Na veertig jaar vaste etentjes voelt onze vriendengroep ineens niet meer als vanzelfsprekend

Ik mis het geluid van zes mensen die tegelijk proberen op te staan van onze te kleine eettafel.

Dat klinkt misschien belachelijk, maar jarenlang was dat voor mij het einde van een geslaagde avond. Stoelen die over de houten vloer schuren, iemand die nog roept dat hij echt geen koffie meer wil en dan toch een koffie neemt, Bert die zijn sjaal kwijt is terwijl die gewoon over de kapstok hangt. We deden het al sinds 1985, eerst met jonge kinderen onder de tafel en goedkope spaghetti, later met betere wijn en discussies over verbouwingen, scheidingen van kennissen, pensioenen en knieën.

Elke maand, op de eerste zaterdag. Wij, Bert en ik, en onze vrienden Marianne en Koos, Els en Ruud, en Hanneke en Frank. Niet altijd precies op de eerste zaterdag, want er waren vakanties en ziekenhuizen en kleinkinderen, maar het was een vast ding in ons leven. Iets waar je niet over hoefde na te denken. De ene keer kookte je uitgebreid, de andere keer haalde je een mooie kaasplank bij de markt. Niemand hield precies bij wie wat betaalde. Als Els een keer een dure fles Barolo meenam, zette Ruud de maand erna iets belachelijk groots op tafel.

Toen Bert met pensioen ging, twee jaar geleden nu, werd hij eerst rustiger. Hij had veertig jaar bij de gemeente gewerkt, veel achter een bureau, altijd netjes in zijn overhemd. Ineens ging hij op dinsdagmiddag naar de kringloop, las boeken over bodemuitputting en luisterde naar podcasts waar ik eerlijk gezegd na vijf minuten al genoeg van had.

Hij viel af, stopte met vlees en verkocht zijn motor. Daarna kwam het grote opruimen. De logeerkamer werd leeg, de servieskast ging grotendeels weg, zelfs de oude zilveren schaal van zijn moeder wilde hij naar de kringloop brengen. Daar heb ik wel een grens getrokken. Niet omdat ik ooit iets met die schaal deed, maar omdat ik niet wilde dat alles wat oud was ineens als ballast werd gezien.

Ik vond veel van zijn verandering ook mooi. Hij liep meer buiten, sliep beter en kon weer enthousiast zijn over iets kleins. Over een brood dat hij zelf had gebakken bijvoorbeeld. Dat was lang geleden bij Bert. Hij was na zijn werk meestal moe, met de krant op schoot, een beetje afwezig.

De eerste keer dat de groep bij ons kwam nadat hij zo was veranderd, had ik niet door dat het anders zou lopen.

Bert had een grote pan bonenstoof gemaakt, met knolselderij, boerenkool en iets wat hij gefermenteerd had in een weckpot. Het rook zurig, maar het smaakte uiteindelijk best goed. Hij had ook gezegd dat hij geen wijn meer wilde kopen, omdat de productie en het transport volgens hem niet te verantwoorden waren. In plaats daarvan stond er zelfgemaakte vlierbloesemsiroop op tafel en bier van een lokale brouwerij.

Koos nam, zoals altijd, twee flessen wijn mee.

Bert zei meteen bij de voordeur: “Dat had echt niet gehoeven. Sterker nog, ik drink het liever niet in huis.”

Koos lachte eerst, want hij dacht dat Bert een grap maakte. Maar Bert pakte de flessen niet aan. Er ontstond zo’n stil moment waarin iedereen opeens heel druk naar zijn jas of tas kijkt.

Later die avond probeerde Marianne het nog luchtig te maken. Ze zei dat zij best een wijntje lustte bij de bonenstoof. Bert zei dat hij niemand wilde voorschrijven wat die thuis deed, maar dat hij niet mee wilde werken aan verspilling en luxeconsumptie in zijn eigen huis.

Ik zag Marianne knikken, maar haar mond werd dun. Zij had die wijn uitgezocht omdat ze wist dat Ruud die lekker vond. Het was een klein gebaar geweest. En Bert maakte er, zonder zijn stem te verheffen, iets ongemakkelijks van.

Na die avond belde Els mij. Niet om te klagen, zei ze nadrukkelijk. Ze wilde alleen weten of Bert het wel aankon, dat pensioen. Of hij misschien somber was. Ik werd daar boos om, veel bozer dan nodig. Ik zei dat iemand die minder koopt en bewuster leeft niet meteen een probleem heeft.

“Dat zeg ik ook niet,” zei Els. “Maar hij kijkt ons aan alsof wij slechte mensen zijn omdat we een stukje zalm eten.”

Daar had ik geen antwoord op.

De maanden erna werden de etentjes steeds meer een gedoe. Als wij aan de beurt waren, maakte Bert vooraf een bericht in de appgroep: graag geen cadeaus, geen bloemen die ingevlogen zijn, geen vlees, geen producten met onnodige verpakking. Een keer schreef hij erbij dat hij liever niet wilde dat mensen met de auto kwamen als ze ook konden fietsen. Frank woont in Amersfoort. Hij heeft artrose en komt normaal gesproken gewoon met de auto.

Ik zei tegen Bert dat die berichten misschien wat vriendelijker konden.

“Waarom moet ik vriendelijk doen over dingen die niet vriendelijk zijn voor de wereld?” vroeg hij.

Dat was typisch Bert op dat moment. Alsof ik hem vroeg om te liegen, terwijl ik alleen bedoelde dat je mensen ook kunt uitnodigen zonder ze al bij voorbaat op hun vingers te tikken.

De anderen begonnen vaker aan te bieden om het bij hen te doen. Eerst vond ik dat niet erg. Eerlijk gezegd was ik soms opgelucht. Bij Marianne aten we weer eens coquilles, bij Hanneke een stoofpot met rundvlees. Bert at dan brood en salade en zei dat hij het prima vond. Maar hij zat er anders bij. Afgesloten. Hij keek naar de borden alsof er iets vies op lag.

Op weg naar huis zei hij dan dat de groep blijkbaar alleen gezellig kon zijn als er luxe eten en drank bij kwam kijken.

Ik zei een keer, veel te scherp: “Misschien kunnen zij alleen niet gezellig zijn als ze zich de hele avond beoordeeld voelen.”

Daar hebben we drie dagen nauwelijks over gepraat.

Vorige maand kwam het voorstel in de groepsapp. Ruud had een restaurant gevonden net buiten Utrecht, met een wisselend menu en ook vegetarische opties. Hij schreef dat het misschien praktisch was om voortaan gewoon elke maand daar of ergens vergelijkbaars af te spreken. Dan hoefde niemand zich uit te sloven en kon iedereen eten wat hij wilde.

Het bericht was vriendelijk geformuleerd. Bijna té vriendelijk. Er stonden zelfs van die glimlachende emoji’s bij.

Bert las het aan de keukentafel. Hij zei niets, legde zijn telefoon neer en ging buiten de kliko’s schoonmaken. Het regende zacht. Ik keek vanuit het raam hoe hij daar stond, met zijn oude regenjas aan, veel langer dan nodig bij die blauwe bak.

Die avond zei hij: “Ze willen dus niet meer bij ons komen. Zeg dat dan gewoon.”

Ik probeerde uit te leggen dat het restaurant ook voor hem juist makkelijker kon zijn. Hij kon vegetarisch kiezen, hij hoefde niet te koken en niemand hoefde thuis compromissen te sluiten.

“Nee,” zei hij. “Dan hoeft niemand rekening te houden met wat ik belangrijk vind. Dat is wat ze willen.”

En misschien had hij daar deels gelijk in. Misschien willen ze inderdaad niet elke maand rekening houden met wat hij belangrijk vindt. Maar ik weet niet of dat hetzelfde is als hem afwijzen.

Ik heb de appgroep nog niets teruggestuurd. Bert ook niet. Gisteren belde Marianne om te vragen of alles goed was. Ik zei dat ik terug zou bellen, omdat Bert in de kamer zat. Dat was laf. Ik ben 64 jaar en ik doe alsof ik stiekem moet telefoneren.

Vanmiddag gaan we naar dat restaurant om te kijken of het iets is. Bert heeft gezegd dat hij meegaat, maar alleen om niet de indruk te wekken dat hij zich laat wegduwen. Ik weet niet wat ik daar precies van moet vinden.

Ik heb alvast mijn nette blouse gestreken. Diezelfde donkerblauwe die ik vroeger ook aantrok als wij aan de beurt waren. In de kast hangt nog een tafelkleed dat we bijna nooit meer gebruiken, omdat Bert vindt dat een kale tafel eerlijker is. Ik heb het er toch even uitgehaald. Daarna heb ik het weer teruggelegd.