Na veertig jaar vriendschap voelde onze jubileumreis ineens als iets waarvoor we ons moesten schamen

De appgroep heet nog steeds ‘De Vier Musketiers’, met zo’n oud plaatje van vier wijnflessen met kerstmutsen. Irene wilde hem laatst hernoemen, half als grap. Ik zei dat ze dat niet moest doen. Niet omdat ik zo gehecht ben aan die naam, maar omdat het dan ineens echt zou zijn dat het niet meer hetzelfde is.

Henk en Marja kennen we sinds 1984. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, in van die huizen waar nog geen boom hoger was dan een lantarenpaal. Onze kinderen speelden samen op straat. We hebben elkaars verhuizingen gedaan, op elkaars katten gepast, bij elkaar aan tafel gezeten na begrafenissen en scheidingen in de familie. Niet dat we alles altijd prachtig deden. Henk kon al veertig jaar zeuren over parkeerplaatsen en Marja had de gewoonte om tijdens een etentje ineens te vertellen wat iets gekost had. Maar het hoorde bij hen.

Elke woensdag aten we om de beurt bij elkaar. Soms gewoon stamppot, soms pasta en een fles wijn die nét iets te duur was voor door de week. In september gingen we meestal een week weg. Eerst met de kinderen in een stacaravan in Frankrijk, later naar Italië, Oostenrijk, een keer Portugal. De laatste jaren huurden we vaak een huisje, niet te afgelegen, wel met een goed bed. Dat werd belangrijker naarmate we ouder werden, merk ik.

Toen Henk twee jaar geleden met pensioen ging bij de gemeente, veranderde er iets. Eerst vond ik het eerlijk gezegd bewonderenswaardig. Hij las van alles over klimaat, afval en kledingindustrie. Marja deed mee, misschien nog fanatieker. Ze verkochten hun tweede auto. Prima. Ze namen een moestuincomplex. Ook prima. Ze gingen minder vlees eten. Daar had ik zelfs wel respect voor, want Henk was vroeger iemand die bij de slager zei: ‘Doe maar een flinke lap.’

Maar op een gegeven moment kon niks meer gewoon zijn.

Als Irene een kaasje op tafel zette, kwam er een verhaal over waterverbruik. Als ik vertelde dat we een nieuwe droger hadden gekocht omdat de oude het begaf, vroeg Henk waarom we hem niet hadden laten repareren. Toen Irene een nieuwe jas aanhad, keek Marja eerst naar het label in haar nek voordat ze zei dat hij haar mooi stond.

Het waren nooit schreeuwpartijen. Eerder van die opmerkingen waar je niet meteen op reageert, omdat je denkt: laat maar. Maar je neemt ze wel mee naar huis.

Irene zei op een avond in bed: ‘Ik voel me na woensdagavond altijd alsof ik een toets niet heb gehaald.’

Ik lachte toen nog een beetje. Ik zei dat ze zich niet zo moest aantrekken wat Marja vond. Maar ik kende het gevoel ook. Vooral omdat Henk het bracht alsof hij ons een dienst bewees.

“Je hoeft je niet aangevallen te voelen,” zei hij eens, toen ik er iets van zei. “Maar jullie zijn gewoon nog niet zo ver als wij waren.”

Dat was precies het soort zin waar ik een hekel aan heb. Alsof je ergens op een trap staat en hij een paar treden hoger. Henk, die vroeger drie keer per week met zijn diesel naar kantoor reed omdat hij een hekel had aan de trein.

Voor ons veertigjarig vriendschapsjubileum hadden we vorig voorjaar iets groters bedacht: tien dagen met z’n vieren naar de Elzas. Niet luxe-luxe, maar een fijn appartement in een oud dorpje, met een balkon en een zwembad. We zouden met onze hybride auto gaan, omdat de trein voor Marja’s knie en onze bagage gewoon onhandig was. Ik had er echt zin in. Even geen gedoe, wandelen, een marktje, ’s avonds buiten eten. Gewoon samen zoals we dat al jaren deden.

Henk reageerde eerst niet op de link die ik in de appgroep stuurde. Drie dagen later belde hij.

Hij zei dat ze er lang over hadden nagedacht en dat ze niet meer wilden vliegen of met de auto zo ver op vakantie. Ik zei: ‘Maar we vliegen niet. We rijden.’

Toen kwam het hele verhaal. Over uitstoot, over toerisme, over dat zo’n zwembad in Zuid-Frankrijk eigenlijk niet meer kon, hoewel de Elzas niet eens Zuid-Frankrijk is. Hij stelde voor om in plaats daarvan een week in een natuurkampeerterrein in Drenthe te doen. Zonder stroom op de plek, met composttoiletten en koken op een brandertje. Hij had al een website doorgestuurd.

Ik dacht dat hij een grap maakte.

Irene heeft reuma in haar handen en heupen. Ze kan best wandelen, maar slapen op een matje is voor haar geen vakantie. Ik slaap zelf sinds mijn hernia-operatie ook liever niet meer in iets dat lager ligt dan een normale stoel.

Ik zei dat gewoon. Rustig, volgens mij. Henk werd stil en zei toen: ‘Dat is nou precies het probleem. Comfort is altijd het argument.’

Daar werd ik kwaad van. Niet meteen hard, maar zo’n koude kwaadheid. Ik zei dat we niet zestien waren en ook niet op survival hoefden om een goed mens te zijn. Dat wij thuis afval scheiden, niet elke maand naar de andere kant van de wereld vliegen en heus wel nadenken. Maar dat ik na veertig jaar werken niet door mijn beste vriend de maat genomen wilde worden omdat ik graag een fatsoenlijk bed en een glaasje crémant op vakantie wil.

Hij zei: ‘Dus je vindt het niet belangrijk genoeg om iets in te leveren?’

Achteraf had ik misschien moeten ophangen. In plaats daarvan zei ik: ‘Ik vind onze vriendschap blijkbaar belangrijker dan jij.’

Dat was laag, dat weet ik. Want Henk en Marja zijn geen slechte mensen. Ze doen dit ook niet om ons expres te kwetsen. Ik denk echt dat Henk bang is. Hij leest die berichten over hitte, droogte en overstromingen en hij kan daar niet meer van loskomen. Sinds zijn pensioen heeft hij misschien ook iets nodig gehad om zich aan vast te houden. Vroeger was hij altijd druk, nodig op zijn werk, voorzitter van dit en vrijwilliger bij dat. Nu heeft hij een overtuiging gevonden waar hij helemaal in past.

Maar wij passen er blijkbaar niet meer naast.

De reis ging niet door. Irene en ik zijn uiteindelijk vier dagen naar Zeeland gegaan, naar een hotel in Domburg. Niet eens omdat we zo nodig weg moesten, maar omdat ik thuis gek werd van die lege week in de agenda. We stuurden geen foto’s in de appgroep. Dat voelde kinderachtig, maar ik wilde ook niet dat elke mossel of elke autorit weer een aanleiding werd.

Sindsdien eten we niet meer elke woensdag samen. Soms drink ik op vrijdagmiddag een koffie met Henk in het dorp. Dan gaat het over zijn moestuin, mijn kleinkinderen, de lekkage bij hem in de schuur. We vermijden alles wat ertoe doet. Marja stuurt Irene af en toe recepten zonder vlees. Irene reageert met een duimpje.

Vorige week stelde Henk voor om met de trein een dag naar Zwolle te gaan, ‘als laagdrempelig begin’. Ik heb gezegd dat het me leuk leek. En dat meen ik ook wel.

Maar ik heb nog niet tegen hem gezegd dat ik niet wil dat elke afspraak voortaan een oefening wordt in hoe wij zouden moeten leven. Misschien durf ik dat nog niet, omdat ik bang ben dat hij dan bevestigt wat ik al een tijd voel: dat veertig jaar vriendschap niet automatisch betekent dat je elkaar ook na veertig jaar nog kunt verdragen.