Mijn beste vrienden boekten een cruise voor ons en sindsdien voelt onze vriendschap ineens anders

De papieren van de cruise lagen op onze eettafel, nog in de witte envelop van het reisbureau. Els had er een pan met stamppot naast gezet, omdat we die avond eigenlijk alleen even de route wilden bekijken. Noorwegen, twaalf dagen, vertrek uit Rotterdam. Ik zag een foto van een balkonhut met twee ligstoelen en een glas wijn dat er waarschijnlijk al voor de folder was neergezet.

“Mooi hè,” zei Els voorzichtig.

Ik zei niets. Onder aan het papier stond bij kosten per persoon: betaald.

Dat woord bleef ik maar zien.

Henk en Marianne kennen we sinds 1983. We woonden toen allebei in een huurflat in Amersfoort, drie hoog zonder lift. Henk werkte bij een verzekeraar, ik reed op een bestelbus voor een groothandel in sanitair. Marianne en Els kregen ongeveer tegelijk onze kinderen. We aten om de beurt bij elkaar, pasten op als er een griepje was en gingen jarenlang met een caravan naar de Veluwe. Niet chic, wel leuk. Henk kon toen ook al beter met geld omgaan dan ik, dat moet ik eerlijk zeggen. Of misschien had hij gewoon meer geluk gehad.

Later maakte hij carrière. Marianne ging na een tijd weer werken en bleek heel goed in haar vak. Ze verhuisden naar een vrijstaand huis in Hoevelaken, gingen skiën, kochten uiteindelijk een appartement in Spanje. Ik gunde het ze echt. Nog steeds. Henk is geen opschepper en Marianne ook niet, al kan ze soms zonder nadenken vertellen over een restaurant waar je drie maanden van tevoren moet reserveren.

Bij ons ging het anders. Ik heb altijd gewerkt, Els ook, deels in de thuiszorg. Maar er waren jaren met een kapotte auto, studerende kinderen, mijn rug waardoor ik minder uren kon maken. Toen ik op mijn zestigste bij de groothandel weg moest vanwege een reorganisatie, hadden we geen grote buffer. We redden ons. We hebben een rijtjeshuis dat bijna is afbetaald, we hoeven niemand om geld te vragen en we letten gewoon op.

Daar was ik altijd trots op. Misschien te trots, achteraf.

Toen we met pensioen gingen, ontstond het idee om vaker samen weg te gaan. Eerst een midweek naar Limburg. Henk had een hotel met wellness gevonden. Els en ik wilden eigenlijk een appartementje in de buurt boeken, goedkoper en met een keukentje, maar Henk zei: “Joh, één keer niet op de kleintjes letten. Wij doen die kamers wel.”

We hebben toen ja gezegd. Dat was het begin, denk ik.

Het hotel was prachtig. Te zacht bed, veel te uitgebreid ontbijt, overal van die kleine potjes met bodylotion die je thuis dan toch in je toilettas stopt. Henk en Marianne waren oprecht blij dat we er waren. Alleen bij het afrekenen voelde ik het alweer. Henk tikte zijn pas tegen het apparaat voordat ik mijn portemonnee goed vast had.

“Volgende keer pakken wij de lunch,” zei ik.

“Ach, doe niet zo moeilijk,” zei hij lachend.

Dat bedoelde hij vriendelijk. Maar ik voelde me ineens alsof ik moeilijk wás.

Daarna gebeurde het vaker. Een diner in Utrecht, kaartjes voor een concert, een weekendje Antwerpen. Steeds waren er van die discussies die geen echte discussies mochten worden. Als ik zei dat iets boven ons budget lag, zei Marianne: “Maar dan regelen we dat toch?” Alsof geld een praktisch detail was, zoals wie er rijdt.

Els was daar rustiger in dan ik. Zij zei thuis: “Ze willen gewoon graag dingen met ons doen.”

“Dan kunnen ze toch dingen willen doen die wij ook kunnen betalen?” zei ik.

Dat klonk kinderachtig toen ik het uitsprak. Toch bleef het knagen.

In maart zaten we bij hen aan de keukentafel. Marianne had borrelhapjes gehaald van een zaak in het dorp, allemaal kleine dingen waar ik de naam niet van weet. Henk opende op zijn tablet een pagina van een rederij. Hij was enthousiast, bijna jongensachtig.

“Dit is hem,” zei hij. “Noorse fjorden, kleine havens, geen massagedoe. En we nemen balkonhutten, anders heb je er niks aan.”

Ik zag meteen het bedrag. Niet omdat ik alles wil uitrekenen, maar omdat ik al jaren automatisch prijzen zie. Els keek ook. Zij kneep heel even haar lippen op elkaar.

Ik zei dat het prachtig klonk, maar dat het voor ons echt niet haalbaar was. Misschien konden we kijken naar een kortere cruise, of later in het jaar iets met de trein.

Henk wuifde het weg. “Nee, nee. Deze doen we samen. Marianne en ik nemen jullie deel gewoon voor onze rekening. Klaar.”

Hij zei het alsof hij een slimme oplossing had gevonden voor een lekke band.

Ik weet dat hij het goed bedoelde. Dat maakt het ook zo lastig. Als hij hautain was geweest, had ik boos kunnen worden en naar huis kunnen gaan. Maar hij keek oprecht verbaasd toen ik zei dat ik dat niet wilde.

“Waarom niet? We hebben het ruim, jullie willen mee. Wat is dan het probleem?”

Ik kreeg mijn woorden niet goed achter elkaar. Dat ik niet mee wilde op een reis waarvoor iemand anders besliste dat wij die nodig hadden. Dat ik niet elke ochtend aan een ontbijtbuffet wilde staan met het gevoel dat ik dankbaar moest kijken. Dat ik Henk niet als mijn weldoener wilde zien, maar als mijn vriend.

Marianne zei toen: “Jan, we vragen er toch niets voor terug?”

En juist die zin kwam hard aan. Want natuurlijk vroegen ze niets terug. Alleen kon ik het niet terugdoen. Niet op dezelfde manier. Als wij een keer bij hen eten, neem ik een goede fles wijn mee van de slijterij. Zij trekken hem open en zeggen dat hij lekker is. Maar zo’n cruise kun je niet compenseren met een fles wijn en een bos tulpen.

Els zei weinig die avond. In de auto naar huis zei ze pas: “Je was wel erg fel.”

Dat was ik ook. Ik had gezegd dat ik geen project was. Henk werd daar rood van en zei dat hij me nooit zo had gezien. Misschien geloof ik hem. Maar waarom boekten ze het dan twee dagen later toch?

Niet eens met slechte bedoelingen. Marianne stuurde Els een foto van de bevestiging met drie blije poppetjes erachter. “Alles geregeld! Jullie hoeven alleen nog paspoorten te checken.”

Els belde me op mijn mobiel terwijl ik bij de bouwmarkt was voor kit. Ik stond tussen de schroeven en de tochtstrips en ik voelde mijn gezicht heet worden. Ik heb de rest van die middag niets gekocht.

Die avond hebben Els en ik ruzie gehad. Niet hard, niet met deuren slaan. Dat soort ruzie waarin je allebei steeds stiller wordt.

Zij wilde eigenlijk wel gaan. Niet omdat ze luxe belangrijk vindt, maar omdat ze bang is dat we Henk en Marianne kwijtraken. “We worden ouder, Jan. We hebben niet nog dertig jaar om koppig te zijn.”

Dat deed pijn, omdat ze gelijk kan hebben.

Ik zei dat ik best mee wil, maar alleen als we zelf betalen. Desnoods sparen we een jaar langer, desnoods nemen we een binnenhut of gaan we niet. Els vroeg of ik werkelijk liever thuis op de bank zit dan twaalf dagen met onze beste vrienden tussen de fjorden.

“Als ik daar alleen maar kan denken aan wie alles betaald heeft, ja,” zei ik.

We hebben Henk en Marianne uiteindelijk gebeld. Ik heb geprobeerd normaal te blijven. Ik zei dat we het ontzettend lief vonden, maar dat we niet mee konden onder deze voorwaarden. Henk werd stil. Marianne zei dat ze de boeking misschien nog kon aanpassen, maar haar stem klonk gekwetst. Alsof wij hun vriendschap wantrouwden.

Sindsdien appen we nog wel. Foto’s van kleinkinderen, een berichtje als iemand naar de huisarts moet. Maar het is anders. De cruise vertrekt over zes weken. Henk stuurde gisteren een foto van een regenjas die hij had gekocht voor aan dek. Ik heb er een duimpje onder gezet.

Els heeft de envelop inmiddels van tafel gehaald. De stamppotpan staat alweer gewoon in de kast.

Ik weet niet of ik straks spijt krijg als ik die boot op televisie zie uitvaren vanaf de Wilhelminapier. Misschien ben ik inderdaad te trots. Maar ik wil niet dat onze vriendschap verandert in iets waarbij zij bedenken wat voor ons mogelijk is, en wij alleen nog hoeven te verschijnen.