Mijn man vindt dat ik onze vrienden in de steek laat, maar ik kan niet nog een vaste zorgdag erbij hebben
Vorige dinsdag stond ik met mijn jas nog aan in de gang toen Marja belde. Ik had net een uur gezwommen in het bad in de buurt en wilde eigenlijk alleen thee zetten en mijn natte badpak ophangen.
Ze begon niet met vragen hoe het met mij ging. Dat doet ze de laatste tijd eigenlijk nooit meer, bedenk ik nu pas. Ze zei dat Kees die ochtend bijna was gevallen bij de trap, dat de thuiszorg pas donderdag kwam en dat ze haar administratie echt niet meer overzag.
Toen kwam het.
Of ik vanaf volgende week elke woensdag kon komen. Niet alleen om de post door te nemen, maar ook even de badkamer, een was, boodschappen misschien. ‘Gewoon totdat we weer een beetje lucht hebben, Lies.’
Ik hoorde mezelf zeggen dat ik erover moest nadenken. Dat vond ik al behoorlijk moedig van mezelf. Vroeger had ik meteen gezegd: natuurlijk, ik kom wel.
Marja werd stil. Niet boos, eerder gekwetst. Of misschien was dat mijn invulling, want ik ken haar al sinds we begin twintig waren. We woonden toen allebei in een bovenwoning in Utrecht, hadden weinig geld en gingen op vrijdagavond naar dezelfde bruine kroeg. Bas en ik hebben Kees en Marja leren kennen bij een etentje van collega’s. Daarna kwamen er vakanties in Frankrijk, verjaardagen, kinderen die bij elkaar logeerden, de begrafenis van Marja’s moeder. Zij waren geen ‘kennissen’. Ze hoorden bij ons leven.
Juist daarom vind ik dit zo naar.
Kees heeft sinds ruim een jaar problemen met zijn heup en zijn evenwicht. Eerst dachten ze nog dat het met fysiotherapie beter zou gaan. Nu loopt hij binnenshuis met een rollator en buiten vaak helemaal niet meer. Hij schaamt zich daar vreselijk voor. Kees was altijd degene die de barbecue aanstak, die een lekke band van iedereen repareerde en zonder morren om zes uur ’s ochtends naar Schiphol reed.
Marja doet nu bijna alles. Dat zie ik ook. Ze is moe, kortaf geworden, soms vergeetachtig. Een paar maanden geleden trof ik haar huilend aan bij de diepvries in de supermarkt omdat ze niet meer wist wat ze die avond moest koken. Ik heb haar toen mee naar huis genomen, koffie gegeven en samen een lijst gemaakt. Daar was niets ingewikkelds aan. Je helpt iemand die het moeilijk heeft.
Maar het is niet bij die ene keer gebleven.
Eerst reed ik Kees naar de fysio als Marja zelf een afspraak had. Daarna werd ik degene die mee ging naar het ziekenhuis omdat Marja het gesprek met de orthopeed niet alleen aankon. Ik bestelde een verhoogd toilet, omdat hun zoon Wouter ‘wel wilde kijken als hij tijd had’, wat blijkbaar betekende dat het drie weken bleef liggen. Ik heb gebeld met de gemeente over huishoudelijke hulp, al werd ik daar zelf ook niet veel wijzer van. Marja appte vaak laat op de avond. Soms alleen een foto van een stapel enveloppen met: ‘Ik trek dit niet.’
Dan zat ik op de bank naast Bas, met mijn telefoon in mijn hand en dat knagende gevoel in mijn buik. Als ik niet reageerde, voelde ik me hard. Als ik wel reageerde, was ik weer een uur bezig.
Bas vindt dat ik het groter maak dan het is.
Toen ik hem dinsdag vertelde over de woensdagen, zei hij eerst: ‘Nou, één dag in de week, Lies. Zo gek is dat toch niet?’
Ik zei dat het nooit één dag bleef. Dat wist hij ook. Als ik daar ben en Kees heeft pijn, ga ik niet na precies drie uur opgewekt zeggen dat mijn dienst erop zit. Dan moet er iets van de apotheek gehaald worden, of Marja wil even wandelen omdat ze anders ontploft, of er ligt weer een formulier waar niemand iets van begrijpt.
‘Ze vragen het niet voor de lol,’ zei Bas.
Dat raakte me meer dan ik verwachtte. Alsof ik dacht dat Marja dit allemaal verzon om mij te pesten. Alsof ik niet al maanden zie hoe zij krommer loopt, hoe Kees steeds minder praat als er bezoek is.
Ik zei dat ik ook geen lol meer overhoud aan mijn eigen weken. Dat ik mijn zus in Groningen al twee keer heb afgezegd omdat er iets was bij Marja en Kees. Dat ik op donderdag standaard kapot ben, terwijl ik zelf ook niet meer dertig ben. Mijn schouders doen pijn, ik slaap slecht en ik merk dat ik geïrriteerd raak als mijn telefoon trilt.
Bas keek weg en zei: ‘Dus nu laat je ze vallen omdat het niet gezellig meer is?’
Dat heb ik hem kwalijk genomen. Ik heb de rest van de avond bijna niets gezegd. Hij heeft de vaatwasser ingeruimd, veel harder dan nodig, en ik zat boven een beetje doelloos sokken op te vouwen. We waren allebei kinderachtig, denk ik. Maar ik voelde me zó alleen in dat gesprek.
Het gekke is dat Bas zelf nauwelijks iets doet voor hen. Hij belt Kees eens per week en gaat soms op zondag voetbal kijken, als Kees zich goed genoeg voelt. Dat is waardevol, dat weet ik. Maar alle praktische rommel belandt bij mij, omdat Marja mij appt en omdat ik blijkbaar altijd opneem.
Woensdag ben ik toch gegaan. Niet om toe te zeggen, zei ik tegen mezelf, maar om het rustig te bespreken. Marja had koffie gezet en er lagen gevulde koeken op tafel, die Kees altijd koopt als ik kom. Hij zat in zijn stoel met een deken over zijn benen en vroeg hoe het zwemmen was. Zo gewoon. Daar kreeg ik bijna tranen van.
Marja had een schriftje klaargelegd met lijstjes. ‘Kijk, als jij de woensdag doet, dan kan ik eindelijk weer eens naar yoga. Of gewoon even nergens aan denken.’
Ik snapte dat zó goed dat ik bijna weer ja zei.
Maar toen zei ik dat ik niet elke woensdag kon komen. Dat ik best af en toe wilde helpen met administratie, en dat ik mee wilde denken over iemand die structureel schoonmaakt of ondersteunt. Maar geen vaste dag waarop alles bij mij terechtkwam.
Marja keek naar het schriftje. Ze zei: ‘Ik dacht dat jij begreep hoe het hier is.’
Dat was alles. Niet schreeuwen, geen ruzie. Juist daardoor kwam het hard aan.
Kees zei na een tijdje dat ze misschien Wouter nog eens moesten bellen. Marja haalde haar schouders op. ‘Die heeft ook zijn eigen gezin.’ Ik wilde zeggen dat ik ook mijn eigen leven heb, maar ik kreeg het niet over mijn lippen.
Thuis vroeg Bas hoe het was gegaan. Ik vertelde het eerlijk. Hij zei alleen: ‘Nou, fijn. Dan weten ze in elk geval waar ze aan toe zijn.’ Op zo’n toon dat het precies het tegenovergestelde betekende.
Sindsdien heeft Marja weinig gestuurd. Gisteren alleen een berichtje dat Kees een slechte nacht had gehad. Ik heb teruggeschreven dat ik aan ze denk en dat ze de huisarts moesten bellen als het niet ging. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid op tafel.
Vanmorgen heb ik een e-mail gestuurd naar de welzijnsorganisatie in hun wijk, met de vraag welke ondersteuning er mogelijk is voor mantelzorgers. Ik heb Marja in de cc gezet. Misschien vindt ze dat bemoeizuchtig. Misschien reageert ze niet.
Bas is vanmiddag naar Kees gegaan. Zonder mij. Hij vroeg of ik mee wilde, maar ik zei dat ik al een afspraak had bij de kapper. Die afspraak stond al zes weken.
Toen hij weg was, heb ik me alsnog schuldig gevoeld. Daarna heb ik koffie gezet, de ramen open gedaan en ben ik op de bank gaan zitten in een stil huis dat ineens veel te ruim voelde.