koelkast, allemaal gelabeld. Ze maakten een rooster voor wie wanneer boodschappen deed. Toen ik te moe was om de was op te vouwen, lag die ineens strak op stapels in de kast.
Ik was dankbaar. Natuurlijk was ik dat.
Maar elke keer als ik iets anders probeerde te zeggen dan ‘het gaat wel’, klapte het gesprek dicht.
Een keer, in de auto terug van het ziekenhuis, zei ik zacht: ‘Ik ben zo bang dat dit nooit meer beter wordt.’
Henk kneep steviger in het stuur.
‘Niet zo denken, Anja. Je moet jezelf niet gek maken. Morgen schijnt de zon weer.’
Alsof ik iets onfatsoenlijks had gezegd.
Of die middag dat Marjan aardappelpuree stond te stampen in mijn keuken en ik ineens begon te huilen omdat ik de trap niet meer op kon zonder te stoppen.
Ze legde die stamper neer, gaf me een snelle aai over mijn arm en zei: ‘Kom, kop op. We gaan hier geen zielig gedoe van maken. Jij bent sterk genoeg.’
Sterk genoeg. Ik hoorde het steeds weer. Van hen. Van anderen. Het klonk bijna als een bevel.
Kees zag het eerder dan ik. Op een avond, nadat Marjan de ramen had gelapt omdat ik ‘daar toch niet tegenaan moest kijken’, zei hij: ‘Ze zorgen goed voor je, maar ze luisteren niet naar je.’
Ik schoot meteen in de verdediging. ‘Ze bedoelen het goed.’
‘Dat weet ik,’ zei hij. ‘Maar jij verdwijnt een beetje in hun hulp.’
Die zin bleef hangen. Verdwijnt.
Dat was het precies. Ik werd een project. Een agenda. Een lijstje. Niet Anja die soms midden in de nacht wakker lag omdat ze voelde dat haar wereld kleiner werd. Niet Anja die bang was dat Kees meer verzorger dan man zou worden. Niet Anja die zich schaamde omdat ze soms dacht: laat iedereen me even met rust.
Dus ik heb het gezegd. Niet netjes ingestudeerd, gewoon aan de keukentafel met lauwe koffie.
‘Ik wil iets vragen,’ begon ik. Mijn handen trilden. ‘Misschien wat minder praktische hulp. En iets meer… gewoon zitten. Praten. Echt praten. Ook over de moeilijke dingen.’
Marjan keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven.
‘Minder hulp?’ zei ze. ‘Dus al die tijd doen we het verkeerd?’
‘Dat zeg ik niet.’
Henk schoof zijn stoel naar achteren. ‘Wij staan dag en nacht klaar. We rijden, koken, sjouwen. Wat wil je dan nog meer?’
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Dat iemand eens vraagt waar ik bang voor ben, zonder het meteen weg te poetsen.’
Marjan lachte kort, ongelovig. ‘Maar Anja, wij proberen juist te voorkomen dat jij in een zwart gat komt.’
‘Misschien zit ik daar al half in,’ zei ik. ‘En misschien hoef je dat niet op te lossen. Misschien moet je het gewoon even verdragen.’
Daarna werd het raar tussen ons. Stroef. Alsof ik ondankbaar was geweest voor iets heiligs.
Toen kwam dat diner. Ze wilden uitgebreid komen eten, ‘gezelligheid terugbrengen’, noemde Marjan het. Ik had al de hele week beroerde nachten, misselijkheid, een hoofd vol mist. Die ochtend keek ik naar de tafel die ik had willen dekken en ik wist gewoon: dit gaat niet.
Dus ik belde af.
En toen kwam dat verwijt. Na alles wat wij hebben gedaan.
Ik weet nog dat Kees de telefoon uit mijn hand pakte toen ik niets meer zei.
‘Marjan,’ zei hij, heel beheerst, ‘ze zegt niet dat jullie niets betekenen. Ze zegt dat ze op is.’
‘Wij ook,’ beet Marjan terug. ‘Maar wij gaan tenminste door.’
Dat vond ik misschien nog het ergste. Alsof lijden alleen telde als het productief was.
Sindsdien is het stil. Geen appjes meer met foto’s van pastasaus in bakjes. Geen Henk die vraagt hoe laat de afspraak is. En ik mis ze. Verschrikkelijk. Zelfs nu ik boos ben, mis ik ze. Want liefde zat er wel in, daar twijfel ik niet aan. Alleen in een vorm waar ik op een gegeven moment in stikte.
Soms denk ik: had ik gewoon mijn mond moeten houden en dankbaar moeten blijven voor wat ze konden geven?
Maar hoe lang hou je een vriendschap overeind als niemand wil horen wat er echt in je omgaat? Wat weegt zwaarder, wat iemand dóét, of wat iemand durft te verdragen naast je?