Mijn man zette een vreemde aan onze tafel en ineens voelde veertig jaar vriendschap wankelen
‘Hij komt vanavond gewoon mee,’ zei Frank, terwijl hij zijn jas over de stoel hing alsof hij me vertelde dat hij melk had gehaald.
Ik stond met mijn handen in het sop, boven de braadpan die ik al sinds de middag had voorbereid. Stamppot boerenkool, rookworst van de slager, appelmoes voor de kinderen van Judith die soms nog aanschuiven. Onze eerste zaterdag van de maand. Veertig jaar al, bijna.
‘Wie komt mee?’ vroeg ik.
Frank keek niet op. ‘Henk. Van de modelspoorclub.’
Ik voelde mijn maag samentrekken. ‘Je maakt een grap.’
‘Nee. Waarom zou ik?’
Omdat je dat niet doet, wilde ik zeggen. Omdat dit ónze avond is. Omdat iedereen weet dat je voor de zomerhuisjes in Zeeland eerst overlegt, dat je geen partners van buiten de groep ineens meeneemt, en dat je al helemaal geen onbekende aan tafel zet zonder het te vragen. We hadden daar nooit regels voor op papier. Dat hoefde niet. Sommige dingen weet je gewoon.
‘Frank, je hebt Henk uitgenodigd voor het eten van vanavond?’
Hij zuchtte meteen, nog voordat ik iets kon uitleggen. Dat zuchten kende ik de laatste maanden. Alsof ik een deur dichtdeed waar hij net doorheen wilde.
‘Hij is alleen sinds zijn vrouw is overleden. Ik zei dat hij welkom was. Is dat nou zo verschrikkelijk?’
‘Het gaat niet om verschrikkelijk. Het gaat erom dat je mij passeert. En de anderen ook.’
Frank draaide zich naar me om. Zijn gezicht was rood bij zijn slapen. ‘Altijd dat “de anderen”. Alsof wij toestemming moeten vragen aan de club om normaal met mensen om te gaan.’
Die woorden deden meer pijn dan ik wilde toegeven. De club. Zo noemde hij ons vroeger nooit. Wij waren Frank en ik, Judith en Kees, Anja en Willem, Ria en Ton. We hadden samen onze eerste flats verlaten, elkaars bruiloften meegemaakt, langs kraambedden gezeten en ouders begraven. Toen Frank drie jaar geleden zijn hartinfarct kreeg, sliep Kees twee nachten op onze bank omdat ik niet alleen durfde te zijn.
Maar sinds Frank met pensioen was, leek hij soms naar diezelfde geschiedenis te kijken alsof het een te strak zittende jas was.
Om half zeven ging de bel. Eerst Judith en Kees, met een fles rode wijn. Daarna Anja en Willem. Ria en Ton kwamen zoals altijd te laat, kibbelend over een afslag die Ton gemist zou hebben.
Toen Frank de deur opnieuw opendeed, viel er een stilte die bijna hoorbaar was.
‘Dit is Henk,’ zei hij opgewekt. ‘Henk, dit zijn… nou ja, iedereen.’
Henk was een magere man met een beige regenjas en een bos bloemen waar het papier al nat van was. Hij glimlachte onzeker.
‘Ik hoop dat ik niet ongelegen kom,’ zei hij.
Niemand antwoordde meteen.
Ik haatte mezelf op dat moment. Hij had niets verkeerd gedaan. Hij stond daar met zijn bloemen en zijn gekamde grijze haar, terwijl hij waarschijnlijk al spijt had dat hij ja had gezegd.
‘Kom binnen, Henk,’ zei ik uiteindelijk. ‘Geef die maar aan mij.’
Aan tafel probeerde Judith haar best te doen. Ze vroeg naar de modelspoorclub. Henk vertelde dat hij vroeger bij de spoorwegen had gewerkt, in Amersfoort, en dat hij na het overlijden van zijn vrouw nauwelijks nog de deur uitkwam. Frank luisterde naar hem met een aandacht die ik lang niet meer bij hem had gezien.
Kees daarentegen zei bijna niets. Willem maakte een paar flauwe grappen over treintjes. Ria keek steeds naar mij, met die kleine, vragende blik van haar: wist jij dit?
Nee, Ria. Ik wist het niet.
Toen Henk even naar het toilet was, schoof Kees zijn stoel naar achteren.
‘Dit is toch wel iets dat je even in de groep gooit?’ zei hij, kalm maar hard genoeg.
Frank legde zijn vork neer. ‘Moet ik soms een stemming organiseren omdat er één man mee-eet?’
‘Doe niet zo kinderachtig,’ zei Kees. ‘Het is onze vaste avond.’
‘Precies,’ zei Frank. ‘Vast. Alles zit hier vast.’
Ik voelde hoe iedereen naar mij keek. Alsof ik de scheidsrechter was. Of erger: alsof dit eigenlijk mijn schuld was.
‘Frank,’ zei ik zacht, ‘niet nu.’
Hij lachte kort, zonder vrolijkheid. ‘Wanneer dan wel, Marijke? Als we straks alleen nog maar over knieoperaties, overlijdensadvertenties en de korting bij de bouwmarkt praten?’
Dat kwam hard aan. Ook bij de anderen. Anja keek naar haar bord. Ton kuchte. En ik, ik werd ineens woedend.
‘Je doet alsof wij jou klein houden,’ zei ik. ‘Maar jij bent degene die na je pensioen nergens meer zin in had. Ik heb je naar die club gestuurd. Ik heb gezegd: ga iets doen. En nu maak je van mij een gevangenisbewaarder.’
Zijn gezicht brak een beetje. Niet veel. Net genoeg om me te laten zien dat ik raak had geschoten.
Na het eten vertrok Henk vroeg. Hij bedankte me bij de voordeur voor de maaltijd en zei dat hij het fijn had gevonden, maar zijn ogen zeiden iets anders. Ik schaamde me diep.
De rest bleef nog een uur, maar het gewone gelach kwam niet terug. Toen de laatste auto wegreed, stond Frank in de donkere keuken de glazen af te spoelen.
‘Ik wilde alleen niet dat ons leven kleiner werd,’ zei hij.
Ik pakte een theedoek, hoewel mijn handen trilden. ‘En ik wilde alleen niet kwijt wat ons al die jaren heeft gedragen.’
Hij keek me aan. ‘Misschien zijn we allebei bang.’
Daar had ik geen antwoord op.
Want wat bescherm ik eigenlijk: onze vriendschap, of mijn angst dat ik zonder die vaste kring niet meer weet wie ik ben?
En heeft Frank gelijk dat een deur openzetten nodig is, ook als het tocht in huis?