Na 34 jaar vaste zondagmiddagen zei mijn beste vriendin dat ze niet meer elke week wilde komen
Vorige zondag heb ik voor het eerst in jaren een schaal aardappelgratin weggegooid.
Niet helemaal, hoor. Ik heb er maandag en dinsdag nog van gegeten, met wat sla erbij. Maar die schaal was altijd voor acht personen. Vier voor ons, vier voor Henk en Marijke, al aten we natuurlijk nooit allemaal precies vier porties. Henk wilde altijd als eerste de knapperige randjes en Marijke zei dan dat hij zich gedroeg alsof hij thuis niets kreeg.
Dat soort flauwe opmerkingen mis ik meer dan ik had verwacht.
Wij kennen Henk en Marijke sinds 1989. Theo werkte toen nog bij de gemeente, Henk zat bij een installatiebedrijf en Marijke en ik stonden allebei langs het voetbalveld bij onze jongens, die toen nog met veel te grote shirts aan rondrenden. Eerst gingen we eens samen op vakantie naar een stacaravan bij Ommen. Daarna kwam er een weekje Texel, later Frankrijk met twee auto’s en een dakkoffer die Henk altijd veel te vol propte.
We hebben ook de minder leuke dingen gedeeld. Toen Marijke haar moeder in een verpleeghuis kreeg, reed ik met haar mee om kleren uit te zoeken. Toen Theo in 2008 ineens zonder werk zat, heeft Henk hem wekenlang gebeld met tips en contacten, ook al kwam daar uiteindelijk niets uit. Bij ons thuis werd kerst soms gevierd, soms Pasen, maar zondagavond was eigenlijk het meest vaste van alles. Zondag rond vijf uur kwamen ze binnen. Koffie, borrel, eten, na het eten nog een klein glaasje voor de mannen. Soms ergerde ik me eraan dat ik altijd aan het koken was, dat wil ik ook eerlijk zeggen. Maar het hoorde bij het leven.
Tot Theo’s heup steeds slechter werd.
Hij heeft inmiddels een nieuwe heup, maar het herstel ging niet zoals we hoopten. Hij loopt binnenshuis zonder stok, buiten meestal met. Lang staan is moeilijk en na een drukke middag ligt hij de volgende dag bijna de hele ochtend op de bank. Hij is 67, geen 87, zegt hij dan kwaad, maar zijn lichaam trekt zich daar weinig van aan. Zelf heb ik last van mijn handen. Reuma, al klinkt dat zwaarder dan het volgens de huisarts nu is. Potjes opendraaien en een volle pan afgieten zijn alleen ineens van die dingen geworden waarvoor je moet plannen.
Henk en Marijke zijn allebei net gestopt met werken. Zij 65, hij 66. Ze hebben er jaren naar uitgekeken. Marijke werkte in het onderwijs en zei altijd dat ze na haar pensioen nooit meer een agenda wilde die door anderen werd bepaald. Henk heeft een knie die soms opspeelt, maar fietst nog zonder moeite tachtig kilometer als het mooi weer is.
Sinds januari zijn ze bijna voortdurend ergens mee bezig. Twee dagen per week helpen ze bij een voedselkast in de wijk. Marijke leest voor op een basisschool. Ze hebben een camper gehuurd om in mei drie weken naar Slovenië te gaan en in september willen ze wandelen in Noord-Spanje. Ik gun het ze echt. Ik meen dat. Als Marijke foto’s stuurt van haar en Henk op de fiets langs de Lek, kijk ik daar met plezier naar.
Maar ergens in februari zei Marijke aan onze keukentafel: “We moeten misschien een beetje anders naar de zondagen gaan kijken. Niet elke week meer zo’n hele middag en avond. We willen ook weleens spontaan weg kunnen, snap je?”
Ze zei het voorzichtig. Bijna te voorzichtig.
Theo zei meteen: “Natuurlijk. Jullie hoeven hier toch geen prikklok te hebben.”
Ik was degene die vroeg wat ze dan bedoelde.
“Nou, eens in de drie weken? Of gewoon afspreken als het uitkomt. Misschien ook vaker overdag koffie in plaats van altijd eten.” Ze keek naar haar handen toen ze dat zei. “Het is niet dat we jullie niet willen zien. Juist niet. Maar nu we eindelijk vrij zijn, willen we niet weer een vast rooster maken.”
Ik weet nog dat ik zei: “Nee, begrijp ik.” Terwijl ik het helemaal niet begreep. Of misschien begreep ik het juist te goed.
Voor Marijke was die zondag een verplichting geworden waar ze omheen moest plannen. Voor mij was het een van de laatste dingen die nog hetzelfde waren.
Ik had het ook anders kunnen aanpakken. Kunnen zeggen: prima, dan doen we soep en broodjes, dan hoeft niemand lang te blijven. Of: neem zelf iets mee, ik hoef echt niet uitgebreid te koken. Maar ik voelde me gekwetst en deed alsof ik vooral praktisch dacht. Ik zei dat het voor Theo juist fijn was om iets vasts te hebben, omdat hij doordeweeks weinig buiten kwam.
Dat was waar, maar het klonk ook alsof ik Marijke verantwoordelijk maakte voor zijn eenzaamheid.
Ze werd stil. Henk keek naar Theo, die naar zijn glas keek.
“Dat is wel veel druk op één zondag,” zei Henk uiteindelijk.
Daar schrok ik van, want hij had gelijk. Tegelijk dacht ik: en wat dan met alle zondagen waarop wij er voor jullie waren? Toen Marijke ziek was van de chemo, heb ik maanden gekookt. Niet omdat ik punten bijhield. Maar kennelijk hield ik toch ergens bij wat vriendschap kostte.
Sindsdien zien we elkaar minder. Niet dramatisch weinig. We zijn een keer koffie gaan drinken bij een tuincentrum. Henk kwam Theo ophalen om samen naar een wedstrijd van FC Utrecht te kijken, al was Theo na de eerste helft kapot. Marijke stuurde mij een berichtje vanuit Limburg met een foto van vlaai. Gewoon lief, eigenlijk.
Maar de zondag is verdwenen zonder dat iemand heeft gezegd: dit was de laatste.
Vorige week belde Marijke. Ze zei dat ze voelde dat ik afstandelijk deed en dat ze daar verdriet van had. Ik zei eerst dat het wel meeviel. Dat kinderachtige, automatisch ontkennen. Toen zei ik dat ik het moeilijk vond dat hun vrijheid blijkbaar begon op het moment dat ons leven kleiner werd.
Ze werd niet boos. Dat had misschien makkelijker geweest.
“Anja,” zei ze, “ik ben ook bang dat mijn leven kleiner wordt. Misschien niet nu, maar ik zie het bij jullie en ik denk: ik wil nog zoveel. Dat is niet tegen jullie. Maar ik kan niet doen alsof ik daar niet bang voor ben.”
Ik heb daar niets goeds op kunnen zeggen.
Want ik weet dat zij niet verantwoordelijk is voor onze toekomst. Henk en Marijke hebben geen belofte afgelegd dat ze hun pensioen zouden inrichten rond Theo’s heup en mijn stijve vingers. En toch voelt het alsof ze wegtrekken terwijl wij nog op dezelfde plek staan, met de deur open.
Aanstaande donderdag komen ze eten. Niet zondag, donderdag. Marijke neemt een quiche mee uit de supermarkt, heeft ze gezegd, en ik hoef niets bijzonders te maken. Theo vond dat eerst onzin. “Dan eten we toch gewoon wat we altijd eten?” Maar hij heeft gisteren zelf een zak voorgesneden groente gekocht.
Ik weet niet of donderdag gezellig wordt. Misschien praten we vooral over hun reis en over de nieuwe fysio van Theo. Misschien zeg ik alsnog iets verkeerds. Misschien zij ook.
Maar ik heb voor vier mensen koffie in huis gehaald. Dat deed ik zonder nadenken. En daarna heb ik de schaal voor de gratin achter in de kast gezet, omdat ik hem even niet wilde zien.