Mijn man koos een wandelcursus boven het jubileum van onze vrienden — en ik wist niet meer aan welke kant ik stond
“Dus jij gaat écht niet mee?” vroeg ik, met mijn hand nog op de koelkastdeur.
Kees stond in de bijkeuken zijn nieuwe wandelschoenen in te smeren. Alsof ik het over het weer had. Alsof het jubileumfeest van onze vriendengroep niet al maanden in elke app, aan elke keukentafel en tijdens elk koffiebezoek besproken werd.
“Ria, ik heb het toch gezegd. Die cursus begint zaterdag. Twee dagen in de Veluwe, kaartlezen, lange afstanden. Ik heb er zin in.”
“Het is het veertigjarig jubileum van ons allemaal.” Mijn stem sloeg over. “Van ons leven samen, Kees.”
Hij keek eindelijk op. “Precies. En ik wil niet doen alsof mijn leven alleen maar bestaat uit zaterdagavond bij Henk en Marijke, met bitterballen en verhalen die ik al honderd keer gehoord heb.”
Dat kwam hard aan. Misschien omdat het ergens ook waar was. Iedere eerste zaterdag van de maand zaten we met z’n achten bij elkaar. Henk en Marijke, Ton en Els, wij en vroeger ook nog Jaap en Lidy, tot Jaap overleed. We hadden elkaars kinderen zien opgroeien, tenten gedeeld op de camping in Zeeland, elkaar geholpen met verbouwingen en scheidingen. Toen mijn moeder in het verpleeghuis lag, stond Els ineens voor de deur met een pan macaroni. Ze vroeg niks. Ze zette die pan neer en pakte mij vast.
Dat soort mensen gooi je toch niet zomaar aan de kant?
Kees was sinds januari met pensioen. Veertig jaar had hij bij de gemeente gewerkt, eerst buiten, later op kantoor. De eerste weken zat hij doelloos in zijn ochtendjas aan tafel. Daarna sloeg er iets om. Hij kocht een racefiets, meldde zich aan bij een wandelvereniging in het stadje verderop en begon filmpjes te kijken over reizen naar Slovenië en Georgië. Allemaal plekken waar ik nooit van gedroomd had.
Ik gunde hem zijn energie. Echt. Ik vond het zelfs mooi om hem weer zo te zien lachen.
Maar ineens was onze vertrouwde kring voor hem een last geworden.
“Ze hebben het alleen nog over pillen, heupen en wie er dood is,” zei hij een week later, toen we terugkwamen van Ton en Els. “Ik word daar benauwd van.”
“Ton wacht op een operatie aan zijn knie,” beet ik hem toe. “En Marijke heeft net gehoord dat haar hartritmestoornis terug is. Wat verwacht je dan?”
Hij zuchtte. “Dat we ook nog over iets anders kunnen praten dan aftakeling.”
Die zin bleef in mijn hoofd steken. Aftakeling. Was dat wat hij zag als hij naar onze vrienden keek? En zag hij dat dan ook als hij naar mij keek?
De dagen voor het jubileumfeest waren verschrikkelijk. Ik maakte de foto’s klaar die ik namens iedereen zou ophangen: jonge gezichten bij een caravan, kinderen met nat haar aan het zwembad, Kees die Henk op zijn schouders droeg na een voetbalwedstrijd. Bij iedere foto voelde ik mijn keel dichtknijpen.
Marijke belde me donderdagavond.
“Komt Kees nou echt niet?” vroeg ze voorzichtig.
Ik hoorde op de achtergrond glazen tegen elkaar tikken. Ze waren de zaal aan het versieren in het dorpshuis.
“Hij heeft die wandelcursus,” zei ik.
Het bleef even stil.
“Ach,” zei ze toen. “Misschien is hij ons gewoon zat.”
Ik wilde hem verdedigen, maar er kwam niks. Dat was misschien het ergste.
Zaterdagavond ging ik alleen. Ik had mijn blauwe jurk aan, dezelfde die ik droeg toen Els vijftig werd. Bij binnenkomst klapte iedereen. Niet omdat ik zo bijzonder was, maar omdat ze blij waren dat ik er was. Toch voelde het alsof ik iets gebroken mee naar binnen had genomen.
Henk kwam naast me staan met twee glazen wijn.
“Waar is die ouwe rakker?” vroeg hij nog luchtig.
“Wandelen,” zei ik.
Zijn glimlach verdween. “Op ónze avond?”
Later, toen de muziek zachter stond en Els een toespraak hield over Jaap en Lidy, keek ik naar de lege stoel naast mij. Ik schaamde me voor Kees. Maar ik miste hem ook zo verschrikkelijk dat het pijn deed achter mijn ribben.
Thuis, na middernacht, zat hij op de bank. Zijn wangen waren rood van de kou. Hij vertelde enthousiast dat hij twaalf kilometer had gelopen en mensen had ontmoet die in september naar Portugal wilden.
Ik hing mijn jas op en zei: “Henk vroeg waar je was.”
Kees knikte, maar zei niks.
“Ze waren gekwetst.”
“En ik dan?” Hij stond op. “Mag ik ook eens kiezen voor iets dat niet al veertig jaar vastligt?”
“Je mag alles kiezen,” zei ik. “Maar niet doen alsof jouw keuze niemand raakt.”
Hij keek naar de grond. Voor het eerst zag hij er niet vrij uit, maar moe.
Sindsdien gaan we soms apart. Hij wandelt en fietst. Ik drink koffie met Els, help Marijke naar het ziekenhuis en ga nog steeds naar de eerste zaterdag van de maand. Maar tussen Kees en mij zit iets wat er vroeger niet zat: de vraag of we nog dezelfde richting op lopen.
Ik wil hem niet klein houden. Ik wil alleen niet ontdekken dat vrijheid voor hem betekent dat hij zonder ons verder kan.
Heb je na een heel leven samen het recht om opnieuw te beginnen? Of laat je dan juist de mensen los die je overeind houden als alles stiller wordt?