Na veertig jaar vriendschap voelde onze vaste donderdagavond ineens als een dienstrooster

Ik wist dat het mis begon te voelen toen ik op een donderdagmiddag in de Albert Heijn stond en ineens niet meer wist of ik voor onszelf boodschappen deed of voor Henk en Marjan.

Ik had een lijstje in mijn telefoon: halfvolle melk, volkoren beschuit, kattenvoer, paprika, die speciale ongezouten noten waar Henk ineens aan begonnen was. Els had nog gezegd dat ik ook meteen een paar magnetronmaaltijden mee moest nemen, “want Marjan heeft haar handen vol”. Dat zei ze niet onaardig. Els is eigenlijk altijd degene geweest die onthoudt wie er jarig is, wie ergens mee zit en wie een pannetje soep kan gebruiken.

Maar ik stond daar met die winkelwagen en voelde een soort druk op mijn borst. Niet omdat ik geen boodschappen voor ze wilde doen. Dat was het juist niet. Ik wilde alleen niet dat het vanzelfsprekend was geworden.

Henk en ik kennen elkaar sinds 1984. We werkten toen allebei bij de gemeentewerf in Amersfoort, nog voordat alles werd uitbesteed en er voor elk formulier drie lagen management nodig waren. Hij zat op de buitendienst, ik deed later steeds meer magazijn en planning. We gingen vissen, eerst met een gammel bootje van zijn zwager op het Eemmeer en later met de caravan naar Friesland. Onze vrouwen konden goed met elkaar. Niet dat we elke dag bij elkaar over de vloer kwamen, maar donderdagavond was heilig.

Eerst koffie, dan een biertje voor de mannen, witte wijn voor de vrouwen, soms een blokje kaas met mosterd. We keken voetbal als er voetbal was, mopperden op de politiek en speelden in de winter Rummikub. De ene week bij hen in Hoogland, de andere bij ons. Als iemand een lekke band had of een schuttingpaal recht moest zetten, belden we elkaar. Zo simpel was het.

Vorig voorjaar kreeg Henk de diagnose Parkinson. Niet heel plotseling, achteraf gezien. Hij had al een tijd last van een trillende hand en liep wat stijver. Hij maakte er zelf grappen over. “Scheelt roeren in de koffie,” zei hij eens, terwijl hij suiker over het aanrecht morste.

Na de diagnose werd hij stiller. Begrijpelijk. Hij is 67 en altijd iemand geweest die overal de leiding in nam. Bij de visclub, bij het klussen, zelfs op vakantie wilde hij bepalen welke afslag we namen. Nu moest hij soms eerst gaan zitten na een stukje lopen. De medicatie hielp, maar niet elke dag hetzelfde. En Henk kon slecht tegen dagen waarop zijn lichaam hem voor was.

In het begin deden we wat vrienden doen. We reden mee naar een afspraak in het Meander, haalden een keer medicijnen op, namen eten mee. Els ging met Marjan mee naar de markt. Marjan belde soms huilend op, vooral ’s avonds, als Henk weer somber was of boos werd omdat zijn overhemd niet dicht wilde.

Ik vond het verschrikkelijk voor ze. Nog steeds.

Alleen werd het na een paar maanden anders. Niet geleidelijk genoeg om het goed te merken, maar achteraf zie ik het heel duidelijk. Donderdagavond werd geen gewone avond meer. Ik repareerde een lamp, zette de kliko buiten, keek naar een app van de huisarts die Henk niet begreep, of luisterde anderhalf uur naar hem terwijl hij zei dat niemand snapte wat dit met hem deed.

Dat laatste klopt natuurlijk ook. Ik snap het niet echt. Ik kan me er iets bij voorstellen, maar ik ben niet degene die wakker ligt met stijve benen of bang is dat hij straks zijn eigen veters niet meer kan strikken.

Toch begon ik op woensdag al onrustig te worden. Els merkte dat eerder dan ik.

“Je bent er niet helemaal meer bij,” zei ze een keer toen we in bed lagen.

“Ik ga toch gewoon helpen?” zei ik.

“Dat zeg ik niet.”

Maar ze zei het op die toon waarop ik wist dat ze wel iets zei en hoopte dat ik zelf zou raden wat.

Een paar weken later belde Marjan op dinsdagmiddag. Hun bezorging van de supermarkt was niet gekomen. Of ik die avond even boodschappen kon halen. Ik zei ja. Donderdag belde ze weer, omdat Henk een slechte dag had en zij “gewoon even iemand nodig had die hem kende van vroeger”. Ook daar ging ik heen.

Zaterdag kwam er een berichtje in de groepsapp die we ooit hadden gemaakt voor vakantiefoto’s en restauranttips. Henk schreef: ‘Morgen iemand tijd om even naar de schuur te kijken? De deur klemt.’

Els reageerde meteen dat we na de lunch konden komen. Ik zag mijn eigen naam erbij staan alsof ik al had toegezegd.

Daar hebben we ruzie over gehad. Geen grote schreeuwpartij, eerder zo’n ruzie die erger is omdat je allebei zacht praat.

“Ik kan ook niet meer gewoon een zondag niks doen,” zei ik.

“Hij heeft Parkinson, Karel.”

“Dat weet ik wel.”

“Nou, zo klinkt het niet.”

Dat deed pijn. Alsof ik, omdat ik moe werd van het helpen, ineens niet meer mocht vinden dat het vreselijk voor Henk was. Els zei later dat ze bang was. Niet alleen voor Henk, maar ook voor onszelf. Dat wij ooit afhankelijk zouden zijn en dat mensen dan zouden gaan rekenen hoeveel avonden ze kwijt waren.

Ik snapte dat. Maar ik dacht ook: juist daarom moet je elkaar niet stilletjes opeisen.

De donderdag waarop het escaleerde, hadden we afgesproken dat ik Henk naar de fysio zou brengen. Marjan moest naar de mondhygiënist en hun dochter woont in Zwolle, dus die kon niet zomaar komen. Prima. Alleen belde Henk een uur van tevoren dat ik daarna ook wel even kon blijven om de administratie door te nemen. Zijn DigiD was geblokkeerd en er waren brieven van de zorgverzekeraar.

Ik zei dat ik om vier uur terug moest zijn, omdat ik zelf een afspraak bij de garage had. Onze auto maakte al weken een vreemd geluid en ik stel dat soort dingen te lang uit.

Het bleef even stil aan de andere kant.

Toen zei Henk: “Dus de garage gaat voor?”

Ik werd meteen kwaad, vooral omdat ik me schuldig voelde.

“Nee, Henk. Maar ik kan niet iedere keer mijn eigen dingen afzeggen.”

“Dat vraag ik toch ook niet iedere keer?”

Ik zei iets als: “Het voelt wel zo.” Dat had ik misschien anders moeten zeggen. Hij zei niets meer. Uiteindelijk bracht ik hem naar de fysio. In de auto hadden we het over het weer en over een vrachtwagen die heel irritant op de rotonde stond. Alsof we allebei hadden besloten dat het gesprek van daarvoor niet bestond.

Die avond stuurde Marjan Els een lang bericht. Niet boos, volgens haar. Wel verdrietig. Ze schreef dat Henk zich in de steek gelaten voelde door de enige vriend die hem nog als Henk kende en niet als patiënt. Dat kwam hard aan. Els las het aan mij voor aan de keukentafel, met haar bril half op haar neus. Daarna zei ze: “Ik vind dat je hem moet bellen.”

Ik heb hem niet gebeld. Niet die avond.

De volgende ochtend wel. Ik zei dat ik er voor hem wilde zijn, maar dat ik niet zijn vaste hulpverlener kon worden. Dat we beter konden kijken naar thuiszorg of iemand van de Wmo voor praktische dingen. Henk lachte daar kort om. Niet vriendelijk.

“Dus nu ga jij mij naar de gemeente sturen.”

Ik zei dat ik hem niet wegstuurde. Dat het juist niet goed ging als alles op Marjan, Els en mij terechtkwam. Hij zei dat hij geen vreemde in huis wilde. Daar kon ik me ook weer iets bij voorstellen.

Sindsdien is het anders. We gaan nog steeds op donderdag, maar niet elke week. Soms spreken Els en Marjan samen af en blijf ik thuis. Soms drinken we maar een uurtje koffie. Henk is af en toe gewoon gezellig, bijna zoals vroeger. Dan vertelt hij een flauw verhaal over de visclub en vergeet ik even hoe gespannen alles is geworden.

Maar hij kan ook dichtklappen zodra ik zeg dat ik weg moet. Dan kijkt hij niet eens boos. Eerder alsof hij iets bevestiging ziet krijgen waar hij al bang voor was.

Vorige week vroeg Marjan of ik komende maandag met Henk mee wil naar een bijeenkomst over Parkinson in de buurt. Els kan niet, zij past op onze kleinzoon. Ik heb gezegd dat ik eerst in mijn agenda kijk. Dat klinkt misschien laf, maar ik wilde niet weer ja zeggen terwijl ik van binnen al nee voelde.

Mijn agenda ligt nu op tafel. Naast een folder van de garage en een ongeopende kaart van Henk en Marjan voor onze trouwdag. Veertig jaar zijn we binnenkort getrouwd. Ik weet nog niet of we het vieren, en eerlijk gezegd weet ik ook niet of zij komen.