Mijn man heeft mijn bijentuin strak gesnoeid terwijl ik weg was, en nu is onze voortuin in tweeën verdeeld
Ik wist dat Henk mijn nieuwe voortuin niet mooi vond. Dat zag ik al toen de eerste planten werden bezorgd en hij met zijn armen over elkaar in de deuropening stond. Drie kratten met vaste planten, een paar zakken biologische tuinaarde en een lange, dunne doos waar de hazelaar in zat.
Hij zei toen nog: „Dat wordt wel heel wat anders dan gras.”
Alsof hij het over het weer had. Maar ik ken hem inmiddels 38 jaar. Hij bedoelde: ik vind dit niks.
Ons rijtjeshuis staat in Amersfoort, in een wijk uit de jaren tachtig waar de meeste voortuinen nog ongeveer hetzelfde zijn. Een strook gras, een paar tegels naar de voordeur, misschien een buxushaagje. Henk heeft ons gazon vanaf het begin onderhouden alsof het bij een landgoed hoorde. Hij maaide het op vaste dagen, stak de kantjes recht af en haalde elk blaadje weg zodra de herfst begon. Zelfs toen hij nog bij de gemeente werkte en om half zes de deur uit moest, liep hij op zaterdag eerst met de grasmaaier naar buiten.
Ik vond het altijd prima. Echt. Ik zat ook niet te wachten op gedoe met een tuin. Met twee kinderen, werk in de thuiszorg en later mijn moeder die steeds meer hulp nodig had, was ik vooral blij als er geen onkruid tussen de tegels stond.
Maar sinds we allebei met pensioen zijn, kijk ik anders naar dingen. Misschien omdat de tijd ineens niet meer zo vol zit. Misschien ook omdat ik steeds vaker lees over insecten die verdwijnen, over hitte in steden en tuinen die eigenlijk alleen maar steen of kort gemaaid gras zijn. Bij de volkstuinvereniging hier in de buurt ging ik een keer mee met een lezing over inheemse planten. Daarna ben ik blijven hangen bij een vrouw die vertelde dat haar tuin in juni helemaal zoemde.
Dat beeld bleef bij me. Niet eens omdat ik ineens een soort natuurmens ben geworden. Ik wilde gewoon iets maken dat leeft.
Ik heb er maanden over gepraat. Of nou ja, gepraat: ik begon erover, Henk zei dat hij het wel moest zien, en vervolgens veranderde hij van onderwerp. Ik liet foto’s zien van prairietuinen en van geveltuinen in Utrecht. Hij knikte soms. Een keer zei hij dat het hem allemaal wat rommelig leek. Ik hoorde vooral: als jij dat wilt, doe maar.
Achteraf denk ik dat ik te graag toestemming heb willen horen.
In april heb ik het gras laten verwijderen. Niet door een hovenier, dat vond Henk onzin van het geld, dus we hebben het samen gedaan. Nou ja, hij heeft vooral de zoden losgestoken en ik heb ze in stukken naar de aanhanger van mijn broer gesjouwd. Hij mopperde flink die dag, maar hij hielp wel. Daarom dacht ik oprecht dat hij zich erbij had neergelegd.
Ik heb duizendblad geplant, beemdkroon, wilde marjolein, kattenkruid, salie en een paar lage struikjes. Niet alles sloeg meteen aan. De eerste weken zag het er eerlijk gezegd kaal en nogal zielig uit. De buurvrouw van nummer 14 vroeg of we onze tuin aan het renoveren waren. Toen ik vertelde wat het idee was, zei ze: „O, leuk hoor,” op zo’n toon waarvan je niet weet of ze dat ook echt vindt.
Henk hoorde dat. Die avond zei hij tijdens het eten dat mensen best wel zullen denken dat we geen zin meer hebben in onderhoud.
Ik zei dat mensen altijd wel iets denken.
„Ja, maar we wonen hier niet alleen, Marjan.”
Dat raakte me meer dan ik toen wilde toegeven. Alsof ik met een kruiwagen afval in de voortuin wilde storten. Het ging om bloemen. Om planten. Om een tuin die misschien niet strak is, maar ook niet onverzorgd.
De echte ruzie begon vorige maand, toen ik een middag met mijn zus naar Zwolle was geweest. We zouden daar winkelen, wat lunchen en daarna naar haar kleindochter kijken bij een dansvoorstelling. Ik kwam pas tegen zessen thuis. Ik zette mijn fiets in de schuur en zag het meteen vanaf het pad.
De kattenkruid was aan beide kanten afgeknipt tot lage halve bolletjes. De wilde marjolein was kortgeschoren. Van de hazelaar waren de onderste takken helemaal weg, zodat hij ineens op een zielig boompje op stam leek. De planten waren niet dood, maar wat ik juist mooi vond, dat losse en volle, was weg.
Henk stond binnen aardappels af te gieten.
Ik vroeg of hij in de tuin bezig was geweest, terwijl ik het antwoord al wist.
Hij keek niet eens meteen op. „Ik heb het een beetje bijgewerkt.”
Ik voelde mezelf warm worden. Niet alleen boos. Ook vernederd, geloof ik. Alsof ik een tekening had opgehangen en hij er met een rode pen overheen was gegaan omdat de lijnen hem niet bevielen.
„Je hebt mijn planten afgeknipt.”
„Onze planten,” zei hij. „En ze groeien terug. Het was gewoon één grote bende aan het worden.”
Daarna ging het snel. Ik zei dat hij nooit luistert. Hij zei dat ik alles doordruk sinds hij thuis is. Dat vond ik laag, omdat hij bedoelde dat ik tegenwoordig overal plannen voor heb: de tuin, minder vlees eten, zonnepanelen waar we nog steeds over twijfelen, de regenton. Maar misschien zat er ook iets in. Ik ben na mijn pensionering inderdaad onrustig geweest. Alsof ik moest bewijzen dat ik nog ergens naartoe kon.
Hij zei dat die tuin dertig jaar zijn trots was geweest. Ik zei dat ik ook dertig jaar in dat huis had gewoond en niet alleen maar toestemming hoefde te vragen voor iets waar hij geen zin in had.
We hebben die avond bijna niets gegeten. De aardappels werden koud. Hij sliep beneden op de bank, wat hij volgens mij vooral deed omdat hij geen zin had in mijn gezicht.
Sindsdien hebben we de voortuin letterlijk verdeeld. Links van het pad staat mijn stuk, met een klein houten bordje erbij waarop ik voor de grap „insectenbuffet” had geschreven. Dat bordje vindt Henk kinderachtig, dus daar zijn we ook nog over begonnen. Rechts heeft hij opnieuw gras ingezaaid. Het groeit inmiddels behoorlijk netjes. Hij houdt een scherpe lijn langs het pad aan, bijna op de millimeter.
Soms zie ik hem naar mijn kant kijken terwijl hij met de tuinslang bezig is. Niet gemeen, meer alsof hij probeert te begrijpen waarom ik dit mooi kan vinden. En ik zie ook wel dat zijn stuk er verzorgd uitziet. Ik kan niet doen alsof het me niets zegt; vroeger gaf die orde mij ook rust.
Maar ik ben bang dat we nu elk meningsverschil zo gaan oplossen. Jij jouw helft, ik de mijne. Niet alleen in de tuin. Hij is de laatste tijd stiller, vooral als het over plannen voor de komende jaren gaat. Verhuizen willen we allebei niet, maar we weten ook dat dit huis ooit misschien te groot wordt. Hij zegt dan: „Dat zien we dan wel.” Ik wil dingen juist bespreken voordat ze ons overkomen.
Afgelopen zondag kwam er een hommel op de salie zitten. Zo’n grote, dikke, die helemaal onder het stuifmeel zat. Henk stond met zijn koffiekopje achter het raam. Ik zag hem kijken.
„Daar doe je het dus voor,” zei hij later, zonder dat ik wist of hij het als kritiek bedoelde.
„Onder andere,” zei ik.
Hij knikte alleen en ging vervolgens naar buiten om een verdwaald blad van zijn gras te rapen.
Morgen ga ik een paar plantjes verplaatsen, omdat ze te dicht op elkaar staan. Ik heb hem vanavond alvast gezegd dat ik dat ga doen. Hij zei: „Prima.” Meer niet.
Ik weet niet of dat vooruitgang is, maar ik probeer het maar zo te zien.