Na veertig jaar vriendschap durfde ik niet meer mee te doen aan ons huis in Frankrijk
Vorige week vond ik in de la van de eettafel een mapje met vier plastic insteekhoezen. Bovenop lag een folder van een makelaar uit de Dordogne, met van die zonnige foto’s waar alles er beter uitziet dan het waarschijnlijk is. Een huis met blauwe luiken, een vervallen schuurtje, een lap grond en een zwembadje dat volgens de tekst ‘opgefrist’ moest worden.
Ik heb die folder dichtgedaan en teruggelegd. Niet omdat ik hem niet meer wilde zien, maar omdat ik ineens niet wist van wie dat huis eigenlijk nog was in mijn hoofd. Van ons vieren? Van niemand? Of van een vriendschap die wij veel steviger hebben ingeschat dan hij bleek te zijn.
Ik ben 64, sinds januari met pensioen na bijna veertig jaar in de thuiszorg. Mijn man Henk is 66 en stopte vorig voorjaar bij de gemeente. Wij kennen Bas en Marja al sinds 1983. Henk en Bas zaten toen bij dezelfde voetbalclub in Amersfoort. Marja en ik raakten aan de praat toen we allebei met een kinderwagen langs het veld stonden. Zo simpel ging dat.
We hebben elkaars kinderen zien opgroeien. We hebben oud en nieuw gevierd in te kleine woonkamers, kampeerweken gedaan waarin het altijd minstens twee dagen regende, en jarenlang op zondagavond gebeld over dingen die toen heel groot leken. Een zieke moeder, een kind dat bleef zitten, gedoe op het werk. Toen mijn vader stierf, stond Bas met een pan soep bij onze deur omdat Henk vergeten was te eten. Toen Marja borstkanker had, reed ik met haar naar de controles als Bas moest werken.
Je gaat dan denken dat je elkaar kent. Niet alles misschien, maar wel de kern.
Het idee van Frankrijk kwam van Bas. Eerst was het een grap tijdens een etentje, ergens vlak voor corona. Daarna werd het een terugkerend onderwerp. Als we ooit klaar waren met werken, zouden we samen iets kopen. Geen luxe villa, daar zijn we ook helemaal niet voor. Gewoon een oud huisje waar je klusjes aan hebt, waar de kinderen en kleinkinderen kunnen komen, en waar je buiten kunt zitten zonder dat de buren met hun grasmaaier beginnen.
In het begin vond ik het vooral gezellig om erover te praten. Henk en Bas doken in Franse hypotheekregels alsof ze allebei makelaar waren. Marja en ik keken naar keukens en vroegen ons af wie er in godsnaam zo’n terracottakleurige vloer mooi vond. We hadden zelfs afgesproken dat we het simpel zouden houden: ieder een kwart inleggen, geen lening, alles op papier via een notaris regelen. Als één van ons eruit wilde, zou er een duidelijke regeling zijn.
Daar was ik gerust op. Juist omdat we elkaar kenden.
Het begon niet met één groot incident. Dat maakt het zo lastig uit te leggen. Bas veranderde gewoon een beetje, telkens net genoeg om jezelf wijs te maken dat het wel weer overging.
Hij was altijd al iemand met plannen. Vroeger wilde hij een motorzaak beginnen, daarna een kleine camping in Zeeland. Hij deed het nooit, en we lachten daar ook om. Maar sinds hij vervroegd was gestopt bij zijn werk als vertegenwoordiger, leek hij haast te hebben. Hij had het steeds over kansen die andere mensen niet zagen.
Eerst kocht hij voor een paar duizend euro cryptomunten, waar hij heel geheimzinnig over deed. Daarna stak hij geld in zonnepanelen op een loods van een kennis. Die kennis ging failliet of verhuisde, ik weet het eerlijk gezegd nog steeds niet precies. Bas vertelde elke keer een ander stuk van het verhaal.
Marja zei aanvankelijk dat ze het wel irritant vond, maar ze zei het met zo’n lachje erbij. ‘Hij verveelt zich gewoon,’ zei ze. ‘Hij moet wennen aan niet meer nodig zijn.’ Dat begreep ik ook wel. Henk heeft in zijn eerste maanden thuis ook drie keer de schuur opnieuw ingericht en een cursus Italiaans gekocht waar hij na les vier mee ophield.
Maar Bas ging verder. Hij nam geld op uit een beleggingsrekening die volgens Marja voor hun pensioen was. Hij wilde een aandeel kopen in een importbedrijf van elektrische fietsen. Vervolgens bleek dat hij al een aanbetaling had gedaan voor een stuk grond in de Ardèche, zonder dat Marja precies wist waarvoor.
Toen we in maart bij hen koffie dronken, kwam het er eindelijk uit. Niet van Bas, maar omdat Marja ineens naar de keuken liep en veel te hard een kastdeurtje dichtdeed.
Bas zei dat het juist gunstig was voor het huis in Frankrijk. Als die grond meer waard werd, konden we ‘groter denken’. Hij had het over een tweede gîte op het terrein en verhuur aan Nederlanders. Hij praatte snel, met rode vlekken in zijn hals, en Henk knikte af en toe alsof hij een ingewikkelde presentatie probeerde te volgen.
Ik vroeg hoeveel geld hij inmiddels had vastgezet.
Bas keek me aan alsof ik iets onfatsoenlijks had gevraagd.
‘Dat is mijn zaak, Els.’
‘Als we samen een huis kopen, wordt het ook een beetje onze zaak,’ zei ik. Ik voelde meteen dat mijn stem te scherp was, maar ik kon niet meer terug.
Hij zei dat ik altijd al bang was geweest. Dat was niet helemaal onwaar. Ik ben degene die bonnetjes bewaart en eerst wil weten wat iets kost. Maar ik ben niet bang voor alles. Ik ben bang om op mijn 64ste ineens te moeten rekenen of we de verwarming wel laag genoeg kunnen zetten omdat iemand anders een briljant plan had.
Op de terugweg zei Henk bijna niets. Bij het stoplicht bij de A28 zei hij: ‘Je had hem niet zo moeten vastzetten waar Marja bij was.’
Ik dacht eerst dat hij bedoelde dat ik gelijk had maar tactloos was geweest. Dat bedoelde hij niet.
Thuis kregen we voor het eerst in jaren echt ruzie. Henk vond dat Bas door een moeilijke periode ging en dat vrienden dan niet meteen afhaken. Hij zei dat Bas altijd voor ons klaar had gestaan. Dat was waar. Hij zei ook dat Marja hem thuis al genoeg op zijn kop gaf en dat wij niet ook nog eens moesten doen alsof hij een onverantwoordelijke jongen van twintig was.
Ik zei dat ik Bas niet wilde straffen. Ik wilde alleen niet met hem een financiële verplichting aangaan zolang we niet eens wisten wat er met zijn geld gebeurde.
‘Dus na veertig jaar vertrouw je hem ineens niet meer?’ vroeg Henk.
Dat kwam harder aan dan ik verwacht had. Want het antwoord was: ik wist het niet. Ik vertrouwde de Bas die met een thermoskan koffie naar mijn vader in het ziekenhuis kwam. Ik vertrouwde de Bas die onze zoon opving toen die als zeventienjarige laveloos thuisgebracht moest worden. Maar ik vertrouwde deze Bas niet, die zei dat een handtekening bij de notaris slechts een formaliteit was en dat we ‘niet zo klein moesten denken’.
Twee dagen later belde Marja. Ze huilde niet, maar ik hoorde dat ze haar adem steeds inhield. Ze vertelde dat Bas kwaad was geweest nadat wij weg waren. Niet agressief, zei ze meteen, alsof ze al bang was dat ik dat zou denken. Gewoon kwaad. Hij had gezegd dat ik haar tegen hem opstookte.
Toen zei ze iets waar ik nog steeds aan denk: ‘Misschien heeft hij wel gelijk dat ik jou alles vertel. Misschien maak ik hem daardoor nog kleiner.’
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik had haar ook niet gevraagd om mij alles te vertellen. Maar ik had wel geluisterd. En misschien had ik haar, zonder het te merken, bevestigd in iets waar zij zelf nog niet uit was.
De week daarna stuurde Bas in onze groepsapp een bericht dat hij en Marja voorlopig uit het plan voor Frankrijk stapten. Hij schreef dat hij geen zin had in een samenwerking waarin hij vooraf al als risico werd gezien. Henk reageerde alleen met: ‘Jammer, maat. Laten we snel praten.’ Ik schreef niets. Ik heb het bericht wel zeker twintig keer geopend.
Henk en ik zijn nog niet uit de ruzie, ook al doen we aan tafel alsof het wel meevalt. Hij vindt dat ik excuses moet maken voor de manier waarop ik het gebracht heb. Misschien heeft hij daarin gelijk. Ik had Bas apart kunnen bellen. Ik had minder vanuit mijn irritatie kunnen praten.
Maar ik ga niet zeggen dat we alsnog samen moeten kopen, alleen om te bewijzen dat onze vriendschap echt is.
Gisteren heeft Henk de map met Frankrijk-papieren uit de la gehaald. Hij vroeg of ik hem weg wilde doen. Ik zei dat hij hem maar moest laten liggen. Niet omdat ik nog geloof dat we daar straks met z’n vieren onder een druivenrank zitten, maar omdat ik nog niet weet wat er precies voorbij is. Het huisje misschien. Of iets wat veel ouder en groter was dan dat huisje.