Na 37 jaar vriendschap wilde ik grenzen stellen, maar mijn vrouw hoorde alleen dat ik onze beste vrienden liet vallen

Vorige dinsdag stond ik om kwart over acht al met mijn jas aan in de gang, terwijl ik die ochtend eigenlijk met mijn vrouw Ingrid naar de markt in Gouda zou gaan. Gewoon even kibbeling halen, over de markt lopen, misschien ergens koffie. We hadden het er het hele weekend over gehad.

Toen belde Marjan.

Niet eens in paniek, al klonk ze wel alsof ze nauwelijks geslapen had. Henk was zijn afspraak bij de huisarts vergeten en zij kreeg hem niet uit bed. Of ik misschien even kon komen, want naar mij luisterde hij soms beter.

Ik zei ja voordat ik er goed over nadacht. Dat doe ik de laatste anderhalf jaar vaker.

Henk en Marjan kennen we sinds 1987. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Capelle, met kleine kinderen, weinig geld en van die tuinfeestjes waarbij iedereen zijn eigen vlees meenam. Henk hielp mij ooit drie zaterdagen met het leggen van een vloer. Ik heb Marjan gereden toen haar moeder in het ziekenhuis lag en zij zelf niet durfde. We vierden oud en nieuw samen, gingen kamperen in Frankrijk, waren getuigen bij elkaars tweede huwelijk – nou ja, niet letterlijk getuigen, maar je begrijpt wat ik bedoel. Je denkt op een gegeven moment niet meer in termen van vrienden. Ze horen gewoon bij je leven.

Juist daarom voelt dit zo lelijk.

Het begon toen Henk vorig jaar zijn baan bij het transportbedrijf kwijtraakte. Hij was 63, net te jong om rustig richting pensioen te gaan, te oud volgens hemzelf om nog ergens opnieuw te beginnen. Niet lang daarna kreeg Marjan gedoe met haar heup. Operatie, revalidatie, een traplift die maar niet geregeld werd omdat er steeds iets misging met de aanvraag. Hun dochter woont in Groningen en hun zoon heeft, eerlijk is eerlijk, altijd wel iets. Scheiding, schulden, een nieuwe baan, weer geen geld voor de trein.

Ingrid sprong er meteen in. Boodschappen, ziekenhuisritten, meegaan naar gesprekken waar Marjan zenuwachtig voor was. Eerst vond ik dat vanzelfsprekend. Henk zou hetzelfde voor mij doen, dacht ik. Misschien zou hij dat ook echt doen.

Maar het werd steeds meer.

Er ging bijna geen week voorbij zonder dat er iets was. De cv die het niet deed. Een formulier van de gemeente dat Henk niet begreep. Marjan die moest huilen omdat ze ruzie had met haar zus. Henk die een middag niet reageerde op berichten en dan bleek hij gewoon op de bank te hebben gezeten met de televisie aan, maar Marjan dacht meteen het ergste.

Ingrid is goed in zorgen. Te goed misschien. Zij zet haar eigen dingen opzij zonder daar veel woorden aan vuil te maken. Onze kleindochter had een optreden op school en Ingrid ging pas halverwege weg omdat Marjan belde dat ze zich duizelig voelde. Achteraf bleek het waarschijnlijk spanning te zijn, maar daar gaat het niet eens om. Ingrid stond al bij de voordeur met haar tas.

Ik ben een paar keer meegegaan, maar ik merkte dat ik er steeds chagrijniger van werd. En daar schaam ik me voor. Henk zat dan in zijn stoel, mopperend op alles en iedereen, en als ik voorzichtig zei dat hij misschien zelf de huisartspraktijk kon bellen, keek hij me aan alsof ik hem iets onmogelijks vroeg.

‘Jij bent toch altijd handig met dat soort dingen?’ zei hij dan.

Ik ben helemaal niet handig met dat soort dingen. Ik heb alleen ooit op kantoor gewerkt en ik lees brieven voordat ik ze weggooi.

Twee weken geleden zei ik tegen Ingrid dat het zo niet verder kon. We zaten aan de keukentafel. Zij was lijstjes aan het maken: medicijnen ophalen voor Marjan, donderdag met Henk naar het UWV in Rotterdam, zaterdag hun koelkast schoonmaken omdat Marjan niet kon bukken.

Ik zei: ‘We moeten afspreken dat we niet meer overal meteen op springen.’

Ze keek niet eens meteen op. ‘Wat bedoel je precies?’

‘Dat ze ook andere hulp moeten regelen. Hun kinderen. De thuiszorg als dat nodig is. De huisarts. Iets. Wij zijn geen achterwacht die dag en nacht klaarstaat.’

Toen keek ze wel op. Haar gezicht veranderde niet heel erg, maar ik ken haar. Ze werd stil op die manier waarop ze al besloten heeft dat ik iets pijnlijks heb gezegd.

‘Ze hebben bijna niemand, Paul.’

‘Ze hebben ons. Dat is nou juist het probleem.’

Dat had ik niet zo moeten zeggen. Of misschien wel, maar niet op die toon. Ingrid deed haar pen neer en vroeg of ik werkelijk vond dat we Henk en Marjan moesten laten zitten nu ze op hun kwetsbaarst waren.

Ik zei dat grenzen stellen niet hetzelfde was als laten zitten. Maar eerlijk gezegd wist ik toen al dat die woorden nogal netjes klinken als je ze zelf uitspreekt. Voor haar klonk het kennelijk als: zoek het maar uit.

Sindsdien praten we er steeds omheen. Ingrid gaat nog steeds. Ik doe soms alsof ik een afspraak heb, of ik ga fietsen. Dat is laf, weet ik. Tegelijkertijd krijg ik al een knoop in mijn maag als mijn telefoon gaat en ik Henk zijn naam zie.

Vorige week belde hij zelf. Hij vroeg niet hoe het met ons ging. Hij zei meteen dat Marjan het moeilijk had en dat Ingrid misschien wat vaker langs kon komen, ‘want jij begrijpt ook wel dat ze zich aan haar vastklampt’. Ik hoorde mezelf zeggen dat we daar even over moesten nadenken.

Er viel een stilte die veel langer voelde dan hij was.

‘O,’ zei Henk uiteindelijk. ‘Zo zitten jullie er dus in.’

Ik wilde uitleggen dat het niet zo simpel was. Dat ik hem niet afschreef. Dat ik bang was dat Ingrid en ik straks alleen nog maar over hun problemen praatten, zelfs als we in bed lagen. Maar ik zei niets. Ik wist ook niet of ik mezelf geloofde als ik zei dat ik nog ruimte had.

Gisteren kwam Ingrid thuis van Marjan. Ze had rode ogen, maar ze zei dat ze moe was. Pas tijdens het eten vertelde ze dat Marjan bang is dat wij afstand nemen. Henk had blijkbaar gezegd dat ik er genoeg van had.

‘Dat heb ik niet zo gezegd,’ zei ik.

‘Nee,’ zei Ingrid. ‘Maar je voelt het wel zo.’

Daar kon ik weinig tegenin brengen.

We hebben afgesproken dat we zondag bij hen gaan eten. Ingrid wil samen kijken wat er echt nodig is en wat anderen kunnen overnemen. Ik heb gezegd dat ik mee wil, maar dat ik niet wil doen alsof alles bij het oude blijft. Alleen al die afspraak maakt me gespannen. Alsof we niet gewoon vier mensen aan tafel zijn, maar dat ik moet uitleggen waarom ik niet langer elke noodkreet kan opvangen.

Vanmorgen heeft Ingrid de markt alsnog genoemd. Misschien gaan we zaterdag. Ze zei het terloops, terwijl ze de vaatwasser uitruimde.

Ik zei: ‘Als er niets tussenkomt.’

Ze keek me even aan. Niet boos. Eerder verdrietig, denk ik.

Daarna vroeg ze of ik koffie wilde. En ik zei ja.