Na 42 jaar vriendschap zei mijn man dat hij niet meer naar de telefoon durfde te kijken
De telefoon lag op tafel naast mijn kopje thee en toch keek Henk er steeds naar. Niet omdat hij een bericht verwachtte, maar omdat hij bang was dat hij weer zou gaan.
Het was een dinsdagmiddag, half vijf. Hij had die ochtend Corrie naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht voor bloedprikken en een gesprek met de verpleegkundig specialist. Daarna had hij haar teruggebracht naar Kampen, boodschappen gedaan omdat Arie “er echt niet meer aan toegekomen was”, en nog een halfuur bij haar gezeten terwijl zij op de bank in slaap viel. Hij was pas om drie uur thuis.
“Als Arie belt, neem ik niet op,” zei hij.
Ik zei nog: “Dat kun je toch niet maken?”
Daar had ik meteen spijt van. Henk keek me aan alsof ik iets heel kleins zei over iets wat voor hem inmiddels groot was geworden. Hij is negenenzestig, heeft hoge bloeddruk en sinds vorig jaar last van zijn heup. Geen dramatische man. Hij klaagt normaal pas als er echt iets stuk is, aan de auto of aan hemzelf.
Arie en Corrie zijn al tweeënveertig jaar onze vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Ommen, toen onze kinderen nog klein waren en wij allebei met zo’n veel te grote vouwwagen stonden te worstelen. Daarna kwamen de zaterdagen vanzelf. Gourmetten met kerst, verjaardagen, weekendjes naar de Moezel, later samen naar Kreta toen we eindelijk wat meer geld hadden.
Corrie was degene die naast mijn bed zat toen ik na mijn borstoperatie zo bang was dat ik niet eens mijn eigen kinderen wilde bellen. Arie hielp Henk jaren geleden met de schutting, maar bleef daarna nog twee dagen omdat onze achtertuin volgens hem “één grote modderzooi” was. Toen onze zoon scheidde en tijdelijk bij ons introk, waren zij de enigen die niet met adviezen kwamen maar gewoon een pan nasi brachten.
Dus toen Corrie vorig najaar de diagnose kreeg, was het voor ons niet eens een vraag. Longkanker, uitgezaaid. Eerst zei ze zelf nog dat ze niet zielig behandeld wilde worden. Dat zei ze met haar bekende felle gezicht, terwijl haar handen trilden rond haar glas water.
In het begin deden we dingen die logisch voelden. Ik ging met haar mee naar de chemo als Arie moest werken in zijn fietsenzaak. Henk bracht af en toe een maaltijd. We haalden medicijnen bij de apotheek. Arie belde vaker, soms laat op de avond, omdat Corrie misselijk was of omdat hij niet wist of iets normaal was.
Hij raakte in paniek van alles. Daar kan ik hem niet eens hard om veroordelen. Hij en Corrie zijn al vanaf hun negentiende samen. Zij deed thuis altijd de administratie, wist welke huisarts wanneer bereikbaar was, onthield de verjaardagen, regelde alles zonder dat je het merkte. Nu stond Arie soms in zijn eigen keuken en wist hij niet waar de vuilniszakken lagen.
Maar ergens in januari veranderde het. Niet met één groot moment. Meer omdat Henk steeds vaker zei: “Ik ga even naar Arie,” en pas uren later thuiskwam.
Arie vroeg niet meer alleen of we konden helpen. Hij ging er eigenlijk van uit dat het kon.
“Hen, donderdag moet Corrie om tien uur in Isala zijn. Jij hebt toch niks?”
Of: “Wilma, zou jij morgen van twee tot zes bij Corrie kunnen blijven? Dan pak ik even rust.”
Dat laatste begreep ik nog het best. Rust is geen luxe als je partner zo ziek is. Maar hij pakte die rust vervolgens door naar zijn broer in Dronten te gaan of een middag in de werkplaats te rommelen. Ook nodig misschien, ik weet het. Alleen kwam hij daarna thuis en belde hij Henk om te zeggen dat hij ‘s nachts niet had geslapen en dat Henk de volgende ochtend misschien weer even kon komen.
Henk begon slechter te slapen. Hij kreeg maagpijn en at nauwelijks meer. Onze wandelgroep op woensdag zei hij drie keer af. Een etentje met mijn zus ging niet door omdat Corrie die middag gevallen was en Arie in alle stress Henk belde voordat hij de huisartsenpost belde. Henk reed erheen, ik erachteraan. Uiteindelijk kwam er een ambulance en zaten we tot na middernacht in de Spoedeisende Hulp.
De week erna zei de huisarts tegen Henk dat zijn bloeddruk te hoog was. Hij moest rustiger aan doen. Henk knikte braaf en ging twee dagen later weer met Corrie naar het ziekenhuis, omdat Arie zei dat hij het echt niet trok.
Ik werd daar ook niet mijn beste versie van. Ik werd kortaf tegen Henk. Ik zei dingen als: “Je hoeft niet altijd meteen te springen.” Maar als Arie belde en ik hoorde zijn stem breken, voelde ik me een koud mens. Dan zag ik Corrie voor me, zo mager geworden in haar eigen vest, en dacht ik aan hoe ze vroeger mijn dochter met haar slechte rapporten geruststelde.
Vorige maand hadden Henk en ik een afspraak bij de praktijkondersteuner. Niet omdat we dat zelf hadden bedacht. Onze dochter Marije had gebeld nadat Henk tijdens het oppassen op onze kleinzoon duizelig werd. De praktijkondersteuner noemde het mantelzorgbelasting. Ik vond dat woord eerst bijna beledigend. Alsof wij een formulier waren geworden.
Maar Henk zei in de auto terug: “Ik wil Corrie niet laten vallen. Ik kan alleen niet meer doen alsof ik veertig ben.”
We hebben toen opgeschreven wat we nog wél konden. Eén vaste dag per week. Op dinsdag zou Henk Corrie naar afspraken kunnen brengen of bij haar blijven. Ik zou daarnaast koken als het ons uitkwam, en bij nood natuurlijk meedenken. Maar niet meer elke losse vraag, niet meer de nachten in het ziekenhuis, niet meer standaard invallen omdat Arie op was.
We gingen op zondagmiddag naar hen toe. Corrie lag boven te rusten. Arie zette koffie, maar vergat het suikerpotje neer te zetten. Ik weet nog dat ik dat zo’n treurig detail vond.
Henk vertelde het rustig. Hij had het zelfs op een briefje staan, wat hij anders nooit doet.
Arie zei eerst niets. Hij keek naar het tafelkleed, dat Corrie jaren geleden zelf had gekocht in Frankrijk. Toen zei hij: “Dus jullie gaan gewoon een rooster maken van ons?”
Henk legde uit dat het niet zo bedoeld was.
“Maar dinsdag is zeker handig voor jullie agenda?” zei Arie. “En als Corrie op donderdag niet alleen kan zijn, wat dan? Moet ik dan tegen haar zeggen dat jullie dag al geweest is?”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik zei dat er thuiszorg kwam en dat de oncologieverpleegkundige misschien mee kon denken over extra ondersteuning. Arie lachte daar heel naar om. “Ja, die mensen komen tien minuten steunkousen aantrekken en dan ben je weer alleen.”
Dat was niet eerlijk, maar ook niet helemaal onwaar.
Henk zei toen, harder dan ik hem gewend ben: “Arie, ik ben ook niet alleen maar iemand die je kunt inzetten.”
Daarna werd het stil. Van boven hoorden we Corrie hoesten. Arie stond op en liep naar de keuken. Hij kwam niet terug totdat wij onze jassen al aanhadden.
Sindsdien is het anders. Arie belt Henk nauwelijks nog. Corrie stuurt mij soms een spraakberichtje, heel zacht, omdat praten haar moeite kost. Ze bedankt ons dan voor de soep of vraagt hoe het met Henk gaat. Over dat gesprek zegt ze niets. Misschien weet ze niet precies wat Arie tegen ons heeft gezegd. Misschien weet ze alles en wil ze het niet tussen hen in krijgen.
Dinsdag is Henk alsnog naar haar toe gegaan. Arie deed open, vriendelijk maar afstandelijk. Hij zei: “Fijn dat je er bent, op je vaste dag.” Henk vertelde het thuis zonder boos te worden. Dat vond ik nog het ergste.
Volgende week hebben we zelf een afspraak bij de notaris, iets waar we al maanden tegenaan hikken. Henk zei gisteren dat hij die niet afzegt, ook niet als Arie belt.
Ik hoop dat hij dat volhoudt. Ik weet ook dat, als Corrie ineens echt achteruitgaat, we waarschijnlijk toch weer in de auto zitten voordat ik mijn jas dicht heb.