Na 34 jaar in hetzelfde huis wil ik eindelijk iets veranderen, maar mijn man vindt dat ik ons rustige leven kapotmaak
De ijsbloemen stonden deze winter aan de binnenkant van het raam in de slaapkamer. Niet prachtig, niet nostalgisch, gewoon irritant. Ik werd wakker omdat mijn neus koud was en hoorde beneden de cv aanslaan, terwijl die die nacht volgens mij al drie keer was aangegaan.
Henk lag naast me te slapen, met één arm boven zijn hoofd zoals hij dat altijd doet. Ik keek naar het vochtige hoekje bij het kozijn en dacht: ik wil dit niet nog tien winters zo doen.
Wij wonen al vierendertig jaar in dit huis, in het centrum van ons dorp. Een jaren-dertigwoning met glas-in-lood boven de voordeur, een erker waar ik nog steeds blij van word en een tuin die veel groter is dan je van de straatkant verwacht. Toen we hier kwamen wonen, was het een huis voor jonge mensen met plannen. We hadden net een dochter, weinig geld en we deden alles zelf. Behang afstomen, plafonds witten, tweedehands kastjes ophalen met de aanhanger van mijn vader.
Nu is Henk 66 en sinds kort met de VUT. Hij heeft er zichtbaar plezier in. Hij is elke ochtend vroeg wakker, ook zonder wekker. Dan zet hij koffie, kijkt op zijn tablet naar het nieuws en gaat daarna naar de moestuin achterin. In de middag heeft hij vaak iets van de dorpsraad. Verkeersveiligheid, het dorpshuis, gedoe over een nieuw zonneveld aan de rand van het dorp. Hij kent iedereen en iedereen kent hem.
Ik ben 63 en ik geef nog drie dagen in de week geschiedenis op een middelbare school in Groningen. Officieel zou ik na de zomer mijn contract kunnen verlengen tot mijn pensioen. De teamleider heeft dat zelfs al terloops genoemd, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Maar ik fiets in de winter ruim twintig kilometer heen en terug, als het een beetje kan. Soms pak ik de bus, maar die sluit niet lekker aan en ik haat dat wachten bij de halte met mijn tas vol schriften. De laatste jaren voel ik het in mijn knieën en handen. Op school is het warm, soms zelfs benauwd. Thuis trek ik eerst een vest aan, dan dikke sokken, en als het echt vriest leg ik een kruik in bed.
Henk zegt dan: “Je moet ook niet altijd met die fiets willen.”
Dat is waar, maar het gaat me niet alleen om die fiets. Het gaat om het gevoel dat ik steeds iets moet opvangen. De tocht, het vocht, de energierekening, mijn lichaam dat niet meer vanzelf alles doet. En ik wil al jaren schilderen. Niet een uurtje op zondagmiddag als ik nog puf over heb, maar echt schilderen. Les nemen in de stad, een hoek van de logeerkamer als atelier gebruiken, misschien ooit eens ergens werk ophangen. Ik weet heus wel dat ik geen tweede Van Gogh ben. Daar gaat het me ook niet om.
Vroeger schilderde ik veel. Voor we de kinderen kregen vooral. Daarna lag het steeds stil. Eerst omdat er altijd iets te doen was, later omdat ik lesgaf en ’s avonds geen hoofd meer had. De doos met mijn oude tubes en kwasten stond jarenlang op zolder. Toen ik hem afgelopen herfst openmaakte, rook het nog vaag naar terpentine. Ik werd er helemaal verdrietig van, en ook een beetje boos op mezelf.
In januari zei ik tegen Henk dat ik wilde laten uitzoeken wat het kost om het huis goed te isoleren. Dak, vloer, HR++-glas waar dat kan, misschien een hybride warmtepomp. Ik weet dat je in zo’n oud huis niet alles zomaar kunt. Het glas-in-lood wil ik ook helemaal niet kwijt. Maar er is vast iets mogelijk.
Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld om het huis te verkopen.
“Marije, waar wil je dat van betalen?” zei hij.
Ik zei dat we spaargeld hebben en dat er subsidies zijn. Niet dat ik alle bedragen al kende, want dat kende ik niet. Ik had wat zitten lezen op Milieu Centraal en op de site van de gemeente. Hij zei dat zulke regelingen veranderen zodra je erop rekent, en dat aannemers toch geen tijd hebben of de hoofdprijs vragen.
Daarna kwam het echte punt pas.
“En jij wilt ook nog minder werken,” zei hij. “Dus eerst minder inkomen en dan een verbouwing van weet ik veel hoeveel tienduizend euro.”
Ik zei dat ik niet per se helemaal wilde stoppen. Misschien mijn contract niet verlengen en invallen als het me uitkomt. Of nog een dag in de week. Maar ik merkte zelf ook hoe wankel het klonk zodra ik het hardop zei.
Henk werd niet boos. Dat maakt het soms lastiger. Hij zei rustig dat we het goed hebben, dat we geen hypotheek meer hebben, dat onze dochter Sanne en haar gezin drie deuren verder wonen en dat we nu juist tijd kunnen vrijmaken voor de kleinkinderen. Alsof dat een plan was waar ik niet van wist.
Ik hou zielsveel van die twee jongens. Mees is zes en Boris net vier. Ze komen vaak uit school even binnen, eten een krentenbol aan onze tafel en rennen dan naar de tuin om bij opa te kijken. Maar ik wil niet dat mijn leven na mijn werk vanzelf wordt ingevuld met beschikbaar zijn. Dat klinkt hard als ik het opschrijf. Misschien is het ook hard. Alleen: ik heb zo lang gedacht dat ik blij moest zijn met alles wat er al was, dat ik niet goed meer weet wat ik zelf eigenlijk wil.
De weken daarna hadden we er steeds korte gesprekken over, meestal op verkeerde momenten. Terwijl hij aardappels stond af te gieten. Als ik mijn natte fietskleding over de stoel hing. In bed, wanneer hij eigenlijk wilde slapen.
Hij zei een keer: “Ik ben net eindelijk thuis. Dan ga jij ineens een heel ander leven beginnen.”
Dat kwam bij mij verkeerd binnen. Alsof ik mijn plannen alleen maar mocht maken zolang ze geen invloed op hem hadden. Ik zei dat hij ook een ander leven begonnen was met zijn VUT en de dorpsraad. Daarop zei hij dat dat niet te vergelijken was, want hij kostte ons geen geld.
Toen heb ik iets onaardigs gezegd over zijn nieuwe bestuursjasje en zijn eindeloze vergaderingen over bloembakken. Daar schaam ik me nog steeds voor. Hij trok wit weg en zei alleen: “Nou, gezellig.” Vervolgens heeft hij die avond in de schuur gegeten, denk ik. Ik bleef binnen en at een boterham, omdat ik geen zin had om voor mezelf te koken.
Twee weken geleden heb ik een aannemer gebeld uit Zuidhorn. Zijn vrouw zat vroeger bij mij in de klas, al weet ik niet of hij me daarom snel terugbelde. Hij zou op een donderdagmiddag langskomen om te kijken en een globale offerte te maken. Ik heb Henk niets gezegd.
Niet omdat ik dacht dat ik het achter zijn rug om moest regelen. Of misschien wel. Ik wist gewoon dat hij meteen nee zou zeggen voordat iemand ook maar naar het dak had gekeken. Ik wilde cijfers. Iets concreets in plaats van dat eindeloze: veel te duur.
Hij ontdekte het doordat de aannemer belde terwijl ik op school was. Henk nam op. Die man vroeg of donderdag drie uur nog uitkwam.
Toen ik thuiskwam, lag mijn telefoon op tafel. Henk zat ernaast met zijn armen over elkaar. Hij had die dag blijkbaar net de heg gesnoeid; er zaten nog kleine stukjes blad op zijn trui.
“Je had me dus niet eens willen vertellen dat er iemand komt voor een verbouwing,” zei hij.
Ik zei dat ik het hem wilde vertellen. Dat was niet helemaal gelogen, maar ook niet waar genoeg.
Hij zei dat het niet ging om toestemming vragen. Hij zei dat we samen geld hebben, samen in dit huis wonen en dat hij zich buitenspel gezet voelde. “Alsof ik alleen maar lastig ben omdat ik niet meteen ja zeg.”
Daar had hij gelijk in. Tegelijk voelde ik me zo klem zitten dat ik begon te huilen, waar ik een hekel aan heb in een ruzie. Ik zei dat ik bang ben dat ik over vijf jaar nog steeds in een koud huis sta, nog steeds lesgeef omdat het verstandig is, en nog steeds tegen mezelf zeg dat schilderen later wel komt.
Hij werd daar stiller van. Niet zachter, precies, maar stiller.
De afspraak met de aannemer is uiteindelijk doorgegaan. Henk was erbij. Hij stelde scherpe vragen over ventilatie, terugverdientijd en wat er allemaal opengebroken moest worden. De aannemer zei eerlijk dat het geen klein project zou zijn en noemde een bedrag waar ik zelf ook even van moest slikken.
Sindsdien hebben we niet besloten wat we doen. De offerte komt volgende week. Mijn teamleider wil voor de meivakantie weten of ik doorga na de zomer. Henk past morgen op de jongens, omdat Sanne een extra dienst heeft, en hij vroeg of ik mee wilde naar het schoolplein.
Ik heb ja gezegd. Niet omdat daarmee alles weer goed is. Ik weet alleen nog niet of ik moet vechten voor precies het leven dat ik in mijn hoofd heb, of dat ik eerst moet leren vertellen dat ik iets nodig heb zonder alvast alleen verder te gaan.