Mijn man zegt dat ik hem in de steek laat als ik zes maanden naar Portugal ga
De koffer staat nog niet eens op zolder klaar, maar Henk doet al alsof ik met de noorderzon vertrokken ben.
Het begon met een mailtje van een stichting waar ik vorig jaar twee weken via via had geholpen. Ze begeleiden ouderen in een klein dorp in de Algarve, vooral mensen die alleen wonen. Niet medisch, geen zwaar verzorgend werk. Samen koffie drinken, mee naar afspraken als iemand dat niet alleen durft, helpen bij Nederlandse papieren van mensen die daar ooit zijn gaan wonen en nu vastlopen. Ze zochten iemand voor zes maanden, van oktober tot en met maart.
Ik las die mail drie keer aan de keukentafel. Henk zat tegenover me met zijn tablet, op Marktplaats te kijken naar een tweedehands elektrische fiets die hij waarschijnlijk toch niet zou kopen. Buiten waaide de container van de buren bijna om. Zo’n gewone dinsdag.
Ik zei nog niets. Dat is misschien laf geweest, maar ik kende zijn gezicht al voordat hij iets gezegd had.
Henk is 69 en vorig jaar gestopt bij de gemeente. Hij had nog twee jaar kunnen werken, maar na een reorganisatie kon hij gebruikmaken van een regeling. Hij zei eerst dat het heerlijk zou zijn. Geen wekker meer, geen gezeur over targets en formatieplaatsen. We zouden met de camper naar Frankrijk gaan, vaker fietsen, eindelijk die cursus Spaans doen.
De eerste maanden viel het wel mee. We gingen naar de Veluwe, pasten op onze kleindochter Noor en schilderden de slaapkamer. Maar langzaam werd hij stiller. Hij bleef langer in zijn ochtendjas lopen. Soms had hij pas om half twaalf gedoucht, soms helemaal niet. Als ik vroeg of hij mee wilde wandelen, zei hij dat het weer toch zou omslaan.
Hij heeft weinig vrienden overgehouden aan zijn werk. Of misschien had hij die wel en heeft hij ze altijd op afstand gehouden, dat weet ik eigenlijk niet. Bij verjaardagen kon hij uren gezellig doen, maar daarna zei hij thuis dat hij er moe van was. Nu belt bijna niemand hem meer uit zichzelf. Hij zegt dan: ‘Zie je wel, je collega’s zijn geen vrienden.’
En ik? Ik ben al veertig jaar degene die het opvangt. Niet omdat Henk nooit iets deed. Hij werkte hard, hij reed de kinderen naar hockey als ik avonddienst had in het verpleeghuis, hij heeft onze keuken zelf geplaatst. Maar het regelen, onthouden, aanvoelen, dat lag bij mij. De cadeaus voor zijn moeder. De kaartjes voor de buren. De huisarts bellen toen zijn vader achteruitging. De kinderen geruststellen als Henk chagrijnig van zijn werk kwam en boven ging zitten.
Toen mijn moeder dement werd, ging ik drie keer per week naar haar aanleunwoning in Gouda. Boodschappen, was, haar medicijnen klaarzetten. Henk zei dan vaak: ‘Je moet ook een beetje aan jezelf denken.’ Maar als ik een middag met een vriendin wilde lunchen, vroeg hij of ik dan wel vóór het eten thuis kon zijn, want hij had geen zin om alleen te koken.
Ik denk dat ik daar jarenlang overheen ben gestapt omdat het klein klonk. Hij verbood me niets. Hij schreeuwde niet. Hij maakte het alleen steeds zo dat mijn plannen lastig werden, en zijn behoefte vanzelfsprekend.
De stichting in Portugal belde twee dagen na die mail. Of ik nog belangstelling had. Ik zei dat ik erover na moest denken, maar ik hoorde mezelf al vragen hoe de woonruimte was en of ik mijn eigen kamer zou hebben.
Die avond vertelde ik het aan Henk. Ik had pasta gemaakt. Hij at bijna niets.
‘Zes maanden?’ vroeg hij.
‘Ja. Maar ik kom met kerst tien dagen naar huis. En jij kunt natuurlijk ook langskomen, als je dat wilt.’
Hij keek me aan alsof ik iets heel onhandigs had gezegd.
‘Natuurlijk kan ik langskomen. Alsof ik daar alleen in een appartement ga zitten terwijl jij bezig bent met een nieuw leven.’
Ik zei dat het geen nieuw leven was. Dat het vrijwilligerswerk was, tijdelijk. Dat ik dit al jaren wilde, ook toen de kinderen nog thuis woonden. Hij wist dat.
‘Je wilt dus liever voor vreemde oude mensen zorgen dan voor je eigen man.’
Daar werd ik zo boos van dat ik meteen scherp terugdeed. Ik zei dat hij geen hulpbehoevende was en dat ik niet zijn dagbesteding kon worden omdat hij met pensioen was.
Dat had ik niet zo moeten zeggen. Hij werd wit om zijn neus en stond op zonder zijn bord af te ruimen. Later hoorde ik hem in de logeerkamer snikken. Niet hard. Juist dat ingehouden geluid, alsof hij zich schaamde dat ik het kon horen.
De volgende ochtend zat hij aan tafel met twee koppen koffie. Hij zei dat hij die nacht bijna niet geslapen had. Dat hij soms wakker wordt en denkt: wat moet ik vandaag in godsnaam doen? Hij zei ook dat hij zich schaamt omdat hij weet dat hij objectief gezien niets te klagen heeft. We hebben een afbetaald rijtjeshuis, een redelijk pensioen, gezonde kleinkinderen. Maar hij voelt zich, zijn woorden, ‘alsof ik langzaam uit beeld raak’.
Ik kreeg daar meteen medelijden mee. Dat is mijn automatische stand. Ik pakte zijn hand vast en zei dat we hulp konden zoeken. De huisarts, een praktijkondersteuner, misschien iets via de welzijnsorganisatie hier in de wijk. Hij knikte, maar vroeg daarna: ‘Kun jij dan niet eerst een jaar hier blijven? Tot ik weer wat steviger sta?’
Een jaar. Alsof mijn leven een wachtkamer is waarin hij mag bepalen wanneer ik aan de beurt ben.
Hij is uiteindelijk bij de huisarts geweest. Hij heeft gesprekken met de POH-GGZ gehad, vijf keer geloof ik. Daarna zei hij dat het wel ging. Hij wil geen antidepressiva en geen groep voor mannen die net met pensioen zijn, want daar ziet hij zichzelf niet tussen zitten. ‘Ik ben toch geen zielige oude man’, zei hij.
Maar intussen verwacht hij wel dat ik elke middag thuis ben. Als ik naar yoga ga of koffie drink met mijn zus, appt hij na een uur: ‘Hoe laat denk je thuis te zijn?’ Niet dwingend misschien. Hij zet er vaak een kusje achter. Maar ik voel het meteen in mijn buik.
Vorige week heb ik de stichting laten weten dat ik het aanbod aanneem, onder voorbehoud dat we de praktische dingen goed regelen. Daarop werd Henk heel stil. Die avond zat hij in de schuur zijn gereedschap uit te zoeken. Om tien uur was hij er nog.
Toen hij binnenkwam, zei hij: ‘Als je dit doet, moet je niet denken dat we daarna gewoon verder kunnen alsof er niks gebeurd is.’
Ik vroeg wat hij daarmee bedoelde.
Hij zei: ‘Ik vraag je één keer om voor ons te kiezen. Als jij toch gaat, dan weet ik blijkbaar waar ik sta.’
Geen geschreeuw. Geen deuren. Gewoon die zin, terwijl hij zijn jas nog aanhad.
Sindsdien slapen we in hetzelfde bed, maar we praten vooral over boodschappen en Noor die zondag komt. Hij heeft mijn broer verteld dat ik “een halfjaar naar Portugal wil vluchten”. Mijn broer belde me en zei dat hij Henk ook wel begreep. Dat vond ik pijnlijker dan ik had verwacht.
Mijn dochter begrijpt mij juist meteen, misschien té meteen. Zij zegt dat papa professionele hulp nodig heeft en dat ik niet verantwoordelijk ben voor zijn leegte. Maar zij heeft niet veertig jaar naast hem gelegen. Zij heeft niet gezien hoe hij met Noor op de grond zit en geduldig een houten treinbaan bouwt. Zij weet niet dat hij, toen mijn moeder stierf, iedere avond mijn kruik vulde omdat ik het steeds koud had.
Ik hou van hem. Dat is het vervelende. Als ik niet meer van hem hield, was dit alleen een praktische beslissing geweest.
Morgen ga ik naar de stichting in Utrecht voor een kennismakingsdag. Henk heeft gezegd dat hij me niet wegbrengt naar het station. Dat hoeft ook niet. Ik kan prima zelf fietsen.
Vanavond moet ik nog uitzoeken of ik mijn zorgverzekering tijdelijk moet aanpassen en waar ik mijn winterjas laat. Henk zit boven. Ik hoor de televisie, maar ik herken het programma niet.
De aanbetaling voor mijn ticket hoeft pas over drie weken gedaan te worden.