Na 32 jaar vriendschap bleek geld ineens zwaarder te wegen dan alle vakanties en etentjes samen
Ik heb de afgelopen weken drie keer bijna een bericht in onze groepsapp getypt en het telkens weer weggehaald. Normaal staat die app vol met onzin: een foto van Kees die weer te veel hout voor de vuurkorf heeft besteld, Marjan die vraagt wie er zaterdag een toetje meeneemt, mijn man Henk die een link stuurt over een wandelroute waar niemand vervolgens op reageert.
Nu is het er stil. Niet helemaal stil, want er worden nog duimpjes gegeven op een foto van een kleinkind of op een berichtje over iemand die griep heeft. Maar het gewone geklets is weg. Alsof we allemaal bang zijn dat één verkeerd woord het laatste zetje geeft.
Wij kennen Kees en Marjan al tweeëndertig jaar. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar in de klas in Amersfoort. Eerst waren het verjaardagen met te veel ouders in een te klein huis, daarna etentjes op vrijdagavond, weekenden in een huisje in Drenthe en later vakanties in Frankrijk. Toen Henk een bypassoperatie moest ondergaan, stond Kees de avond ervoor bij ons op de stoep met een tas boodschappen, terwijl ik niet eens had gevraagd of hij iets wilde doen.
Toen Marjan borstkanker kreeg, heb ik maandenlang haar hond uitgelaten. Ik zeg dat niet om bij te houden wie wat voor wie heeft gedaan. Zo voelde het nooit. Het hoorde gewoon bij ons vieren.
Kees is vorig najaar met pensioen gegaan. Hij had jarenlang een eigen installatiebedrijf, hard gewerkt, vaak zes dagen per week. Hij vond het eerst vreselijk, dat niets hoeven. Na drie weken had hij de schuur opgeruimd, de voortuin opnieuw bestraat en was hij volgens Marjan ‘onuitstaanbaar aanwezig’ in huis.
Op een vrijdagavond kwam hij met een map onder zijn arm bij ons eten. Geen gewone dunne map, maar zo’n zware ordner met tabbladen. Hij vertelde over een oud kampeerterrein bij de Veluwe dat hij via een oud-zakencontact op het spoor was gekomen. Het terrein was verwaarloosd, maar de locatie was goed. Zijn idee was om er een kleinschalig duurzaam vakantiepark van te maken, met houten huisjes, zonnepanelen, deelauto’s en een centrale moestuin.
Ik vond het eerlijk gezegd een mooi verhaal. Kees kan enthousiast vertellen. Hij had al tekeningen laten maken, cijfers op papier gezet en hij kende iemand die ‘heel goed was met vergunningen’. Henk zat er meteen rechtop bij.
‘Dit is precies de tijd hiervoor,’ zei hij. ‘Mensen willen niet meer naar zo’n massaal park.’
Marjan zei bijna niets die avond. Dat is niet haar gewoonte. Zij is normaal degene die zonder aarzelen zegt als de saus te zout is of als iemand zich aanstelt. Ze schonk wijn bij, ruimde borden op terwijl ik zei dat ze moest blijven zitten, en vroeg pas bij de koffie hoeveel geld Kees er eigenlijk in wilde steken.
Hij noemde een bedrag. Ik hoef het hier niet precies op te schrijven, maar het ging om een groot deel van hun spaargeld. Niet om een paar duizend euro die je misschien kunt missen. Het was geld waar ze allebei jarenlang voor gewerkt hadden. Hun afgeloste huis, hun pensioen, wat reserve voor later. Alles zat in dat bedrag verstopt.
Marjan keek hem aan en zei: ‘Dat gaan we dus niet doen.’
Kees lachte eerst nog een beetje. Alsof zij een grap maakte die iedereen kende behalve wij. Maar zij lachte niet terug.
De dagen daarna belde Marjan mij. Eerst voorzichtig. Ze zei dat Kees al met een accountant had gepraat en dat hij vond dat ze “altijd alleen maar beren zag”. Daarna belde ze huilend vanuit haar auto, geparkeerd bij de Albert Heijn omdat ze niet naar huis wilde. Ze vroeg of ik met Henk wilde praten.
‘Jullie kennen hem zo goed,’ zei ze. ‘Als Henk zegt dat dit echt geen verstandig plan is, luistert hij misschien.’
Ik zei dat ik dat zou doen. En ik meende het ook.
Alleen bleek Henk er inmiddels anders in te zitten. Hij had Kees apart gesproken en was helemaal meegetrokken in het plan. Niet dat wij ons hele spaargeld erin zouden stoppen, zei hij. Maar een kleiner bedrag misschien wel. Als stille vennoot, zoals hij het noemde. Hij had zelfs onze oude pensioenoverzichten erbij gepakt.
Ik werd daar kwaad om, veel kwader dan ik had verwacht.
‘Je hebt dus al met hem zitten rekenen?’ vroeg ik.
Henk zei dat ik niet zo moest doen. Hij vond dat ik meteen in paniek raakte zodra het over geld ging. Dat is misschien niet helemaal onwaar. Mijn vader had vroeger een transportbedrijfje dat uiteindelijk failliet ging. Geen dramatisch verhaal met deurwaarders op televisie, maar wel jaren waarin mijn moeder enveloppen ongeopend in een la legde omdat ze het niet meer aankon. Ik ben daar blijkbaar nooit helemaal van losgekomen.
Maar het ging mij niet alleen om ons geld. Ik zag Marjan voor me, alleen in haar auto op dat parkeerterrein, en ik vond het vreselijk dat Kees haar zo buiten spel leek te zetten.
Een week later gingen we bij hen eten. Er was pasta uit de oven, precies zoals altijd, en Kees had een fles Italiaanse rode wijn opengetrokken die hij voor zijn pensioen van zijn personeel had gekregen. Het was bijna pijnlijk normaal.
Tot Henk vroeg hoe het met de financiering stond.
Marjan legde haar vork neer. Heel rustig, dat maakte het erger.
‘Daar zijn we nog niet uit,’ zei ze.
Kees zuchtte. ‘Omdat Marjan doet alsof ik van plan ben ons huis te vergokken.’
‘Nee,’ zei zij. ‘Ik doe alsof ik mee mag beslissen over ons gezamenlijke geld.’
Ik keek naar mijn bord. Er zat een stukje rucola tegen mijn glas geplakt. Ik weet nog steeds niet waarom ik dat detail onthouden heb.
Kees zei dat hij niet begreep waarom iedereen zo negatief deed. Hij had een plan, ervaring met ondernemen en een kans die niet elke dag langskwam. Toen keek hij Henk aan en zei dat het hem juist goed deed dat Henk het wel begreep.
Daarna keek hij naar mij.
‘Jij vertrouwt me toch ook wel?’
Het was geen harde vraag. Juist daardoor kwam hij zo binnen. Alsof ik niet alleen nee zou zeggen tegen een investering, maar tegen alles wat Kees voor ons geweest was.
Ik zei dat vertrouwen niet hetzelfde is als geld overmaken. Meteen nadat ik het zei, klonk het stijf en belerend. Kees trok zijn wenkbrauwen op. Marjan keek naar haar servet. Henk zei niets, wat ik hem die avond misschien nog het meest heb kwalijk genomen.
Kees zei uiteindelijk: ‘Dus als het misgaat, ben ik ineens die onverantwoordelijke sukkel. En als het lukt, hebben jullie vanaf de zijlijn zitten kijken.’
Niemand reageerde daar goed op. Ik ook niet. Ik zei dat hij mensen onder druk zette. Hij zei dat ik altijd al moeite had gehad als Henk en hij samen ergens enthousiast over waren. Dat was gemeen, maar niet volledig uit de lucht gegrepen. Ik ben vaak degene die vraagt wie het gaat schoonmaken, wie de verzekering regelt, wat er gebeurt als iets tegenzit. Blijkbaar is dat ook vermoeiend.
We zijn vroeg weggegaan. Geen ruzie met deuren slaan. We hebben de glazen afgewassen, Marjan gaf me bij de voordeur een veel te lange knuffel en Kees zei nog dat we er later wel normaal over konden praten.
Sindsdien weet ik niet goed wat normaal praten is. Henk en ik hebben besloten niet te investeren. Hij is daar nog steeds niet blij mee. Hij zegt dat ik de rem erop heb gezet voordat hij zelf een keuze kon maken. Misschien heeft hij gelijk. Tegelijkertijd zegt hij ook dat hij niet wil dat wij straks geld kwijt zijn én Kees en Marjan als vrienden.
Marjan stuurde gisteren dat Kees toch doorgaat, maar met minder eigen geld en twee andere investeerders. Ze schreef: ‘Hij is rustiger nu.’ Daarna: ‘Ik niet echt.’
Vrijdag zouden we eigenlijk bij ons gourmetten, iets wat we al maanden geleden hadden afgesproken. Ik heb het vlees besteld, omdat ik het anders moest annuleren. In de groepsapp heb ik alleen gezet: ‘Vrijdag nog steeds 18.30 uur bij ons?’
Kees heeft het gelezen. Marjan ook. Er staat al bijna een uur geen antwoord.