Na 28 zomers in Frankrijk wil mijn vrouw niet meer mee zolang wij vrouwen de vakantie laten draaien
Ik ben 64 en ik kan me de zomer bijna niet voorstellen zonder onze week in de Dordogne. Acht stellen, tegenwoordig meestal veertien mensen omdat Wim en Els sinds vorig jaar afhaken wegens zijn heup. Een groot oud huis, zwembad dat altijd net te koud is, een lange tafel onder een afdak en elke ochtend verse croissants uit het dorp.
We doen dit al sinds 1996. Eerst met kleine kinderen die in opblaasbanden dreven en overal zonnebrandvlekken achterlieten, later met pubers die te hard met deuren sloegen, en nu zonder kinderen. Onze dochters zeggen weleens dat we een soort zomerkamp voor grijze mensen zijn geworden. Ik vind dat niet eens beledigend.
Dit jaar is het misgegaan om een schema. Of eigenlijk: om alles wat er blijkbaar achter zo’n schema zit.
Mijn vrouw, Marjan, heeft altijd de boodschappenlijst gedaan met Lian en Petra. De mannen gingen dan naar de markt voor wijn, kaas en dingen die we niet nodig hadden. Dat was een traditie op zichzelf. Daarna zaten we op een terras en kwamen we een uur later terug met drie kratten rosé, een eend die niemand had besteld en veel te weinig wc-papier.
Marjan en de andere vrouwen regelden vervolgens de rest wel. Ontbijtspullen, handdoeken wassen, bedden verschonen als er weer eens een kind of kleinkind een paar dagen kwam, koken, afruimen. Niet voortdurend allemaal tegelijk, maar het kwam toch meestal bij hen terecht. Ik kookte ook wel eens. Dan maakte ik op woensdag pasta voor iedereen en kreeg ik daar complimenten voor alsof ik een sterrenchef was.
Als ik dit zo opschrijf, schaam ik me er een beetje voor. Toen zag ik het anders. Ik dacht: iedereen doet waar hij of zij goed in is. Marjan is praktisch. Zij vindt het fijn als dingen lopen. Ik ben juist beter in… nou ja. Ik zorgde voor de barbecue. En voor de route naar een kanoverhuur die uiteindelijk dicht bleek.
In januari stuurde Koos, die altijd het huis boekt, een bericht in onze WhatsApp-groep: ‘Dordogne is vastgelegd! Zelfde weken als vorig jaar. Zin in!’ Daar kwamen meteen van die duimpjes en flesjes wijn onder. Marjan reageerde pas de volgende ochtend.
Ze schreef dat ze graag vooraf duidelijke afspraken wilde maken over de verdeling van koken, boodschappen, schoonmaak en de was. Iedereen zou aan de beurt komen, schreef ze, ook de mannen. Ze had zelfs een conceptrooster bijgevoegd.
Ik weet nog dat ik aan de keukentafel zat met mijn telefoon en dacht: jeetje, Marjan. Moet dat nou zo?
Niet omdat ik vond dat ze ongelijk had. Tenminste, dat zei ik later tegen haar. Maar ik voelde meteen onrust. Die groep is voor mij iets eenvoudigs. Met Theo vis ik al veertig jaar. Koos was getuige toen wij trouwden. Met de meesten heb ik mijn hele werkende leven op zaterdagen geklust, gevoetbald of aan de bar van de kantine gestaan. Je wilt niet dat er een Excel-achtige discussie ontstaat over wie de vuilniszak buiten zet.
De reacties kwamen druppelsgewijs. Petra schreef dat ze het ‘een goed punt’ vond, maar dat ze ook geen militaire operatie wilde op vakantie. Lian stuurde Marjan apart een bericht, dat weet ik omdat Marjan het me liet lezen. Ze schreef dat ze Marjan begreep, maar dat haar Henk echt niet ging koken en dat ze geen zin had in gedoe.
Toen kwam Theo in de groepsapp met: ‘Mensen, laten we de sfeer niet kapot organiseren. We zijn daar om te ontspannen.’
Dat bericht kreeg negen lachende gezichtjes.
Marjan legde haar telefoon neer en zei niets. Ze was die avond opvallend rustig. Ze vouwde de was op, keek ondertussen naar een programma waar ik niet naar keek, en vroeg pas in bed of ik haar eigenlijk belachelijk vond.
Ik zei: ‘Nee, maar het is toch zonde als iedereen nu met tegenzin gaat?’
Ze draaide zich naar me toe. ‘Iedereen?’
Daar had ik geen goed antwoord op.
Ze vertelde dat ze vorig jaar op de voorlaatste avond om half één nog de keuken had gedweild. Niet omdat iemand haar dat had opgedragen, maar omdat er de volgende ochtend om negen uur vertrek was en het huis schoon opgeleverd moest worden. Ik lag toen al in bed. De volgende ochtend had ik tegen Koos gezegd dat de dames het weer keurig voor elkaar hadden.
‘En jullie zaten buiten nog een laatste sigaar te roken,’ zei ze.
Ik herinnerde me dat ineens wel. Theo die zei dat dit het echte vakantiegevoel was. Wij allemaal met onze voeten op de stoelen. Binnen hoorde ik iets vallen, bestek misschien. Ik ben niet opgestaan.
Dat was het nare: ik had het niet bewust oneerlijk gevonden. Ik had het gewoon niet hoeven zien.
Een week later gingen we bij Koos en Anja eten, zogenaamd om de vakantie door te nemen. Anja had saté gemaakt en Marjan hielp haar automatisch nog met de borden, totdat ze zichzelf inhield en weer ging zitten. Het was ongemakkelijk genoeg dat ik er misselijk van werd.
Koos zei dat hij geen vakantie wilde waarin mannen opdrachten kregen. Theo zei: ‘Als je zo begint, kun je straks ook nog punten geven.’ Daar werd om gelachen, zelfs ik lachte kort mee. Dat deed ik uit gewoonte, denk ik.
Marjan zei dat niemand punten hoefde te geven. Ze wilde alleen niet meer standaard verantwoordelijk zijn omdat ze vrouw was en omdat ze het vroeger nooit hardop had tegengesproken.
Toen keek Theo mij aan. Niet agressief, meer alsof hij een bondgenoot verwachtte.
‘Jij begrijpt toch wel dat dit niet werkt, Bas? Dit is al bijna dertig jaar onze week.’
Ik voelde dat iedereen wachtte. Marjan keek niet naar mij. Ze keek naar haar glas water en draaide dat langzaam rond op tafel.
Ik heb gezegd dat ik begrijp dat veranderingen lastig zijn, maar dat ik ook begrijp dat Marjan dit niet meer wil. Het klonk laf, half-half. Misschien was het dat ook.
Koos zei daarna dat zij wel meegingen, met of zonder rooster. En dat hij het jammer vond als wij ons door zoiets buitenspel zetten. ‘Maar je kunt een hele club niet gijzelen omdat jij ineens een principe ontdekt,’ zei hij tegen Marjan.
Ze werd rood, maar ze schreeuwde niet. Ze zei alleen: ‘Ik heb dit principe niet ineens ontdekt. Ik ben alleen klaar met doen alsof ik het niet heb.’
Op de terugweg zei ik dat Koos dat niet zo had moeten formuleren. Marjan keek uit het raam en zei: ‘Jij vindt vooral dat hij het niet hardop had moeten zeggen.’
Dat kwam aan.
De vakantie is over vier maanden. Koos heeft mij vorige week gebeld. Hij vroeg of ik niet gewoon alleen mee wilde gaan, desnoods met een paar dagen later aansluiten. ‘Even onder ons,’ zei hij, ‘we laten toch niet alles vallen om een afwasrooster?’
Ik heb gezegd dat ik erover nadenk. Dat is eerlijk, en juist daarom voelt het zo beroerd.
Marjan heeft inmiddels een huisje in Zeeland gevonden voor diezelfde week. Klein, geen zwembad, waarschijnlijk regen en wind. Ze heeft nog niet geboekt. Ik ook niet voor Frankrijk.
Gisteravond stond ik de vaatwasser in te ruimen. Marjan droogde af. Normaal zouden we dat zwijgend en snel doen. Nu vroeg ze ineens of ik nog met Koos had gesproken. Ik zei ja.
Ze knikte alleen en pakte een pan van me aan.
Daar stonden we, met z’n tweeën in onze eigen keuken, en ik dacht aan die lange tafel in Frankrijk. Voor het eerst miste ik hem terwijl ik er nog niet eens was geweest.