Na 34 jaar vaste vrijdagavonden durfde ik eindelijk thuis te blijven

Ik wist dat ik niet mee zou gaan toen ik vrijdagochtend mijn wandelschoenen in de gang zag staan.

Ze stonden daar omdat ik ze de avond ervoor had schoongemaakt. Zaterdag zouden we met z’n zessen naar de Veluwe gaan, een huisje bij Hoenderloo, twee nachten. Henk en ik hadden er eigenlijk zin in gehad. Nou ja, ik had er ooit zin in gehad. Daarna kwam het bericht van Marjan.

Marjan zat al sinds dinsdag in een soort crisis. Eerst was het haar dochter die niet terugbelde. Toen bleek het haar ex-schoonzoon te zijn die iets op Facebook had gezet. Vervolgens had ze bijna geen oog dichtgedaan, volgens haar omdat ze ‘alles ineens zag instorten’. Op donderdagavond belde ze Henk om half elf. Hij ging in de bijkeuken zitten, maar ik hoorde genoeg door de deur heen.

‘Nee joh, natuurlijk sta je er niet alleen voor.’

Dat zei hij steeds. Natuurlijk. Natuurlijk. Natuurlijk.

Wij kennen Marjan en Kees al vanaf 1989. Onze kinderen zaten nog op de basisschool. We woonden toen allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort en begonnen op vrijdagavond bij elkaar te eten omdat niemand geld of energie had voor ingewikkeld gedoe. Dat is blijven hangen. Zelfs nadat we verhuisden, scheidingen meemaakten, kleinkinderen kregen en Kees vijf jaar geleden overleed.

Sindsdien is Marjan alleen. Dat is ook echt verdrietig, en ik zeg niet dat ze dat maar even moet verwerken. Kees was een rustige man die haar op een bepaalde manier kon opvangen. Hij zei weinig, maar als Marjan weer door alles heen praatte, legde hij soms zijn hand op haar arm en dan zakte ze een beetje.

Bij ons gebeurt dat niet.

Bij ons praat ze door totdat iemand anders iets zegt, en dan praat ze daar overheen. Als Els vertelt dat haar knie eindelijk iets beter gaat na de fysio, begint Marjan over haar eigen hernia van twaalf jaar geleden. Als Pieter zegt dat hij misschien minder wil gaan werken, zegt Marjan dat zij nooit de kans heeft gekregen om voor zichzelf te kiezen. Als ik iets over mijn moeder vertel, die sinds kort in een zorgappartement woont, kijkt Marjan soms even ernstig en dan zegt ze: ‘Ja, maar jij hebt tenminste nog een moeder.’

Daar kun je dan ook weer niet boos om worden, want misschien heeft ze ergens gelijk. Haar moeder is jong overleden. Haar vader was volgens Marjan een narcist, al gebruikte ze dat woord vroeger nooit. Maar na elke vrijdagavond reed ik met een zwaar hoofd naar huis. Niet één keer, maar steeds vaker.

Henk vond dat ik overgevoelig werd.

Dat zei hij niet letterlijk in het begin. Hij zei dingen als: ‘Ze heeft gewoon weinig mensen meer.’ Of: ‘We weten toch hoe ze is.’ Of: ‘Als wij haar ook nog afstoten, wie heeft ze dan?’

Alsof het maar twee mogelijkheden waren: wij vangen alles op, of Marjan zit de rest van haar leven alleen in haar flat naar het plafond te kijken.

Ik heb voorgesteld om het kleiner te maken. Niet meer elke week. Of soms alleen met z’n vieren eten, zonder dat we daar geheimzinnig over zouden doen. Ik wilde ook best eens met Marjan koffie drinken, een uurtje, overdag. Dan kon ik daarna weer naar huis. Maar Henk keek me aan alsof ik had voorgesteld haar op straat te zetten.

‘Je wil haar dus doseren,’ zei hij.

‘Ik wil mezelf ook nog een beetje overhouden.’

Dat kwam er feller uit dan ik bedoelde.

Hij werd stil en zei: ‘Dat klinkt niet bepaald als vriendschap, Anja.’

Dat heeft me meer geraakt dan ik toen liet merken. Ik ben niet iemand die mensen zomaar laat vallen. Ik heb mijn zus jarenlang geholpen toen zij door haar scheiding in de schuldsanering zat. Ik ben met mijn moeder naar ziekenhuisafspraken gegaan terwijl ik zelf nog werkte. Maar blijkbaar telde dat niet mee. Bij Marjan moest mijn grens verdwijnen, anders was ik harteloos.

Het weekend in Hoenderloo was oorspronkelijk bedacht voor onze veertig jaar vriendschap. Els had een restaurant besproken voor zaterdagavond. Pieter had fietsen geregeld. Heel gewoon, heel gezellig. Totdat Marjan vrijdagmiddag in de groepsapp schreef dat ze niet wist of ze nog wel verder wilde.

Niet dat ze zichzelf iets aan zou doen, schreef ze daarna. ‘Zo dramatisch ben ik nu ook weer niet.’ Maar ze zat wel alleen, had wijn gedronken en voelde dat niemand echt begreep wat er met haar aan de hand was.

Binnen drie minuten waren alle berichten alleen nog maar voor haar.

Els: Zal ik langskomen?

Pieter: Henk, ben jij al bij haar?

Henk: Ik bel haar nu.

Ik zat aan de keukentafel met mijn jas nog aan. Ik had boodschappen gehaald voor onderweg: krentenbollen, kaas, een zak drop die ik eigenlijk niet eens lekker vind maar die altijd mee gaat. Henk stond bij het aanrecht en praatte met Marjan. Op een gegeven moment zei hij tegen mij, met zijn hand over zijn telefoon: ‘We moeten naar haar toe. Ze wil niet alleen blijven.’

Ik zei: ‘Ga jij maar.’

Hij keek me aan alsof hij me niet verstond.

‘Ik ga niet,’ zei ik nog een keer. ‘Niet vanavond. Niet dit weekend.’

Hij legde de telefoon niet neer. Marjan hoorde dus waarschijnlijk alles. Dat maakte me ineens kwaad, juist omdat ik daardoor automatisch weer voorzichtig moest doen.

‘Anja, dit is geen moment om een punt te maken.’

‘Ik maak geen punt. Ik kan het gewoon niet meer.’

Hij zei dat we haar niet konden achterlaten. Ik zei dat hij haar niet achterliet als hij ging. Hij zei dat het hele weekend nu anders moest, dat begreep toch iedereen. En ik zei, misschien wel het gemeenste wat ik had kunnen zeggen: ‘Ja, iedereen begrijpt het altijd. Daarom gebeurt het elke keer.’

Daarna hing hij op. Hij is naar Marjan gegaan. Pieter en Els kwamen ook. Het huisje hebben ze geannuleerd; volgens de eigenaar kon dat niet kosteloos, maar daar heeft niemand meer over gesproken. Zaterdag gingen ze met Marjan naar de huisartsenpost omdat ze bleef zeggen dat ze druk op haar borst voelde. Uiteindelijk bleek er lichamelijk niets acuut te zijn, hoorde ik later.

Ik ben dat weekend thuisgebleven.

Ik heb zaterdag de ramen gelapt, wat belachelijk is omdat het regende. Zondag ben ik naar mijn moeder geweest en heb ik haar geholpen haar televisie weer op de gewone zenders te krijgen. We aten een boterham met oude kaas. Het was rustig. Niet fijn rustig, eerder schuldig rustig.

Maandagavond kwam Henk thuis van zijn vrijwilligerswerk. Hij zette zijn tas neer en zei: ‘Marjan vraagt waarom jij niets hebt laten horen.’

Ik was soep aan het opwarmen. Ik zei dat ik niet wist wat ik moest zeggen.

‘Je had gewoon kunnen vragen hoe het ging.’

‘Dan had ik gelogen als ik deed alsof ik er helemaal voor haar kon zijn.’

Hij zuchtte. Niet boos hard, maar vermoeid. ‘Ik snap je echt niet soms.’

Dat was misschien nog het ergste. Na 38 jaar samen, en dan zegt hij dat.

De vrijdag erna gingen we niet naar Els en Pieter. Henk wilde wel, ik niet. Uiteindelijk bleef hij ook thuis, maar ik merkte dat hij dat als mijn schuld zag. We hebben die avond apart televisie gekeken. Rond elf uur hoorde ik hem in de slaapkamer zacht praten met Marjan. Hij zei weer: ‘Natuurlijk.’

Volgende week is er opnieuw een etentje gepland. In de app staat dat Marjan zich ‘een stuk beter’ voelt, met een hartje erachter. Ik heb nog niet gereageerd. Henk ook niet, al doet hij alsof het hem niets uitmaakt.

Mijn wandelschoenen staan inmiddels weer in de kast. Ik heb ze niet nodig gehad. Toch kan ik mezelf er nog niet toe zetten ze op te ruimen.