Mijn man boekte een reis van zes weken met onze vriendengroep, terwijl ik nog niet eens had gezegd dat ik vrij kon nemen

Ik heb lang gedacht dat het vooral irritatie was. Zoiets wat wel overwaait als je elkaar een paar dagen wat meer met rust laat. Maar afgelopen dinsdag zat ik aan de keukentafel met mijn laptop open, tussen de rekeningen en een halflege mok koffie, en toen wist ik: dit gaat niet meer alleen over die reis.

Erik stond achter me en zei nogal opgewekt dat hij de eerste aanbetaling al had gedaan. Zes weken Portugal en Spanje, in september en oktober. Met de hele club, of in elk geval met de acht mensen die meteen hadden toegehapt. Huurauto’s, appartementen, een paar nachten in een pousada die volgens hem “echt prachtig” was. Hij liet foto’s zien van een terras met olijfbomen.

Ik zei eerst niets. Ik zag vooral de datum: 12 september.

Op 15 september begint bij de voedselbank altijd de drukste periode. Ik draai daar nu bijna vier jaar mee, op woensdagmiddag en soms extra als er mensen tekort zijn. Niet omdat ik zo nodig onmisbaar wil zijn, maar ik heb daar mijn plek gevonden. Ik ken de vaste gezichten, weet wie geen auto heeft en wie liever pas komt als het rustiger is. Bovendien werk ik nog drie dagen bij de huisartspraktijk. Mijn contract loopt volgend jaar pas af.

“Je hebt toch nog genoeg verlof?” vroeg Erik.

Alsof hij het over een vergeten potje jam had.

Hij is sinds januari met pensioen. Hij werkte veertig jaar bij de gemeente, eerst buiten bij groenvoorziening en later als voorman. De eerste weken thuis waren eigenlijk best gezellig. Hij maakte koffie als ik vroeg weg moest, ging wandelen, ruimde eindelijk de schuur op. Ik gunde hem die rust ook echt. Hij heeft altijd hard gewerkt en de laatste jaren zorgde hij daarnaast veel voor zijn moeder.

Maar na een maand begon het.

Eerst wilde hij op dinsdag naar het museum met Henk en Marja. Toen een lunch met Kees en Annelies, want die konden toevallig. Daarna een fietstocht op donderdag. En iedere keer zei hij: “Ga je mee?” Niet dwingend, althans niet in zijn stem. Maar als ik nee zei, kwam er iets achteraan. Dat ik nooit tijd had. Dat we elkaar straks alleen nog bij het maandelijkse etentje zagen. Dat hij dacht dat we juist méér samen zouden gaan doen nu hij vrij was.

Die maandelijkse etentjes zijn er al sinds 1985. We waren toen eind twintig, sommige nog zonder kinderen, anderen net verhuisd naar de nieuwbouwwijk hier in Amersfoort. We hebben elkaars banenwisselingen, scheidingen, bruiloften en begrafenissen meegemaakt. Niet altijd even intensief, maar het diner op de eerste zaterdag van de maand bleef. Soms bij iemand thuis met veel te veel eten, soms bij de Griek, vroeger ook weleens met alle kinderen erbij. Nu zijn het meestal acht of tien man aan tafel en gaat het over kleinkinderen, knieprotheses, verbouwingen en wie er weer naar de camping in Frankrijk gaat.

Ik hou van die mensen. Dat is het vervelende. Als ik ze niet mocht, was dit veel eenvoudiger.

Alleen: voor Erik lijkt de groep sinds zijn pensioen bijna zijn agenda, zijn ritme, misschien ook zijn bewijs dat hij nog ergens bij hoort. Dat begrijp ik wel. Hij mist zijn collega’s meer dan hij had verwacht. Hij zegt steeds dat hij niet zo’n man wil worden die hele dagen in zijn eentje naar klusprogramma’s kijkt. Daar heeft hij gelijk in. Maar ik wil niet dat zijn oplossing betekent dat ik elke lege middag van hem moet opvullen.

Toen ik naar die boeking keek, vroeg ik: “Waarom heb je dit niet gewoon met mij besproken voordat je betaalde?”

Hij ging op de rand van de tafel zitten. “Dat heb ik toch gedaan? We hadden het erover bij Annelies thuis. Je zei dat Portugal je wel leuk leek.”

Dat klopte ook, een beetje. We hadden erover gepraat tussen het hoofdgerecht en de koffie. Ik had gezegd dat ik Lissabon graag eens wilde zien. Ik had niet gezegd dat ik zes weken weg wilde, midden in mijn werkperiode, met twee auto’s vol bekenden en een schema waar blijkbaar al over gestemd was in een groepsapp waar ik niet eens in zit.

“Ik zei dat Portugal leuk leek,” zei ik. “Niet dat je namens mij zes weken vakantie mocht vastleggen.”

Hij werd toen stil, maar niet op een goede manier. Hij keek naar de vloer, zoals hij doet als hij zich aangevallen voelt.

“Je maakt het wel heel groot, Sofie. Ik dacht gewoon dat je blij zou zijn. We kunnen dit betalen. We zijn gezond. Iedereen vindt het geweldig. En jij zegt altijd dat je later geen spijt wilt hebben dat je alleen maar gewerkt hebt.”

Dat laatste vond ik gemeen, juist omdat ik het ooit zelf heb gezegd. Na het overlijden van mijn vader, geloof ik. Maar het was ook niet helemaal onwaar. Ik ben goed in mezelf nuttig maken. Op mijn werk, bij de voedselbank, bij mijn zus als er iets geregeld moet worden. Misschien weet Erik dat ik daardoor moeilijk nee zeg tegen verplichtingen, en dacht hij dat hij me een duwtje moest geven.

Toch voelde het niet als een duwtje. Het voelde alsof hij alvast besloten had wie ik in deze nieuwe fase moest zijn: zijn reismaatje, de vrouw die altijd beschikbaar is omdat hij dat nu eindelijk ook is.

Die avond heb ik in de slaapkamer geslapen en hij beneden op de bank, wat belachelijk kinderachtig klinkt als ik het opschrijf. De volgende ochtend stond hij gewoon een boterham voor me te smeren. Hij vroeg of ik kaas wilde. Ik zei ja. We hadden het over de afvalcontainer die aan de straat moest. Alsof er niets gebeurd was.

In de dagen daarna kwamen de berichten binnen. Marja stuurde een foto van een appartement met een blauw betegeld zwembad. Annelies schreef in de groep die Erik aan mij had doorgestuurd: “Zo fijn dat jullie ook mee zijn!” Ik kreeg hartjes van mensen die ik al bijna mijn hele volwassen leven ken.

Ik heb niet gereageerd.

Vorige zaterdag hadden we ons vaste diner, dit keer bij Kees en Annelies. Ik zag dat iedereen voorzichtig deed. Te vrolijk bijna. Er werd wijn ingeschonken en Henk begon meteen over tolwegen, alsof het logistieke deel van de reis het veiligste onderwerp was.

Marja nam me later even mee naar de keuken om borden te halen. Ze zei zachtjes: “Erik vertelde dat je een beetje twijfelt. Is er iets?”

Ik wilde zeggen dat het niets was. Dat is wat ik normaal doe, omdat ik geen zin heb om degene te zijn die de sfeer verpest. Maar ik zei: “Hij heeft het geboekt voordat ik ja had gezegd.”

Marja keek naar de vaatwasser. “O. Dat wist ik niet. Hij zei dat jullie er al uit waren.”

Daarna zei ze iets waar ik nog steeds over nadenk: “Hij is wel erg enthousiast sinds hij thuis is. Misschien is hij bang dat jij straks ook met pensioen gaat en dan nog steeds overal behalve thuis nodig bent.”

Dat maakte me niet minder boos. Maar wel minder zeker van mijn eigen verhaal waarin hij alleen maar egoïstisch was.

Gisteren hebben we eindelijk gepraat, zonder dat een van ons wegliep of iets ging opruimen om niet te hoeven luisteren. Ik heb gezegd dat ik niet zes weken wegga. Ik kan en wil niet zomaar mijn werk en de voedselbank laten vallen, en eerlijk gezegd wil ik ook niet zes weken lang elke dag met de groep optrekken. Zelfs niet met mensen van wie ik houd.

Erik zei dat hij zich afgewezen voelt, niet alleen voor die reis maar al maanden. Hij had zich voorgesteld dat we samen een andere tijd zouden ingaan. Hij zei ook dat hij de aanbetaling kan terugkrijgen, deels althans, maar dat hij dat niet wil beslissen zonder te weten of ik nog iets wél wil.

We hebben nu afgesproken dat ik de eerste twee weken mee ga, als ik vrij kan krijgen. Daarna vliegt hij niet terug met de rest, maar blijft hij met Henk en Marja nog vier weken doorreizen. Het klinkt als een compromis uit een relatietherapieboek en misschien is het dat ook. Ik ben er nog niet gerust op.

Vanmiddag moet ik mijn leidinggevende vragen of die twee weken überhaupt kunnen. En vanavond moet ik de voedselbank appen dat ik in september niet beschikbaar ben. Ik merk dat ik daar nu al een knoop van in mijn maag krijg.

Erik zit ondertussen op de bank routes te vergelijken. Af en toe vraagt hij of ik liever Porto of Coimbra zie. Ik geef antwoord, maar ik hoor mezelf nog aftasten. Alsof ik eerst moet uitzoeken hoeveel van mij er nog mee mag op die reis.